Niertransplantatie

Bij een niertransplantatie krijgt iemand een donornier, omdat de eigen nieren niet goed meer werken.

Een niertransplantatie is een zogenaamde nierfunctievervangende behandeling en de beste behandeling bij nierfalen. Dat betekent dat een donornier de functie van de eigen nier overneemt. Een donornier komt van een levende of overleden donor.

Uw eigen nieren blijven gewoon zitten. Soms is het nodig 1 of beide eigen nieren weg te halen voor de niertransplantatie, bijvoorbeeld als u vaak infecties of bloedingen in uw nieren heeft.

Wanneer doen we een niertransplantatie?

Als de nieren nog maar voor 15% werken is een niertransplantatie de beste behandeling. Of een transplantatie mogelijk is, hangt wel af van uw situatie. Een transplantatie is een zware operatie. Uw conditie moet daarom goed genoeg zijn.

Vooronderzoek

Uw arts of specialist kan u verwijzen naar het UMCG. Voordat uw arts of specialist u verwijst naar het UMCG, heeft u al verschillende onderzoeken gehad. Zoals een bloed- en urineonderzoek. Deze informatie en andere medische gegevens stuurt uw arts of specialist aan ons.

Eerste gesprek

Tijdens de eerste afspraak bespreken we samen verschillende zaken, zoals :

  • uw conditie en of u nog andere aandoeningen heeft
  • welke medicijnen u gebruikt
  • operatiemogelijkheden
  • wel of niet verwijderen van de eigen nier, bijvoorbeeld bij cystenieren

U heeft daarvoor op 1 dag gesprekken met verschillende specialisten. Bijvoorbeeld met de nefroloog, een verpleegkundige en een chirurg die de transplantatie doet.

Wachttijd nier

Als u geschikt bent voor een transplantatie en uw nierfunctie is minder dan 15%, komt u op de wachtlijst van Eurotransplant in Leiden. Dit is een internationale organisatie die aangeboden organen en weefsels verdeelt en toewijst volgens vastgestelde regels.

De wachttijd voor een nier van een overleden donor is op dit moment ongeveer 2 tot 3 jaar vanaf de start van de de dialyse. Vaak wachten patiënten met bloedgroep 0 en B langer dan patiënten met bloedgroep A of AB. Vanaf de 1e dialysedag krijgt u wachttijdpunten. Hoe meer wachttijdpunten u heeft, hoe hoger de kans op een nier.

U kunt ook zelf op zoek gaan naar een donor die zijn nier wil doneren, dit noemen we een 'levende donor'.

De behandeling stap voor stap

  1. U hoort van uw arts dat u een niertransplantatie krijgt. Als u een nier van een levende donor krijgt, krijgt u een brief met de precieze datum. U heeft een afspraak met de anesthesioloog over de verdoving. Een verpleegkundige vertelt u over de operatie en de voorbereidingen.

    Bij een nier van een overleden donor werkt het iets anders. Vaak is er onverwacht een geschikte nier. Als dat zo is, bellen we u. U komt dan zo snel mogelijk naar het ziekenhuis.

    Een transplantatie is een zware operatie. Daarom bespreken we vooraf samen hoe u zich hier op voorbereidt. Met een goede voorbereiding is de kans op een goed herstel groter. U krijgt bijvoorbeeld advies over voeding, bewegen en stoppen met roken.

  2. U meldt zich bij de opnamebalie in de ontvangsthal van het UMCG. Een gastvrouw of -heer brengt u daarna naar de verpleegafdeling.

    Als u in het UMCG bent, prikken we eerst bloed voor onderzoek. Ook maken we een hartfilmpje en een longfoto. U heeft ook een gesprek met de nefroloog en de anesthesist over de narcose.

    Soms moet u nog even wachten op de operatie. Bijvoorbeeld omdat:

    • de donorprocedure nog aan de gang is
    • de nier nog naar het UMCG moet komen
    • we soms nog een kruisproef doen met uw bloed en cellen van de donor. Dit duurt ongeveer 6 uur
    • u mogelijk nog moet dialyseren voor de operatie
    • er soms nog geen operatiekamer beschikbaar is

    Voor een niertransplantatie wordt u minstens 6 dagen opgenomen in het ziekenhuis.

    Het kan zijn dat een transplantatie alsnog niet door kan gaan als:

    • de donornier niet goed genoeg is
    • we bij het onderzoek bij u nieuwe gezondheidsproblemen ontdekken
  3. Voor deze operatie gaat u onder narcose. Daarvoor krijgt u een infuus in een ader. U merkt dus niks van de operatie. Daarna krijgt u een beademingsbuis in uw luchtpijp. U krijgt ook een blaaskatheter in de plasbuis en een dubbel-J katheter in uw buik. De blaaskatheter is een slangetje dat de plas uit de blaas afvoert. De dubbel-J is een slangetje in de buik dat loopt van de transplantatienier, door de urineleider naar de blaas. Zo kan de urine van de transplantatienier naar de blaas lopen.

    De chirurg maakt een snee aan de linker- of rechterkant van uw onderbuik. Daar komt de nieuwe nier. Daarna sluiten we de ader en slagader van de donornier aan op uw eigen bloedvaten die in de onderbuik van en naar het been lopen. We sluiten de urineleider van de donornier aan op uw urineblaas.​

  4. Na de operatie wordt u wakker op de uitslaapkamer. Zodra het kan gaat u naar de verpleegafdeling. Na de operatie heeft u een infuus, een blaaskatheter en een dubbel-J. Meestal kan de blaaskatheter er na 5 dagen uit. De dubbel-J blijft 3 weken zitten. 

    Tijdens uw opname krijgt u informatie over uw medicijnen en hoe u die inneemt. Voor u weer naar huis gaat, heeft u nog een ontslaggesprek met de verpleegkundig specialist.

  5. Als u naar huis kunt, heeft u nog een dubbel-J katheter. Door de verbetering van uw lichamelijke conditie, kunt u na een niertransplantatie voor een groot deel weer een actief leven hebben. Hoe actief, dat verschilt per persoon. Maar de kwaliteit van leven gaat meestal vooruit. Wel moet u voor de rest van uw leven medicijnen slikken tegen afstoting.

    Meestal kunt u na ontslag rechtstreeks naar huis. Soms gaat iemand na ontslag uit het ziekenhuis voor een bepaalde periode naar het Familiehuis. Bijvoorbeeld als u ver weg woont.

  6. Het eerste jaar na transplantatie komt u voor controle naar het UMCG. De 1e maand na de transplantatie heeft u 1 keer per week een afspraak op de polikliniek. Als u problemen heeft door de transplantatie, komt u vaker dan 1 keer per week. Na een poosje komt u nog 1 keer in de 3 maanden. Dat hangt af van hoe het met u gaat.

    Bij elke controle onderzoeken we een paar dingen:

    • Urine: u neemt elke keer 24-uurs urine en verse urine mee. Zo kunnen we de nierfunctie heel precies meten. En zien we ook of u misschien een blaasontsteking heeft.
    • Bloed: we onderzoeken ook uw bloed. Daarvoor laat u voor de afspraak bloed prikken bij de Prikpoli.

    Na dit eerste jaar gaat 1 keer in de 3e maanden voor controle naar uw eigen nefroloog. En u komt nog 1 keer per jaar naar het UMCG.

Mogelijke complicaties

Bij elke operatie kunnen er achteraf problemen zijn. Ook als de operatie zelf goed is gegaan. Deze problemen noemen we complicaties. Complicaties die kunnen voorkomen zijn:

  • delier
  • nabloeding
  • vocht vasthouden/oedeem
  • wondinfectie
  • afstoting
  • een stolsel in de slagader naar de nier
  • problemen met de aansluiting van de urineleider op de blaas

Soms is het daarom nodig om u nog een keer te opereren om het probleem op te lossen. We kunnen complicaties na de operatie soms ook behandelen met medicijnen.

Ook na de transplantatie kunt u nog problemen hebben, zoals:

  • bijwerkingen door de medicijnen, zoals darmklachten, diabetes, trillen, huidkanker
  • zwaarder worden
  • meer kans op infecties, vooral urineweginfecties

Medicijnen en bijwerkingen

Na een transplantatie moet u voor de rest van uw leven medicijnen slikken tegen afstoting van het orgaan.

Leefstijl en revalidatie na de transplantatie

  • leefregels
  • leven weer oppakken
  • psychische impact voor en na transplantatie

Heeft u nog vragen?

Bel naar het secretariaat Niertransplantatie van maandag tot en met vrijdag, tussen x.00 en xx.00 uur. U kunt ook een e-mail sturen.