Hierdoor komt meer van het medicijn A bij het ongeboren kind terecht. Dit noemen we een interactie tussen medicijnen en een placenta transport eiwit. Als medicijn A ervoor zorgt dat het kind een hogere kans heeft op een aangeboren afwijking, is het dus ongunstig als een moeder medicijn A en B tegelijk gebruikt.
In een eerder onderzoek hebben we al aangetoond dat remming van één bepaald transport eiwit (genaamd P-glycoproteïne, die stoffen juist van het ongeboren kind naar de moeder transporteert) leidt tot een hoger risico op aangeboren afwijkingen bij het kind.
Deze keer hebben we gekeken naar andere transport eiwitten en het effect van verschillende medicijnen op de kans dat het ongeboren kind een aangeboren afwijking krijgt. Hiervoor hebben we data gebruikt van EUROCAT Noord Nederland en apotheekgegevens. In totaal hebben we gekeken naar 58 verschillende medicijnen en 10 verschillende placenta transport eiwitten.
Hierbij vonden we geen combinatie die de kans op aangeboren afwijkingen bij het kind vergrootte. Het aantal vrouwen dat meerdere medicijnen gebruikte was niet erg groot. Het kan dus zijn dat er wel een effect is, maar dat we dit niet konden vinden in dit onderzoek.
Auteurs
Daud ANA, Bergman JEH, Oktora MP, Kerstjens-Frederikse WS, Groen H, Bos JH, Hak E, Wilffert B.
Maternal use of drug substrates of placental transporters and the effect of transport-mediated drug interactions on the risk of congenital anomalies
PLoS ONE.2017; 12(3): e0173530
Q1 MULTIDISCIPLINARY SCIENCES
Lees het volledige artikel.