• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Narcose

Print 

Grote operaties en langdurige ingrepen worden meestal uitgevoerd onder narcose. Bijvoorbeeld  operaties aan het hoofd, de hals, borst en bovenbuik. Operaties aan de onderbuik, benen en armen kunnen onder narcose of met plaatselijke verdoving worden gedaan. Welke verdovingsvorm wordt gebruikt, is afhankelijk van het soort operatie en uw conditie. De anesthesioloog overlegt met u welke verdovingsvorm het meest geschikt is.

Voorbereiding

De anesthesioloog heeft gegevens nodig over uw gezondheid om de meest geschikte verdoving te bepalen. Afhankelijk van uw leeftijd, conditie en het soort operatie, worden er voor de operatie onderzoeken gedaan. Er wordt bijvoorbeeld een hartfilmpje en een röntgenfoto van uw borstkas gemaakt, bloed afgenomen en een conditietest gedaan. De anesthesioloog stelt ook vragen over uw gezondheid. Dit om erachter te komen of u:

  • net griep heeft gehad of verkouden bent geweest
  • bepaalde ziektes heeft
  • weet dat er bepaalde ziektes in uw familie voorkomen
  • afwijkingen aan uw organen of orgaanfunctie heeft
  • medicijnen gebruikt
  • eerdere ervaringen heeft met narcose
  • ergens allergisch voor bent
  • snel een bloedneus heeft of lang nabloedende wondjes
  • wel eens pijnlijke, blauwwitte handen heeft
  • nauwe neusgaten heeft (bij inbrengen van een maagslang)
  • loszittende tanden of kiezen heeft. Deze kunnen beschadigen tijdens het inbrengen van een beademingsbuis
  • mogelijk zwanger bent , om onnodig risico voor het ongeboren kind te voorkomen.

Als uw gezondheid niet optimaal blijkt, kan de anesthesioloog in overleg met u en de chirurg besluiten de ingreep uit te stellen. Soms moet eerst uw conditie verbeteren of is het nodig extra onderzoek te doen.

Bespreken anesthesie

Meestal bezoekt u in de weken voor een geplande operatie de Preoperatieve Polikliniek Anesthesiologie (POPA). Hier bespreekt u dan de bijzonderheden rond de anesthesie. U kunt dan ook vragen stellen. Denkt u de avond voor de ingreep niet te kunnen slapen, dan kunt u de anesthesioloog om een slaaptablet vragen. Wordt u onverwacht opgenomen, dan komt een anesthesioloog op de dag voor de operatie bij u langs.

Dag van de operatie

Op de dag van de operatie moet u nuchter zijn. Vanaf het tijdstip dat met u is afgesproken, mag u daarom niets meer eten en drinken. Zo voorkomen we dat u moet overgeven tijdens het begin van de anesthesie. Ook roken wordt afgeraden. U mag wel uw tanden poetsen.

Uw sieraden, bril, contactlenzen en gebitsprothese mag u niet dragen tijdens de ingreep, omdat ze kunnen beschadigen. Bent u erg slechthorend, dan mag u wel uw gehoorapparaat inhouden.

De anesthesioloog moet uw huid en nagels goed kunnen zien om de doorbloeding van uw lichaam te kunnen beoordelen. Verwijder daarom make-up en nagellak voor de operatie.

Kort voor de ingreep krijgt u meestal premedicatie zodat u rustiger wordt. Omdat u er ook slaperig door kunt worden, moet u op bed blijven liggen. Ga daarom naar het toilet voordat u de premedicatie krijgt.

Als u bijna aan de beurt bent om geopereerd te worden wordt u naar een wachtruimte bij de operatieafdeling gebracht. Daarna  wordt u naar de operatiekamer gebracht. In een aparte ruimte wordt u op de operatietafel gelegd. De anesthesioloog en anesthesiemedewerker maken u dan klaar voor de narcose. U krijgt:

  • stickers op uw borstkas waarmee de (hart-)bewakingsapparatuur is aangesloten
  • de manchet van een bloeddrukmeter om uw arm, die om de paar minuten automatisch uw bloeddruk meet
  • een knijper op uw vinger die het zuurstofgehalte in uw bloed meet
  • een infuus op de rug van uw hand of in uw onderarm
  • slaap- en verdovingsmiddel toegediend door het infuus waardoor u langzaam in slaap valt
  • een zuurstofkap over uw neus en mond.

Als u onder narcose bent, krijgt u een beademingsbuis via uw mond of neus ingebracht. Hier voelt u niets van. Bij grote operaties kan het nodig zijn dat u een maagslang krijgt ingebracht via uw neus. Deze blijft een of meer dagen zitten. Ook kan het nodig zijn uw urine op te vangen. U krijgt dan een blaaskatheter.

Tijdens de operatie krijgt u slaapmiddelen, pijnstillers, spierverslappers en vocht toegediend. Soms ook bloed. Het geven van donorbloed wordt zoveel mogelijk beperkt. Als u principiële bezwaren heeft tegen het toedienen van donorbloed, kunt u dit tijdens het gesprek met de anesthesioloog voor de operatie kenbaar maken.

Na de operatie

Na de operatie wordt de beademingsbuis meestal verwijderd en gaat u naar de uitslaapkamer. U blijft daar totdat u goed wakker bent en de toestand van uw lichaam stabiel is. Dat kan een paar uur tot een dag zijn. U wordt verzorgd door speciaal opgeleide verpleegkundigen. Meestal krijgt u extra zuurstof via een neusslangetje en pijnstillers.

Als uw gezondheidstoestand extra bewaakt moet worden en u extra verzorging nodig heeft, blijft de beademingsbuis na de operatie vaak zitten en gaat u naar de Intensive Care (IC) in plaats van de uitslaapkamer. Hoelang u daar moet blijven, hangt af van de soort operatie, uw conditie en eventuele complicaties. Patiënten op de IC worden zonodig beademd en in slaap gehouden. U wordt verzorgd door speciaal daarvoor opgeleide IC-verpleegkundigen. U hoort voor de operatie van de anesthesioloog of verwacht wordt dat u op de IC komt te liggen.

Pijn

Als de anesthesie en pijnstillers zijn uitgewerkt, kunt u pijn krijgen. Dat hoeft niet verontrustend te zijn. Pijn is een signaalfunctie. Doordat u pijn heeft, beweegt u het geopereerde lichaamsdeel zo min mogelijk. Het krijgt zo rust en kan goed genezen. Als u pijn heeft, kunt u de verpleegkundige een pijnstiller vragen. De anesthesioloog bekijkt ook hoeveel en welke pijnstillers u kunt krijgen. Het is niet altijd mogelijk om de pijn volledig te onderdrukken.

U kunt na de operatie ook last hebben van spierpijn en pijnlijke gewrichten. Dit komt doordat u tijdens de operatie stil heeft moeten liggen in een vaak ongebruikelijke houding. Na enkele dagen gaat deze pijn vanzelf over.

Heeft u last van tintelingen of een doof gevoel in uw vingers, geef dit dan door aan de arts of verpleegkundige. De arts kan dan onderzoeken wat de oorzaak is en u er eventueel voor behandelen.

Misselijkheid

U kunt na de ingreep misselijk zijn. Dit hangt af van de operatie, de anesthesie en uw algehele toestand. Als u aan uw oren, ogen of buik bent geopereerd, heeft u meer kans op misselijkheid. Dit geldt ook als u snel last heeft van wagenziekte of misselijk bent geweest bij een eerdere narcose. Als de misselijkheid lang aanhoudt, kunt u medicijnen krijgen.

Terug op de verpleegafdeling

Als u de uitslaapkamer of IC mag verlaten, gaat u naar de verpleegafdeling. Daar neemt de zaalarts de medische zorg van de anesthesioloog over. De anesthesioloog blijft wel bereikbaar voor het geval er problemen optreden of u vragen heeft die met de narcose te maken hebben.

Bijwerkingen

Door de narcose kunt u last krijgen van bijwerkingen. In het algemeen geldt dat bestaande aandoeningen (tijdelijk) kunnen verergeren. Het duurt een paar dagen voor de anesthesiemiddelen uit uw lichaam zijn verdwenen. Gedurende deze tijd kunt u last hebben van een suf en slaperig gevoel. Ook kunt u keelpijn hebben of hees zijn door irritatie van de beademingsbuis. Dit gaat vanzelf over. U kunt zich terneergeslagen voelen, concentratie- en slaapproblemen hebben, nachtmerries en minder eetlust. Bij ouderen treden deze bijwerkingen vaker op. Heeft u last van bijwerkingen, geef dit dan door aan de verpleegkundige. Deze stelt de anesthesioloog op de hoogte zodat hij u er voor kan behandelen.