| |
Doel: Bevestiging van hypoglycemie door overmaat aan exogeen insuline. Evaluatie van de pancreas restfunctie.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (identificatie, leeftijd geslacht, etc.).
Beschrijving methodes: C-peptide wordt bepaald met behulp van verschillende typen immunoassays. Hierbij bindt het C-peptide uit het monster aan monoklonale antistoffen. Deze antistoffen kunnen zijn voorzien van een merker (chemoluminescent molecuul, enzym, etc), maar ook kan gebruik worden gemaakt van gelabeld C-peptide. De hoeveelheid van de gemeten merker is een maat voor de hoeveelheid C-peptide in het monster. Het resultaat wordt afgelezen tegen dat van een kalibrator. Doordat verschillende laboratoria gebruik maken van verschillende methodes en reagentia kunnen referentiewaarden per laboratorium verschillen.1 Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt De patiënt moet nuchter zijn tijdens de bloedafname. Materiaalafname/Fixatie C-peptide wordt bepaald in serum. Afname van bloed middels venapunctie, daarna scheiding van serum of plasma middels centrifugeren en direct invriezen wanneer analyse niet mogelijk is binnen een paar uur. Voorkom hierbij herhaald ontdooien. Bewaarcondities: 5°C: 3 uur; -20°C: 2 maanden. De stabiliteit van het materiaal is overigens afhankelijk van de gebruikte methode.1,2 Stoorfactoren Pro-insuline kan de bepaling storen. C-peptide stijgt post-prandiaal.
Mogelijke toepassingen:
- Diagnostiek van onverklaarde hypoglycemie door een overmaat aan exogeen of endogeen insuline. Hiertoe dient bij voorkeur tijdens een symptomatische hypoglykemie of tijdens een vastenproef glucose, insuline en C-peptide te worden bepaald.
- Bepaling van de restfunctie van de β-cellen in de pancreas, eventueel in combinatie met een glucagon-stimulatietest. Dit kan van belang zijn na pancreasresectie of bij insuline behandelde diabetes mellitus patiënten.
- In de geriatrie kan de bepaling van C-peptide in urine worden gebruikt om onderscheid te maken tussen diabetes mellitus type 1 en diabetes mellitus type 2, eventueel in combinatie met een glucagon-stimulatietest.
Interpretatie: C-peptide, een polypeptide bestaande uit 31 aminozuren (molecuulgewicht 3025 D), heeft geen duidelijke fysiologische betekenis. Het wordt in de pancreas gevormd uit pro-insuline onder invloed van glucagon. Glucagon stimuleert aldus een snelle insulinesecretie met gelijktijdig equimoleculaire C-peptide-afsplitsing en secretie in de circulatie. C-peptide, dat door de nier wordt geklaard, is dan ook een maat voor de endogene insulineproductie. De halfwaardetijd van C-peptide in plasma is 15 minuten, drie-à viermaal langer dan insuline. Dit betekent dat bij gezonde mensen de ratio Insuline (mmol/l): C-peptide (mmol/l), ook wel Insuline-C-Peptide Ratio (ICPR) genoemd, kleiner is dan 1. Indien de insuline en C-peptide worden bepaald in bloed dat is afgenomen tijdens een hypoglycemische episode, maakt de ratio differentiatie tussen verschillende oorzaken mogelijk. Bij patiënten met een endogene overproductie van insuline door een insulinoom of na een periode van vasten zal gelden dat ICPR < 1. Bij hypoglycemie als gevolg van een overmaat exogeen insuline is de ICPR > 1. De basale C-peptide waarden bij diabetes mellitus type I zijn zeer laag tot onmeetbaar, bij diabetes mellitus type II 0,4-0,6 nmol/l. C-peptide in urine is een maat voor de insulineproductie gedurende de dag en wordt in de geriatrie gebruikt als instrument om diabetes type II vast te stellen.
Valkuilen: Verhoogde waarden komen voor bij patiënten met nierinsufficiëntie, bijvoorbeeld bij dialyse patiënten.
Vergelijking andere methodes: Door de langere halfwaardetijd is de meting van C-peptide, met name na stimulatie met bv. glucagon, beter geschikt voor het bepalen van de β-cel restactiviteit dan insuline.3
Referentiewaarden: nuchter: 0,26-0,62 nmol/l (afhankelijk van methode) glucagon gestimuleerd: 0,90-1,85 nmol/l of een stijging van minimaal 0,6 nmol/l
Tarief (excl. ordertarief): �?� 8,31
Literatuur: Referenties
- Clark PM. Assays for insuline, proinsuline and C-peptide. Ann Clin Biochem 1999; 36: 541-64
.
- Gjessing HJ, Matzen LE, Faber OK, et al. Fasting plasma C-peptide, glucagon stimulated plasma C-peptide and urinary C-peptide in relation to clinical type of diabetes. Diabetologia 1989; 32: 305-11
.
- Smith S, Tolliday U, et al. Stability of samples for insuline, proinsulin and C-peptide. J Endocrinol 1996; 151 (suppl): P20
.
Achtergrondinformatie
- Aro A. Role of plasma C-peptide determinations in the management of type II diabetes. Acta Endocrinol Suppl Copenh 1985; 272: 79-82
.
- Ruiztomes A, Vincent D. Increase in insulin secretion with age: Its clinical importance in evaluating abnormal secretions focused on diabetes type II and obesity. Arch Gerontol Geriatr 1996; 22: 39-47
.
- Service FJ. Etiology and diagnosis of factitial hypoglycemia. UpToDate 1999; 9: 1
.
|
|