Fysieke fitheid is een ruim begrip maar in de kern wordt geduid op het vermogen van het lichaam om fysieke activiteiten uit te voeren zonder overmatige vermoeidheid. Het omvat verschillende aspecten zoals uithoudingsvermogen, kracht, flexibiliteit en balans.
Het fysiek fit zijn van patiënten in de revalidatie heeft veel wetenschappelijk goed onderbouwde voordelen. Het ondersteunt de patiënt om mobieler en onafhankelijker te zijn. Ook helpt het bij het behouden van een goede algemene gezondheid en het voorkomen van recidieven. Verder leidt fysieke fitheid op het psychosociale vlak tot minder stress, afname van angsten, verkleining van kans op depressie en vergroot het de eigenwaarde en de acceptatie van de handicap.
Vermoeidheid
Een ander aspect van fitheid, dan wel het ontbreken daarvan betreft vermoeidheid. Veel patiënten in de revalidatie blijken namelijk daarmee te kampen. Bij patiënten met MS bijvoorbeeld wordt vermoeidheid als een van de sterkste voorspellers gezien van functionele beperkingen en van een slechte kwaliteit van leven. Ook de meerderheid van de patiënten met een CVA worstelt met vaak ernstige vermoeidheidklachten. Naast het beter plannen van activiteiten (het zogenaamde ‘pacen’) is ook het verbeteren van fitheid een goede optie om die vermoeidheidsklachten tegen te gaan.
Snellere revalidatie
Daarnaast revalideert een fysiek fittere patiënt ook sneller en beter en houdt dat effect beter vast. Dit uitgangspunt wordt al benoemd in 2016 door Moore en Durstine/ ACSM. Daarnaast wordt het belang van dit uitgangspunt steeds meer erkent en toegepast in andere deelgebieden van de geneeskunde, zoals de prehabilitatie bij grote chirurgische ingrepen: bij de behandeling van fittere patiënten treden minder complicaties op, zijn de behandelkosten lager, verbetert het de kwaliteit van leven en zijn de patiënten en de medewerkers tevredener over het beloop.
Uithoudingsvermogen?
Als het gaat om gerichte verbetering van de fysieke fitheid bij revalidatiepatiënten gaat de meeste aandacht meestal uit naar het uithoudingsvermogen, waar de andere onderdelen vaak al onderdeel uit maken van de reguliere revalidatiebehandeling. Dat uithoudingsvermogen wordt in de regel onderverdeeld in het vermogen om een activiteit voor langere duur op een laag intensiviteitsniveau vol te houden (aeroob) en het vermogen om een activiteit kortdurend op een hoog intensiviteitsniveau vol te houden (anaeroob: sprint).
Bij het toepassen van programma’s om revalidatiepatiënten fitter te maken is het van belang om geschikte en effectieve methodieken toe te passen, waarbij naast gerichte en goed opgebouwde training ook het betrouwbaar in kaart brengen van de fysieke fitheid (testen) van belang is.
Testen van fitheid
Om tot een effectieve training te kunnen komen is het essentieel dat er een betrouwbaar beeld is van het fysiek uithoudingsvermogen voor het begin van die training. Er zijn daarvoor verschillende methoden. De gouden standaard daarbij is de maximale inspanningstest (pdf).
Lees meer over het testen van fitheid en wat daarvoor nodig is:
Keuzetool alternatieven voor maximale inspanningstest
Niet in alle revalidatiegeneeskunde instellingen is er nu al de mogelijkheid om een maximale inspanningstest uit te voeren. Om dan toch iets te kunnen zeggen over de fitheid en het uithoudingsvermogen zijn er nog een aantal andere mogelijke methodieken. Zoals:
- een maximaal test zonder ademgasanalyse,
- een steepramptest,
- shuttle run/ walk tests,
- submaximaal testen,
- 6 minuten looptesten
- vragenlijsten.
Om de beste keuze te maken, hebben we een keuzetool ontwikkeld. Door in te vullen welk specifiek doel de test heeft, wat een aantal kenmerken van de patiënt zijn en wat de beschikbare middelen zijn, wordt een suggestie gedaan voor het beste alternatief met een korte toelichting voor die specifiek patiënt.
Disclaimer: De uitkomst van de beslisboom is altijd een suggestie. De daadwerkelijke keuze voor een optie en het toepassen ervan is de verantwoordelijkheid van degene die de keuze maakt en de er aan verbonden uitvoering verricht.
Trainen van fitheid
Als je eenmaal weet wat het beginniveau is, dan kan op basis daarvan een trainingsprogramma worden opgemaakt. Het opstellen van een trainingsprogramma vereist specifieke expertise. Vaak zijn er binnen de revalidatie-instelling wel collega’s (o.a. vanuit de fysiotherapie) die hierin goed thuis zijn. Zo’n trainingsprogramma is altijd gebaseerd op een aantal basisprincipes. Weet hiervan hebben is belangrijk als dit soort programma’s worden toegepast.
Allereerst is het van belang om vast te stellen wat trainen eigenlijk is. Een definitie is: “het regelmatig en systematisch toedienen van toenemende belastingprikkels met de bedoeling het prestatievermogen te laten stijgen”. Trainingsprogramma’s zijn allemaal gebaseerd op basisfysiologie, zoals de citroenzuurcyclus en de verschillende lichaamsprocessen die energie kunnen opwekken, zoals de fosfaatcyclus en de glycogeen- en vetstofwisseling. Voor die kennis wordt verwezen naar de leerboeken. Meer specifiek zijn er een aantal belangrijke trainingsprincipes waarvan de toepassing terug te vinden is in alle goede programma’s:
- De bouwstenen van een training, te weten frequentie, intensiteit, type en tijdsduur van een training, samengevat als FITT. Een goede samenstelling van een training heeft deze elementen in zich.
- Het principe van “overload”: anders gezegd: gevraagde inspanning tijdens de training moet zwaar genoeg zijn om effect te kunnen hebben.
- “Supercompensatie”, ofwel het herstel van het lichaam na een trainingsimpuls tot boven het oorspronkelijk niveau. Hier dient rekening mee gehouden te worden, onder andere bij de timing van de volgende training. Te vroeg weer gaan trainen kan leiden tot verslechtering: lees overtraining.
- “Specificiteit”: trainen voor duuractiviteiten vereist een andere opbouw dan trainen voor kortdurende intensieve activiteiten. Is het doel, bijvoorbeeld om de het anaeroob uithoudingsvermogen te trainen dat zal het accent liggen op (hoog)intensieve vormen, zoals bijvoorbeeld sprintoefeningen.
- “Reversibiliteit”. Als de trainingsserie stopt, verdwijnt het effect ook grotendeels. Die achteruitgang gaat overigens minder snel en minder ver als je beter getraind, lees fitter, bent.