| |
Doel: Bij verdenking op prostaatcarcinoom, in combinatie met rectaal onderzoek (DRE), vaststellen bij welke patiënten prostaatbiopsie geïndiceerd is. Follow-up van patiënten met prostaatcarcinoom, ter tijdige vaststelling van metastasen.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: PSA wordt bepaald met behulp van sandwich immunoassays. Hierbij bindt het PSA uit het monster aan monoklonale antilichamen waarvan er een veelal geimmobiliseerd is c.q. wordt. Vervolgens bindt een tweede antilichaam, voorzien van een of andere merker (chemoluminescentie, enzym, etc) aan dit complex. De hoeveelheid gebonden label is een maat voor de hoeveelheid PSA in het monster. Het resultaat wordt afgelezen tegen dat van een kalibrator. Over aard en samenstelling daarvan bestaan helaas nog geen internationale afspraken. Daardoor kunnen referentiewaarden per methode en per laboratorium verschillen. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Indien bepaling dezelfde dag plaatsvindt bewaren bij kamertemparatuur. Vindt bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Wanneer ook Vrij PSA dient te worden bepaald dient het materiaal te worden ingevroren (-20°C) indien bepaling niet dezelfde dag plaats vindt. Verzending van materiaal naar een extern laboratorium ook ingevroren.
Mogelijke toepassingen: De toepassing van de PSA bepaling liggen in de detectie, en follow-up van prostaatcarcinoom.
Interpretatie: Prostaatspecifiek antigeen (PSA) is een glycoproteïne met een molmassa van circa 33.000 D. Het bestaat uit 237 aminozuren en behoort tot de kallikreïne familie van proteases. PSA heeft een chymotrypsine activiteit. De biologische functie van PSA is in de vervloeiïng van het semencoagulum, waarbij het aangrijpt op het meest voorkomende eiwit uit de zaadblaasjes (seminogeline). PSA komt met name voor in epitheelcellen van de prostaatductus en in zeer hoge concentraties in de zaadvloeistof. Recent is gebleken dat ook andere weefsels, waaronder de schildklier, de speekselklieren, en de melkklieren PSA tot expressie kunnen brengen.1 In het bloed komt PSA voor in minstens drie vormen. Ruwweg 50% van het totale PSA in de circulatie is naar schatting gebonden aan α2-macroglobuline en deze vorm is met de huidige immunoassays niet detecteerbaar. Van het wel detecteerbare PSA is circa 15% vrij en de rest gebonden aan α1-antichymotrypsine (ACT). De som van de concentraties van vrij PSA en PSA-ACT complex wordt totaal PSA genoemd. De vrij/totaal ratio (V/T PSA) is de verhouding van vrij PSA/{vrij PSA + PSA-ACT complex}. Sterke PSA-verhogingen komen feitelijk alleen voor bij carcinomen van de prostaat. Bij relatief geringe verhogingen, tot circa 20 µg/l is het onderscheid tussen benigne en maligne prostaattumoren niet goed te maken. Aangezien patiënten met BPH gemiddeld een hogere vrij/totaal ratio hebben, wordt thans intensief gezocht of bepaling van deze ratio bij het maken van onderscheid tussen BPH en prostaatcarcinoom van nut kan zijn. Hoe lager de V/T ratio, hoe hoger de kans dat een maligniteit aanwezig is. Ook seriële metingen (PSA velocity) kunnen nuttig zijn bij het stellen van de diagnose. Een stijging van meer dan 0,75 µg/l wordt algemeen gezien als een aanwijzing voor de aanwezigheid van een carcinoom. Bepaling van het PSA gehalte in relatie tot de grootte van de prostaat bepaald met TRUS (PSA density) wordt door sommigen gepropageerd omdat de bijdrage van een gram BPH weefsel aan de serumconcentratie van PSA gemiddeld 10x zo laag is als die van een gram carcinoomweefsel. Gezien de enorme spreiding in het verband tussen PSA en prostaatvolume is deze methode niet overal even populair. PSA kan de aanwezigheid van tumoren detecteren welke met rectaal onderzoek gemist worden. Anderzijds worden bij het rectaal onderzoek tumoren gevonden die geen aanleiding geven tot een stijging van het serum PSA. Daarom dienen PSA bepaling en DRE gezamenlijk te worden toegepast. Aspecifieke PSA verhoging, soms tot zeer hoge waarden, komt voor bij acute prostatitis, welke bij succesvolle behandeling daarvan weer verdwijnt. Het effect van therapie van prostaatcarcinoom kan met bepaling van PSA uitstekend gevolgd worden. Bij een succesvolle radicale prostatectomie zal de PSA spiegel dalen tot onder de detectiegrens van de meeste bepalingsmethodes (< 0,1 µg/l). De halfwaardetijd in het bloed is circa 2-3 dagen, zodat het effect van behandeling snel duidelijk kan worden. Bij behandeling met radiotherapie duurt normalisatie van de PSA spiegel langer en worden minder lage waarden bereikt and met radicale chirurgie omdat nog prostaatweefsel achterblijft. Sensitiviteit/Specificiteit Bij PSA waarden beneden de 2 µg/l is de kans op een prostaatcarcinoom circa 1%. Bij toenemende PSA concentratie neemt de kans op aanwezigheid van een carcinoom toe, van 15% bij PSA waarden tussen 2 en 4 µg/l via 25% bij 4 < PSA,10 tot > 50% bij een PSA spiegel boven de 10 µg/l.2 In de groep mannen waarbij PSA tussen 4 en 10 µg/l ligt is de sensitiviteit te verhogen als ook de ratio Vrij/Totaal PSA wordt bepaald. In deze groep is de kans op een carcinoom bij een V/T PSA > 0,25 slechts 8%, terwijl deze kans oploopt via 16% bij een V/T ratio van 0,20-0,25; via 20% bij een ratio 0,15-0,20 en 28% bij 0,10-0,15 tot 56% bij een V/T ratio beneden de 0,1.2 Ook in de andere PSA bereiken is met bepaling van de V/T ratio een verhoging van de specificiteit te bereiken. In het algemeen geldt dus dat de kans op aanwezigheid van een prostaatcarcinoom toeneemt bij stijgende totaal PSA en dalende Vrij/Totaal ratio.
Valkuilen: Bij patiënten met prostatitis is de PSA spiegel soms verhoogd. Over de effecten van prostatitis op de V/T ratio wordt nog literatuuronderzoek gedaan. Sommige patiënten maken een moleculair afwijkend PSA dat in sommige bepalingen niet wordt gedetecteerd.
Vergelijking andere methodes: PSA bepaling alleen is voor het stellen van de diagnose prostaatcarcinoom niet voldoende. De bepaling dient met rectaal onderzoek gecombineerd te worden, en eventueel met echografie. Bij nieuw-gediagnosticeerde patiënten wordt een PSA waarde beneden 10 μg/l bewijzend geacht voor de afwezigheid van botmetastasen.
Referentiewaarden: De PSA concentratie in he bloed stijgt met de leeftijd, waardoor leeftijdsafhankelijke referentiewaarden dienen te worden gehanteerd. Deze zijn bij gebruik van de meest gebruikelijke standaardisering: tot 40 jaar < 2,0 µg/l; van 40-50 jaar: < 2,5 µg/l; van 50-60 jaar: < 3,5 µg/l; van 60-70 jaar: < 4,5 µg/l en van 70-80 jaar: < 6,5 µg/l, waarbij men zich moet realiseren met een continue verloop te maken te hebben. Wanneer ook het vrije PSA in de beschouwing wordt betrokken lijkt de leeftijdsafhankelijkheid een geringere rol te spelen.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 8,31
Literatuur: Referenties
- Magklara A, Cheung CC, Asa SL, et al. Expression of prostate-specific antigen and human glandular klallikrein 2 in the thyroid gland. Clin Chim Acta 2000; 300: 171-80
.
- Catalona WJ, Slawin KM, Partin AW, et al. Use of the percent free prostate-specific antigen to enhance differentiation of prostate cancer from benign prostatic disease: a prospective multicenter clinical trial. JAMA 1998; 279: 1542-7
.
- Crawford ED, Schutz MJ, Clejan S, et al. The effect of digital rectal examination on prostate-specific antigen levels. JAMA 1992; 267: 2227-8
.
Achtergrondinformatie
- Polascik TJ, Oesterling JE, Partin AW. Prostate specific antigen: a decade of discovery - what we have learned and where we are going. J Urol 1999; 162: 293-306
.
- Wijmenga LFA, Mensink HJA. Prostaatspecifiek antigeen als tumormerkstof voor prostaatcarcinoom. Ned Tijdschr Geneesk 1999; 143: 1733-8 + 2080 (verbeterde tabel)
.
|
|