Hartritme- en geleidingsstoornissen: onderzoek en diagnose

Om vast te stellen om welke ritme- of geleidestoornis het gaat, doen we verschillende onderzoeken.

Welke onderzoeken u krijgt, hangt af van uw situatie:

  • Hartfilmpje (ECG). Om te bepalen welke ritmestoornis het precies is, maken we een hartfilmpje.
  • Holteronderzoek. Het registreren van uw hartritme gebeurt met een Holterrecorder, die u draagt in een tasje om uw nek. Via draden is de recorder verbonden met plakkers op uw borst. De recorder is zo klein, dat u deze gemakkelijk onder een trui of shirt kunt dragen.
  • Eventrecorder. Soms is het nodig om het hartritme langer te registreren, bijvoorbeeld als de ritmestoornis kort duurt en niet elke dag optreedt. Dan kunnen we een eventrecorder gebruiken. Dit is een klein apparaat dat u met een koordje om uw hals draagt en waarbij een paar elektroden op uw borst worden vastgeplakt. U draagt de eventrecorder een aantal weken.
  • Looprecorder. Een andere mogelijkheid is een implanteerbare hartritmemonitor (ook wel looprecorder genoemd). Dat is een apparaatje zo groot als een USB-stick. De cardioloog plaatst de looprecorder onder de huid vlak naast het borstbeen. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving. Zo kunnen we ritmestoornissen langere tijd registreren.

Soms wordt uit deze onderzoeken niet helemaal duidelijk om welke ritmestoornis het gaat. Dan doen we een elektrofysiologisch onderzoek om de oorzaak te vinden.

Heeft u nog vragen?

U kunt de polikliniek Hart en Vaten bellen van maandag tot en met vrijdag, tussen 8.00 en 16.30 uur.