Onderzoek naar orgaandonatie en transplantatie

Het UMCG doet veel onderzoek naar orgaandonatie en transplantatie. Wetenschappelijk onderzoek kan helpen de kwaliteit van donororganen te verbeteren en de kwaliteit van leven na een transplantatie te verbeteren. Via het UMCG Transplantatiefonds steun je dit onderzoek.

Hoe kunnen we donororganen nog beter bewaren, verbeteren en opnieuw op gang brengen? Hoe kunnen transplantatiepatiënten zo gezond en zo goed mogelijk verder met hun leven? Dat zijn vragen waar onderzoekers en artsen in het UMCG samen keihard aan werken. Zij zijn ook intensief betrokken bij landelijk en internationaal onderzoek naar de verschillende transplantaties die we doen.

Grants

2024

  • Vasculaire Calcificatie na Niertransplantatie: Een Diepgaande Blik met Calciproteïnedeeltjes

    Patiënten met chronische nierziekte (CKD) hebben een verhoogd risico op hart- en vaatziekten (HVZ) en overlijden. Wanneer patiënten met nierfalen een niertransplantatie ondergaan, blijft een verhoogd risico op hart- en vaatziekten bestaan, zelfs als de nierfunctie weer goed is. Dit komt deels door voortgaande vaatverkalking, een proces dat de bloedvaten stijver maakt en het risico op hartproblemen vergroot. Ons onderzoek richt zich op een nieuwe aanpak om dit risico beter te begrijpen en te verminderen, door te kijken naar kleine deeltjes in het bloed, zogenaamde calciproteïnedeeltjes (CPP’s). We willen begrijpen waarom sommige patiënten vatbaarder zijn voor vaatverkalking dan anderen.

    In plaats van alleen bekende risicofactoren voor HVZ te onderzoeken, kijken we naar de rol van niet-traditionele factoren, waaronder afwijkingen in de mineraalstofwisseling. Deze studie plaatst calciproteïnedeeltjes (CPP’s), clusters van calcium- en fosfaationen en eiwitten, in het middelpunt. Deze CPP’s in het bloed lijken veelbelovend als nieuwe manier om vaatverkalking beter te begrijpen en mogelijk zelfs te voorspellen. Door deze metingen kunnen we de zorg voor patiënten verbeteren en personaliseren.

    Ons onderzoek betreft een specifieke groep patiënten die een niertransplantatie hebben ondergaan. We meten de CPP-niveaus in hun bloed en kijken hoe deze samenhangen met veranderingen in de verkalking in hun kransslagaders. Dit zou weleens de sleutel kunnen zijn tot een betere vaststelling van vaatverkalking.

    Als het meten van CPP nuttig blijkt te zijn, hopen we deze methode in de toekomst in ons eigen ziekenhuis te gaan gebruiken. Samenwerking met experts, zoals prof. dr. E.R. Smith en zijn team, is hierbij cruciaal, omdat zij op dit moment de enigen zijn die deze metingen kunnen uitvoeren.

    Door onze resultaten te delen, willen we niet alleen andere wetenschappers informeren, maar ook bijdragen aan een betere zorg voor niertransplantatiepatiënten. Het delen van kennis is essentieel om samen stappen te zetten in het vertragen van het verouderingsproces van het vaatsysteem en het verminderen van de impact van hart- en vaatziekten bij nierpatiënten.

  • Deceased donor cystatin C, SDMA and penKID as novel biomarkers for the prediction of adequate graft function in kidney transplant recipients

    Door het tekort aan geschikte nier donoren worden steeds oudere en ziekere donoren geaccepteerd. Deze nieren zijn vaak van mindere kwaliteit, waardoor er een groter risico op transplantaat falen is. Tijdens de donorselectie moet een nauwkeurige afweging gemaakt kunnen worden op basis van de beschikbare gegevens over de donor. Het is daarom belangrijk om een betrouwbare voorspelling te kunnen maken over de toekomstige nierfunctie van de ontvanger.

    De criteria die nu gebruikt worden, kunnen dit nog niet goed genoeg. Dit zou verklaard kunnen worden doordat een van de belangrijkste criteria, de geschatte nierfunctie van de donor, beïnvloed wordt door andere factoren, zoals spiermassa. Onze studie onderzoekt of drie nieuwe methodes om de nierfunctie van de donor te bepalen, beter zijn in het voorspellen van de toekomstige nierfunctie van de ontvanger in vergelijking met de oude methode. Deze methodes maken gebruik van drie biomarkers (cystatine C, SDMA en penKID) in het bloed. Het Pagina 7 van 7 onderzoeksgeld wordt gebruikt voor het bepalen van deze drie biomarkers in het bloed van de donor. Daarnaast zal een deel van het geld gebruikt worden om het bloed bij de donor te verzamelen.

    De resultaten van deze studie dragen bij aan het verbeteren van de selectiecriteria van de donor. Hierdoor wordt voorkomen dat goede nieren verloren gaan als gevolg van onbetrouwbare selectiecriteria. Daarnaast kan door een betrouwbare voorspelling, de juiste nier op tijd geselecteerd worden. Dit verhoogt de veiligheid van de transplantatie en voorkomt dat iemand onnodig een transplantatie ondergaat.

  • Metagenomic sequencing (viromics en immunologische transcriptomics) om de oorzaak van acuut lever falen bij kinderen te achterhalen (pALF)

    In het begin van 2020 was er een acute stijging van acuut leverfalen bij kinderen (pALF) met een onduidelijke oorzaak. Deze stijging werd gerapporteerd door de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO).

    Ook in Nederland zagen wij een groep van kinderen die behandeling nodig hadden voor acuut onbegrepen leverfalen. Bij dit acuut leverfalen wordt de lever vanuit de patient zelf heel snel aangetast. Soms herstelt dit spontaan, soms worden kinderen zo ziek dat ze naar de intensive care moeten.

    Aangezien het UMCG het enige levertransplantatie centrum is voor kinderen in Nederland, werden de meeste zieke kinderen hier opgevangen. Uiteindelijk zijn er 5 kinderen behandeld waarvan er 4 een levertransplantatie nodig hadden. Alle kinderen overleefden het leverfalen. Op overgebleven materiaal van deze kinderen werd vernieuwend onderzoek gedaan. Een klein verkennend onderzoek heeft duidelijke verschillen laten zien dat de betrokken afweercellen van kinderen met pALF anders zijn samengesteld dan die kinderen met een andere leveraandoening en zonder leveraandoening. Met deze nieuwe techniek, genaamd metagenomic sequencing willen we nu verder onderzoek doen naar deze groepen van afweercellen en stoffen bij de betrokken kinderen die behandeld zijn in het verleden en in de toekomst. Het doel is te achterhalen welke cellen we kunnen remmen dan wel stimuleren om het herstel van de lever te helpen. Zo zou in de toekomst hopelijk een transplantatie van de lever niet meer in alle gevallen nodig hoeven te zijn.

  • Optimalisatie van het protocol voor normotherme leverperfusie: Het verkennen van alternatieve strategieën

    Mensen met ernstig leverfalen hebben vaak slechts één levensreddende optie: een levertransplantatie. Helaas zijn er niet genoeg levers beschikbaar voor iedereen op de wachtlijst in Nederland. Onderzoekers in het UMCG hebben een innovatieve techniek ontwikkeld om afgekeurde donorlevers te testen. Ze gebruiken een speciale machine die eerst de lever koelt en vervolgens weer opwarmt. Na het opwarmen kan de functie van de lever worden getest. Ongeveer tweederde van deze 'afgekeurde' levers zijn geschikt voor transplantatie na deze test.

    Waarom is dit onderzoek belangrijk?

    Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van deze testmethode, met als doel meer levers geschikt te maken voor transplantatie. Als dit lukt, betekent het dat meer mensen met leverziekten de kans krijgen op een nieuwe lever.

    Hoe verloopt dit onderzoek?

    Het proces van perfusie kent een kritisch moment waarbij vloeistof moet worden gewisseld. Dit onderzoek focust op verschillende manieren om deze noodzakelijke vloeistofwissel overbodig te maken. Het doel is om de gehele perfusie uit te voeren met een basisvloeistof, waarbij alleen specifieke toevoegingen nodig zijn. Het onderzoek bestaat uit twee delen:

    1. Het gebruik van levers van geslachte varkens om de perfusiemethoden te vergelijken.
    2. Het testen van levers van donoren die beschikbaar zijn gesteld voor onderzoek.

    Wat hopen we te bereiken?

    Met aanpassingen in de procedure streven we ernaar het proces te vereenvoudigen, zodat andere levertransplantatiecentra dit protocol gemakkelijker kunnen toepassen. Daarnaast willen we met het nieuwe protocol het moment elimineren waarop de lever tijdelijk geen zuurstof ontvangt tijdens de vloeistofwissel, wat nadelig is voor de lever.

    Impact op de samenleving

    Dit onderzoek kan de techniek lever machine perfusie verder verbeteren. Dat betekent niet alleen een betere kwaliteit van zorg en een toename van succesvolle transplantaties in het UMCG, maar ook het verder kunnen toepassen van dit protocol om in andere centra de levertransplantatiezorg te verbeteren voor een vermindering van de last van leverfalen in de gehele samenleving.

2025

  • A Universal Solution for Renal Ex Vivo Machine Perfusion – Testing Potential Benefits and Safety (UniSoRP)

    Momenteel bestaat er geen universele perfusievloeistof die geschikt is voor het bewaren van nieren van overleden donoren onder verschillende temperatuurcondities. De standaardvloeistof voor koude nierperfusie is niet bruikbaar bij temperaturen boven 20°C. Wanneer de temperatuur stijgt, neemt de stofwisseling in de nier toe en is volgens sommige experts de toevoeging van een zuurstofdrager, zoals rode bloedcellen, noodzakelijk. Daarom wordt bij warme perfusie (37°C) vaak een perfusaat op basis van rode bloedcellen gebruikt. Voor perfusie bij middentemperaturen (tussen 20 en 37°C) zijn verschillende experimentele protocollen en vloeistoffen in gebruik, maar er is nog geen gestandaardiseerde oplossing.

    Dit project richt zich op de ontwikkeling en het testen van een universele perfusievloeistof voor nierbewaring, geschikt voor zowel koude, middentemperatuur als warme perfusie. Deze integrale aanpak is uniek en kan een doorbraak betekenen in orgaanpreservatie. Indien succesvol, maakt dit onderzoek het mogelijk om warmere perfusietechnieken, die het potentieel hebben om de kwaliteit en functionele uitkomst van getransplanteerde nieren te verbeteren, breed inzetbaar en logistiek haalbaar te maken voor transplantatiecentra wereldwijd.

    De innovatie binnen dit onderzoek schuilt in twee baanbrekende aspecten. Ten eerste wordt een nieuw albumine-gebaseerd perfusaat ontwikkeld dat geschikt is voor het volledige temperatuurbereik, van koude tot warme perfusie. Ten tweede wordt onderzocht of perfusie boven 20°C ook zonder zuurstofdragers effectief kan zijn. Als de resultaten positief zijn, kunnen de nadelen van het gebruik van rode bloedcellen in perfusievloeistoffen worden geëlimineerd. Dit zou niet alleen de biologische en logistieke complicaties verminderen, maar ook de gehele procedure van machinepreservatie efficiënter, veiliger en toegankelijker maken.

    Met deze innovatieve benadering kan dit onderzoek de weg vrijmaken voor een nieuwe standaard in nierbewaring, waardoor de overlevingskansen en kwaliteit van leven van transplantatiepatiënten aanzienlijk kunnen verbeteren.

  • Evaluation of the hormonal profile according to sex, age, and type of donor

    Orgaandonatie redt levens, maar de kwaliteit van gedoneerde organen blijft een uitdaging. Hersendood, veroorzaakt door bijvoorbeeld een beroerte, leidt tot ingrijpende lichamelijke veranderingen die organen kunnen beschadigen. Vrouwelijke geslachtshormonen spelen een rol in het reguleren van ontstekingen, maar bij hersendood daalt hun niveau plotseling, wat de orgaankwaliteit kan verminderen.

    Deze studie onderzoekt hormoonspiegels bij drie typen donoren: hersendooddonoren, donoren na circulatiestilstand en levende donoren. Door deze groepen te vergelijken, wordt onderzocht hoe hormonale veranderingen de orgaankwaliteit en transplantatieresultaten beïnvloeden. Met internationale samenwerking, waaronder de QUOD-biobank van Oxford University, worden bloedmonsters geanalyseerd om inzicht te krijgen in de rol van hormonen.
    Een beter begrip hiervan kan leiden tot verbeterde bewaringsmethoden, minder afstoting en een grotere donorpool. Dit vergroot de kans op succesvolle transplantaties en verkort de wachttijden voor patiënten. Door donatieprotocollen aan te passen op basis van hormonale profielen kunnen medische teams transplantatieresultaten optimaliseren en meer levens redden.

  • Zijn extracellulaire blaasjes uit plasma betrokken bij het ontstaan van complicaties na levertransplantatie?

    Voor mensen met een ernstige, levensbedreigende leverziekte is levertransplantatie de enige levensreddende ingreep. Hoewel de resultaten van levertransplantaties in de laatste decennia sterk zijn verbeterd, treden op de langere termijn vaak nog complicaties op zoals het afstoten van de nieuwe lever of hart en vaatziektes als gevolg van het langdurig gebruik van afweerremmende geneesmiddelen. Deze complicaties op langere termijn treden niet bij alle levertransplantatie patiënten op. Het is tot nu toe echter niet mogelijk te voorspellen welke patiënten na transplantatie complicaties zullen krijgen. Het doel van dit onderzoek is om een nieuwe methode te vinden die deze voorspelling wel kan maken. Alle organen in het lichaam zijn opgebouwd uit verschillende soorten cellen en alle cellen in het lichaam communiceren met elkaar. Deze communicatie kan op verschillende manieren. Een bekende manier van communicatie tussen cellen is bijvoorbeeld via hormonen. Een nieuw ontdekte manier van communicatie tussen cellen zijn de zogenaamde extracellulaire blaasjes. Dit zijn minuscule blaasjes die uitgescheiden worden door vrijwel alle cellen in het lichaam en onder anderen terug te vinden zijn in bloed, urine, speeksel etc.

    De inhoud van deze blaasjes is kenmerkend voor het type cel dat de blaasjes afscheidt en ook voor de staat van de cel: gezonde cellen hebben een andere inhoud dan zieke cellen. De inhoud van deze blaasjes vormt op deze manier een soort vingerafdruk voor het type en de staat van de cel. De inhoud van deze blaasjes bestaat uit een grote verscheidenheid aan biologisch actieve stoffen die tezamen dus een soort vingerafdruk vormen. Wij willen in dit onderzoek de ‘vingerafdruk’ bepalen in blaasjes die verkregen zijn uit bloed van levertransplantatie patiënten na levertransplantatie en we willen deze blaasjes testen op verschillende cellen om te kijken of ze schadelijke effecten op deze cellen hebben die de lange termijn complicaties na levertransplantatie kunnen verklaren.

    We maken hierbij gebruik van een bestaande verzameling van Pagina 7 van 7 levertransplantatie patiënten die verzameld is in het UMCG: het zogenaamde LifeLines cohort. Van deze patiënten weten we ook welke op langere termijn hart en vaatziekten hebben gekregen of bij wie de nieuwe lever is afgestoten. De techniek om deze blaasjes uit bloed en urine te halen hebben wij op ons onderzoekslaboratorium (Afdeling Maag Darm en Leverziekten, UMCG) opgezet. Ook de methoden om de inhoud van deze blaasjes te bepalen en te testen op verschillende soorten doelcellen zijn aanwezig en uitgetest. We zullen bloedmonsters van in totaal 20 patiënten gebruiken: 10 die wel en 10 die geen complicaties na levertransplantatie kregen. Het vinden van deze voorspellende vingerafdrukken zal een enorme verbetering zijn voor de behandeling van patiënten na transplantatie en zal het bovendien mogelijk maken om patiënten die te maken krijgen met lange termijn complicaties al in een vroeg stadium op te sporen.

  • Kwantificeren van foetale geneesmiddelblootstelling na maternale inname van calcineurineremmers

    Na transplantatie van o.a. nieren, lever of long krijgen patiënten levenslang medicijnen om afstoting voorkomen. Krachtige medicijnen om afstoting te voorkomen zijn tacrolimus en ciclosporine. Sommige vrouwen worden na transplantatie van een orgaan zwanger en krijgen één van deze medicijnen. Er zijn weinig gegevens over of de medicijnen anders werken tijdens de zwangerschap. Ook is niet bekend hoeveel van de medicijnen door de moederkoek (placenta) naar de baby gaan. Je kan tijdens een zwangerschap geen bloed afnemen van de baby of de moederkoek. Daarom maken we gebruik van een placenta model. Met dat model kunnen we onderzoeken hoeveel van het medicijn in de moederkoek blijft zitten en hoeveel er de baby bereikt. Ons doel is precies te weten te komen hoeveel tacrolimus en ciclosporine over de moederkoek van de moeder naar de baby gaat en terug.

  • Anesthetica in levers van DCD-V donoren: gevolgen voor kwaliteit-bepaling tijdens normotherme machine perfusie

    Een levertransplantatie is een levensreddende operatie, waarbij een zieke lever wordt vervangen door een gedoneerde lever. Donorlevers zijn bijna altijd afkomstig van overleden donoren en kunnen tegenwoordig ook afkomstig zijn van donoren die zijn overleden na euthanasie. Bij euthanasie donoren is er een uitgesproken wens om orgaandonor te zijn na het overlijden.
    Een donorlever wordt bewaard en vervoert in koude bewaarvloeistof. Zeer goede kwaliteit levers worden na aankomst in het ontvanger ziekenhuis gelijk getransplanteerd, maar de meeste donorlevers gaan eerst op machine perfusie. Machine perfusie is een techniek waarbij de lever continu wordt doorspoelt met perfusievloeistof. Hierin zitten voedingsstoffen, zuurstof en stoffen om het orgaan te beschermen. Machine perfusie wordt ingezet om levers langer te kunnen bewaren (tot 24 uur) voor dat deze getransplanteerd worden, om de leverkwaliteit te verbeteren en om donorlevers te testen op kwaliteit als de kwaliteit van tevoren onduidelijk is.
    Donorlevers afkomstig van euthanasie donoren worden sinds 2023 altijd getest op kwaliteit door middel van warme machine perfusie. Dit komt omdat na transplantatie is gebleken dat de kwaliteit van deze levers niet altijd goed genoeg is. Het vermoeden is dat dit komt door het euthanaticum dat wordt gebruikt bij de donor. Aangezien het een laatste wens van een euthanasie donor is om orgaandonor te zijn, en er schaarste is aan goede kwaliteit donorlevers is het jammer dat deze donorlevers afgekeurd worden voor transplantatie.
    Tijdens de machine perfusie van een euthanasie donor lever, hebben we de concentratie van het euthanaticum in de perfusievloeistof bepaald. De concentratie van het euthanaticum was hoger dan de concentratie die schadelijk is in mensen. Deze constatering heeft ons aan het denken gezet. Onze eerste vragen zijn: Met welke concentraties euthanaticum hebben wij de euthanasie donorlevers op de machine perfusie? Veranderd de concentratie in de tijd, en is dit een schadelijke concentratie? Het zou kunnen dat de concentratie van het euthanaticum omlaaggaat tijdens de machine perfusie, met name tijdens de warme perfusie. Tijdens warme perfusie wordt een donor lever weer metabool actief, en zou op deze manier ook het euthanaticum kunnen omzetten en uitscheiden. We hebben ook gezien dat als een euthanasie donor lever langer warm op de machine perfusie staat, deze vaker aan de kwaliteitseisen voldoet, of dit een correlatie heeft met de metabole activiteit, en dus het verlagen van de euthanaticum concentratie, weten we niet.
    In dit onderzoek willen we de euthanaticum concentraties van machine perfusie vloeistof van euthanasie donorlevers bepalen. Dit willen we correleren met de donor parameters, kwaliteitsuitkomsten en transplantatie uitkomsten. Met de verkregen informatie willen we meer inzicht krijgen in de kwaliteit van euthanasie donorlevers, en hoe we deze met behulp van machine perfusie zouden kunnen verbeteren.

    Uiteindelijk zal dit moeten leiden tot een hogere kwaliteit euthanasie donorlevers, en meer goedgekeurde euthanasie donorlevers voor transplantatie. Dit zal voor euthanasie donoren, hun familie meer zekerheid geven over de uitkomsten van de donatie procedure en dit zou uiteindelijk kunnen leiden tot meer lever aanbod waarmee we de ontvangers op de wachtlijst kunnen helpen. De wachtlijst zal hierdoor kleiner worden.

2026

  • Dicky Struik: Genetische immunomodulatie van humane donorlevers via CRISPR–Cas9 tijdens normotherme machineperfusie

    Bij een levertransplantatie moet een patiënt levenslang medicijnen slikken om afstoting te voorkomen. Deze medicijnen maken mensen vatbaarder voor infecties en kanker en verminderen hun kwaliteit van leven. In dit onderzoek willen we een lever zó aanpassen dat het afweersysteem deze niet meer als ’vreemd’ herkent. Dat doen we door de lever buiten het lichaam tijdelijk aan te sluiten op een machine die bloed en zuurstof rondpompt. Terwijl de lever normaal blijft functioneren, passen we met een moderne techniek (CRISPR) een paar genen aan die verantwoordelijk zijn voor afstoting. Als dit lukt, kan de lever na transplantatie mogelijk zonder zware afweeronderdrukkende medicijnen functioneren. Dat zou een enorme stap vooruit zijn voor patiënten met leverziekten en voor de toekomst van transplantatiegeneeskunde.

  • Alise de Groot: Unravelling the influence of puberty on tacrolimus pharmacokinetics in pediatric patients

    Kinderen die een orgaantransplantatie hebben ondergaan, krijgen vaak het medicijn tacrolimus. Dit middel voorkomt dat het lichaam het nieuwe orgaan afstoot. Het is echter moeilijk om precies de juiste dosis te bepalen, vooral bij kinderen. Te weinig medicatie kan tot afstoting leiden, terwijl te veel medicatie schadelijke bijwerkingen kan geven.

    We weten dat jongens en meisjes naarmate ze ouder worden anders reageren op medicijnen, onder invloed van hun veranderende hormonen tijdens de puberteit. Maar voor tacrolimus bij kinderen is dit nog nooit goed onderzocht. Daardoor krijgen alle kinderen nu nog vrijwel dezelfde dosering, ongeacht hun geslacht of puberteitsfase.

    In dit onderzoek gaan we bekijken of jongens en meisjes tacrolimus anders verwerken, en vanaf welke leeftijd die verschillen ontstaan. We meten tacrolimus in het bloed en kijken tegelijkertijd naar hormonen zoals oestrogeen en progesteron. Op die manier kunnen we precies zien of puberteit invloed heeft op het medicijn. Ook wordt voor het eerst tacrolimus gelijktijdig gemeten in volbloed én plasma om de invloed van bloedwaardeverschillen (zoals hematocriet) beter te begrijpen.

    In totaal doen ongeveer 80 kinderen mee die tacrolimus gebruiken. Door hun bloedwaarden over langere tijd te volgen, hopen we te ontdekken of er jongen/meisje-verschillen zijn in hoe het medicijn wordt opgenomen, afgebroken en gebruikt door het lichaam.
    Met de resultaten kunnen artsen in de toekomst persoonlijkere en veiliger doseringen geven aan kinderen die een transplantatie hebben ondergaan. Dit verhoogt de kans op een goed werkend donororgaan en vermindert de kans op bijwerkingen. De inzichten uit dit onderzoek kunnen mogelijk ook gebruikt worden voor andere medicijnen.

  • Gesa Tiller: Kunnen wij antilichaam-gemedieerde afstoting bij niertransplantaten beter voorspellen en begrijpen? - Ontwikkeling van een kruisproef-assay met innovatieve nier-endotheelcellen en natural killer cellen

    Een van de grootste uitdagingen bij niertransplantaties is dat het nieuwe orgaan door het afweersysteem kan worden afgestoten. Als dit acuut gebeurt is er vaak sprake van antilichamen die zich richten tegen de bloedvaten van de getransplanteerde nier. Dit proces staat bekend als antilichaam-gemedieerde afstoting (ABMR, Antibody-Mediated Rejection). Een belangrijk onderdeel van het afweersysteem dat hierbij een rol speelt, is het complementsysteem, dat de schadelijke werking van deze antilichamen kan versterken. Vooral HLA-antilichamen (Human Leukocyte Antigen) zijn berucht omdat zij de donornier als lichaamsvreemd herkennen en zo afstoting kunnen veroorzaken.
    Om het risico op afstoting te voorspellen, worden bij patiënten met een verhoogd risico vóór de transplantatie zogenaamde kruisproeven uitgevoerd. Deze testen zijn ontwikkeld in de jaren 60 en vinden plaats in het transplantatie-immunologisch laboratorium, waar de situatie van donor en ontvanger wordt nagebootst. Daarbij worden witte bloedcellen die kenmerken van de donor dragen samengebracht met bloed (serum) van de ontvanger, dat antilichamen kan bevatten, en een bron van complement. Zo wordt in het laboratorium geprobeerd te voorspellen hoe het afweersysteem van de ontvanger zal reageren op het donororgaan, om een weloverwogen beslissing over transplantatie te kunnen nemen.;

    Deze risico-inschatting is echter niet perfect. Soms laten de kruisproeven geen afstotingsreactie zien, terwijl de patiënt na de transplantatie alsnog ABMR ontwikkelt. Hiervoor zijn verschillende mogelijke verklaringen. Ten eerste worden in de huidige testen meestal witte bloedcellen gebruikt, terwijl afstoting zich in werkelijkheid vooral afspeelt in de bloedvatcellen van de nier. Ten tweede richten de klassieke testen zich alleen op reacties waarbij het complementsysteem betrokken is, terwijl inmiddels bekend is dat ook andere onderdelen van het afweersysteem een rol spelen. Zo kunnen zogenoemde natural killer (NK)-cellen antilichamen herkennen die aan nierbloedvatcellen gebonden zijn en daardoor deze cellen beschadigen of doden (Figuur 1A)

    Ons onderzoek maakt gebruik van nieuw ontwikkelde, speciaal gekweekte nierbloedvatcellen (iMPRECs) als doelwitcellen. Deze cellen bootsen de situatie in de nier waarschijnlijk beter na dan de witte bloedcellen die traditioneel worden gebruikt. Door deze nierbloedvatcellen samen met antilichamen uit het bloed van de patiënt en met NK-cellen te testen, richten wij ons op complement-onafhankelijke mechanismen van ABMR die tot nu toe niet werden meegenomen in klassieke kruisproven. In onze eerste pilotexperimenten hebben we deze testmethode succesvol kunnen optimaliseren (Figuur 1B). In de toekomst zou deze in test een waardevolle aanvulling kunnen vormen op de bestaande kruisproeven. Nu passen we dit toe voor de nier, maar het zou ook voor andere organen gebruikt kunnen gaan worden. Na een succesvolle optimalisatie van deze techniek passen wij de test nu voor het eerst toe op bloed van niertransplantatiepatiënten met verschillende soorten antilichamen. In dit onderzoek willen wij 22 niertransplantatiepatiënten met specifieke HLA-antilichamen gaan onderzoeken.

  • Rosa Lammerts: From agglutination to endothelial injury in organ transplantation: antibody titers, isotypes, and complement activation against blood group antigens

    Na een orgaantransplantatie kan het afweersysteem van de ontvanger het getransplanteerde orgaan aanvallen. Een belangrijke oorzaak van falen van transplantaten is antibody-mediated rejection (ABMR). Hierbij richten antistoffen zich tegen het transplantaat en veroorzaken schade aan de binnenbekleding van de bloedvaten, de endotheelcellen. Deze schade kan leiden tot functieverlies van het orgaan en uiteindelijk tot transplantaat falen.

    De testen die vooraf het risico op afstoting moeten voorspellen, worden uitgevoerd met rode of witte bloedcellen, terwijl juist endotheelcellen in het orgaan het primaire doelwit zijn van deze afweerreactie. De huidige diagnostiek is onvoldoende in staat te voorspellen wat er na transplantatie in het lichaam gebeurt en of er afstoting kan optreden.

    Dit probleem wordt duidelijk zichtbaar bij orgaantransplantaties waarbij donor en ontvanger niet compatibel (compatibel = niet gelijk, maar wel passend) zijn voor de bloedgroep (ABO-incompatibel) of voor weefselkenmerken (HLA-incompatibel). Bij ABO-incompatibele niertransplantaties wordt vaak activatie van het complementsysteem in de getransplanteerde nier gezien, zonder dat dit leidt tot orgaanschade. De nier lijkt zich aan te passen en ongevoelig te worden voor antistofschade, dit wordt ook wel ‘accommodatie’ wordt genoemd. Bij HLA-incompatibele orgaantransplantaties daarentegen is complementactivatie juist sterk geassocieerd met ernstige afstoting en slechtere transplantaatuitkomsten. De reden voor dit verschil is nog niet bekend.

    Een belangrijke verklaring kan liggen in verschillen in antigeenexpressie en antistofeigenschappen op endotheelcellen van het orgaan. Bloedgroepantigenen zijn suikermoleculen met een wisselende verdeling op endotheelcellen, terwijl HLA-antigenen eiwitten zijn die vaak sterk tot expressie komen. Ook verschillen de antistoffen: bloedgroepantistoffen zijn vaak natuurlijk aanwezig en bestaan uit meerdere klassen, terwijl HLA-antistoffen doorgaans specifieker en sterker zijn. Daarnaast beschikken endotheelcellen in het orgaan over beschermende mechanismen die activatie van het complementsysteem remmen.

    In dit project onderzoeken we hoe antistoffen tegen bloedgroep- en HLA-antigenen zich gedragen op endotheelcellen van de organen en wanneer dit leidt tot schade. We vergelijken antistofhoeveelheden, antistofklassen en antigeenexpressie op rode bloedcellen en endotheelcellen. Hiervoor gebruiken we bloedmonsters van patiënten en endotheelcellen afkomstig van donororganen. Met al bestaande en ook geavanceerde laboratoriumtechnieken meten we antistofbinding, activatie van het complementsysteem en endotheel beschadiging.

    De kennis uit dit onderzoek kan leiden tot betere, endotheel-gebaseerde diagnostische testen die nauwkeuriger voorspellen of een orgaantransplantatie veilig zou kunnen worden uitgevoerd. Dit kan niet alleen ABO-incompatibele niertransplantaties veiliger maken, maar ook de weg vrijmaken voor een toepassing bij andere organen zoals hart, longen, lever en pancreas. Hierdoor kan het aantal geschikte donororganen toenemen, kunnen wachttijden worden verkort en krijgen meer patiënten toegang tot levensreddende transplantaties.

  • Anna Posthumus: Galzoutprofiel voor en na levertransplantatie als risicofactor voor cardiovasculaire ziekten

    Voor en na een levertransplantatie, en als gevolg van de onderliggende leverziekte, is bekend dat de darmflora verandert. Deze verandering kan bijdragen aan een verhoogd risico op overlijden, waardoor de samenstelling van de darmflora mogelijk belangrijk is voor het voorspellen van uitkomsten bij transplantatieontvangers. Aangezien de darmflora betrokken is bij de omzetting van primaire galzouten naar secundaire galzouten, kan een verandering in de darmflora leiden tot een verandering in het galzoutprofiel. Omgekeerd kunnen galzouten ook invloed uitoefenen op de darmflora door middel van verschillende processen. Daarnaast kunnen onderliggende leverziekten die leiden tot cholestase, zoals galwegziekten en een verminderde leverfunctie, ook resulteren in een verandering van het galzoutprofiel, wat op zijn beurt de darmflora kan beïnvloeden. De darmflora en het galzoutprofiel zijn dus nauw met elkaar verbonden.

    Een verandering in het galzoutprofiel na een levertransplantatie kan daarom, net als de darmflora, belangrijk zijn om de uitkomsten voor transplantatieontvangers te voorspellen. Er is echter nog weinig bekend over het verband tussen galzoutprofielen voor en na een levertransplantatie. Daarnaast wordt vermoed dat galzouten kunnen bijdragen aan het risico op hart- en vaatziekten, een van de belangrijkste oorzaken van overlijden na transplantatie. Galzouten kunnen onder andere een direct effect hebben op het hart- en vaatweefsel door activering van verschillende receptoren in het lichaam.

    Het is daarom belangrijk om eerst in kaart te brengen hoe galzoutprofielen veranderen na een levertransplantatie en hoe deze verschillen van de algemene populatie. Als we weten welke veranderingen optreden, kunnen we in vervolgonderzoek onderzoeken of deze galzoutprofielen samenhangen met de darmflora, het risico op overlijden en het risico op hart- en vaatziekten. Dit kan uiteindelijk leiden tot het identificeren van markers die we mogelijk kunnen beïnvloeden, met als doel de uitkomsten na transplantatie te verbeteren.

  • Sanne Wind: Understanding allograft outcomes in kidney transplantation: the role of one-carbon metabolites in shaping monocyte phenotype & function

    Niertransplantatie kan levens redden, maar een groot deel van de getransplanteerde nieren werkt na verloop van tijd niet meer. Ongeveer de helft van de getransplanteerde nieren functioneert niet meer na tien jaar, waardoor patiënten opnieuw een niertransplantatie nodig hebben of terug moeten naar dialyse. Dit beïnvloedt de kwaliteit van leven sterk en brengt hoge zorgkosten met zich mee. Een van de oorzaken van het verlies van een getransplanteerde nier is afstoting door het immuunsysteem.

    Ons immuunsysteem speelt een cruciale rol bij het accepteren of afstoten van een getransplanteerd orgaan. Monocyten, een type witte bloedcel, kunnen het immuunsysteem activeren en afstoting van de nier bevorderen. Normaal gesproken hebben monocyten een lage bijdrage bij het afstoten van een orgaan. Toch kan vooral een eiwit op het oppervlak van monocyten, CD40, een signaal geven dat het aangeleerde immuunsysteem activeert en zo afstoting van de nier stimuleert. Verstoringen in de stofwisseling van bepaalde voedingsstoffen, zoals homocysteine, kan leiden tot een meer CD40 en daarmee tot een verhoogd risico op afstoting. Specifiek bij patiënten met nierproblemen kan deze voedingsstof verhoogd zijn, door de beperkte opruiming van de nieren, wat weer kan leiden tot meer CD40 op monocyten.

    In ons onderzoek volgen we niertransplantatiepatiënten op meerdere momenten: vóór de transplantatie, drie maanden na de transplantatie, één jaar na de transplantatie en bij eventuele afstoting. Uit bloedmonsters worden immuun cellen geïsoleerd en uitgebreid geanalyseerd met een geavanceerde techniek genaamd spectrale flow cytometrie. Hiermee kunnen we tientallen kenmerken van individuele immuun cellen tegelijk meten en zo vergelijken welke cellen betrokken zijn bij succesvolle of mislukte transplantaties.

    Het doel van ons onderzoek is om te begrijpen welke kenmerken van monocyten bijdragen aan afstoting en welke factoren dit veroorzaken. Door deze kennis kunnen we nieuwe manieren ontwikkelen om afstoting te voorspellen én te voorkomen, bijvoorbeeld door gepersonaliseerde medicatie of voedingsaanpassingen. Uiteindelijk kan dit helpen de levensduur van getransplanteerde nieren te verlengen, de kwaliteit van leven van patiënten te verbeteren en de kosten van langdurige zorg te verlagen. Bovendien kan de kennis die we opdoen over monocyten en immuun regulatie niet alleen bij niertransplantatie worden toegepast, maar ook bij andere orgaantransplantaties en ziekten waarbij het immuunsysteem een rol speelt.

  • Liu Xiao: Construction of the First Human Liver Perfusion Extracellular Vesicle (EV) Proteomic Atlas to Identify Potential Therapeutic Strategies for Repair of Injured Donor Livers

    Leverziekten vormen een grote bedreiging voor de wereldwijde gezondheid en veroorzaken jaarlijks meer dan twee miljoen sterfgevallen. Levertransplantatie is de enige therapeutische optie bij eindstadium leverziekte. Het aantal beschikbare organen kan helaas niet voldoen aan de groeiende vraag van patiënten op de wachtlijst voor een levertransplantatie. Desondanks worden er nog steeds veel donorlevers afgekeurd vanwege slechte kwaliteit. Vervette levers vormen een aanzienlijk deel van deze afgekeurde levers. Nieuwe therapieën zijn dringend nodig om de conditie van donororganen te verbeteren en het aantal geschikte levers voor transplantatie te vergroten.

    Maar voordat dit uiteindelijke doel bereikt kan worden, moeten we eerst beter inzicht krijgen in de verschillen tussen gezonde levers en vervette levers. Normotherme machineperfusie (NMP) maakt het mogelijk om levers buiten het lichaam tot wel een week te bewaren door continu een speciaal ontworpen vloeistof door het orgaan te pompen op de lichaamstemperatuur (37ºC). NMP van donorlevers biedt daarmee een uitstekend platform voor wetenschappelijk onderzoek. Extracellulaire blaasjes (EV’s) zijn kleine, belvormige deeltjes die door verschillende celtypen worden geproduceerd en die de conditie van zowel de cellen als van de lever kunnen weerspiegelen. In deze studie willen we EV's isoleren uit perfusievloeistof afgenomen tijdens NMP van zowel gezonde als vervette levers, de eiwitsamenstelling ervan vergelijken en hiermee proberen om nieuwe aangrijpingspunten te vinden om de beschadigde, vervette donorlevers te kunnen herstellen.

  • Shalina Katerberg-Duursma: Visuele ondersteuning voor levende nierdonoren: ontwikkeling en implementatie van een praatplaat

    In 1968 was de eerste transplantatie die in het UMCG werd uitgevoerd een niertransplantatie.
    Sindsdien zijn er ruim 5000 nierpatiënten in het UMCG getransplanteerd.

    Bij de start van het levende donor-niertransplantatieprogramma in de jaren ’90 was het de schaarste aan donororganen die ons dreef, maar tegenwoordig zijn het vooral de betere resultaten die een transplantatie met een nier van een levende donor geeft.
    Daarnaast hebben patiënten die met een levende donor worden getransplanteerd een korte wachttijd voor transplantatie, hoeven vooraf niet te dialyseren en is het planbaar. Hierdoor zijn zij beter in conditie voor de transplantatie, waardoor de uitgangssituatie na transplantatie ook beter is.

    In principe kan iedereen in goede gezondheid een nier doneren. Het doneren van een nier is echter een ingrijpend besluit. Daarom moeten levende nierdonoren aan wettelijke criteria voldoen. Het donatietraject is zorgvuldig ingericht en volledig vrijwillig.
    Verder heeft het traject een sterke focus op goede informatievoorziening, veiligheid van en nazorg voor de levende nierdonor.

    De consulenten nierdonatie bij leven zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van zowel algemene informatie die relevant is voor alle donoren als specifieke informatie die is toegespitst op de individuele situatie van de potentiële donor. Deze informatie betreft onder andere het beoordelingsproces en de mogelijke risico’s van nierdonatie op korte en/of lange termijn.
    In de huidige praktijk wordt deze informatie grotendeels mondeling overgebracht tijdens verschillende contactmomenten.

    Om toe te werken naar een toekomstbestendige werkwijze en levende nierdonoren beter te ondersteunen bij het maken van een weloverwogen keuze, willen de consulenten nierdonatie bij leven een praatplaat ontwikkelen als voorlichtingshulpmiddel. Dit hulpmiddel ondersteunt de dialoog, visualiseert informatie en draagt bij aan een beter begrip en betere beklijving van de informatie voor potentiële levende nierdonoren.

Contact

Je kunt ons bellen van maandag tot en met vrijdag tussen 8.30 en 16.30 uur. Je kunt ons ook een e-mail sturen.