Op de dag van de behandeling gaat u eerst naar de voorbereidingskamer. Daarna brengen we u voor de behandeling naar de katheterisatiekamer, een soort operatiekamer. Voor deze operatie gaat u onder narcose. Daarvoor krijgt u een infuus in een ader. U merkt dus niks van de operatie. U krijgt ook een blaaskatheter. Hierdoor kan de urine uit uw blaas lopen.
Wanneer u onder narcose bent, plaatsen we een dun, soepel buisje in de ader van de lies. Of soms in de hals. Dit is een katheter. Via de ader kunnen we de katheter naar het hart brengen. In de katheter zit de opgevouwen nieuwe hartklep. Als we in het hart zijn, meten we eerst de bloeddruk. Dit doen we via een rechtskatheterisatie. Zo weten we hoe erg de vernauwing of de lekkage van de klep is.
De nieuwe pulmonalisklep mag niet de kransslagaderen van het hart afsluiten. Daarom blazen we op de plek waar de nieuwe klep komt een ballon op via de katheter. Tegelijkertijd maken we röntgenfoto's. Als het bloed goed kan stromen door de kransslagaders, kunnen we de klep veilig plaatsen.
We meten de hartklep op, zodat we weten hoe groot de nieuwe klep moet zijn. De nieuwe hartklep implanteren we door een ballon op te blazen. De ballon drukt de vaatwand een beetje uit elkaar, waardoor er plek is voor de nieuwe klep. Aan die ballon zit een stent. Een stent houdt de vaatwand uit elkaar.
Na plaatsing van de klep halen we de katheter uit de lies. De prikplek in de lies maken we dicht met een hechting en een drukverband.
Het plaatsen van de nieuwe pulmonalisklep duurt ongeveer 2-3 uur.