• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Dragerschap

Print 

Iedereen is drager van verschillende afwijkingen in de genen die tot ziekte kunnen leiden bij hun kinderen. Dit noemen we dragerschap. Meestal weet iemand niet of hij drager is van een bepaalde aandoening, omdat je daar vaak niets merkt.

Dragerschap en genen

Bij dragerschap spelen genen een belangrijke rol. Genen bevatten de informatie voor alle erfelijke eigenschappen. Ze bepalen bijvoorbeeld de kleur van ons haar en onze ogen. Ook zorgen de genen ervoor dat bepaald eigenschappen overerven. Een kind krijgt 2 kopieën van elk gen, één van de vader en één van de moeder.

Een autosomaal recessief overervende ziekte is een erfelijke ziekte die een kind kan krijgen als beide ouders drager zijn van deze ziekte. Zij hebben dan alle twee een mutatie in één van beide kopieën van het gen. Als de ouders per toeval allebei de kopie van het gen met de mutatie voor dezelfde ziekte aan hun kind doorgeven, dan erft het kind deze ziekte. Daarom kan iemand onverwacht een kind krijgen met een erfelijke ziekte, terwijl deze persoon zelf niet ziek is.

Dragerschap bij beide ouders

Bij toeval kunnen beide ouders drager zijn van hetzelfde recessieve gen. Bij ongeveer 1 op de 150 paren zijn zowel de man als de vrouw de drager van dezelfde ziekte uit de dragerschapstest. Bij paren die familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld neef en nicht, is de kans groter. Dat geldt ook voor paren uit een gebied komen waarin mensen vaker onderling kinderen krijgen.

Kansen

Als beide ouders drager zijn van een autosomaal recessieve ziekte dan is er steeds een kans van 1 op 4 dat het kind de ziekte erft. Het maakt hierbij niet uit of het kind een jongen of een meisje is. Er is dus bij elke zwangerschap:

  • een kans van 1 op 4 op een gezond kind
  • een kans van 2 op 4 op een kind dat drager is van de erfelijke ziekte
  • een kans van 1 op 4 op een kind met de erfelijke ziekte

De kans op het krijgen van een kind met 1 van de ziektes uit de test is ongeveer 1 op 600. Dat is dus 1 op 150 keer 1 op 4. Deze kans is ongeveer even groot als de kans op het krijgen van een kind met het syndroom van Down.

Volg ons op sociale mediaFacebook LinkedIn Twitter Youtube Instagram