| |
Doel: Het bepalen van de concentratie van leukocyten in bloed.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Leukocyten worden gemeten met automatische celtelapparatuur; het meetprincipe is impedantie (weerstandsmeting), optisch (lichtverstrooiing), cytochemie of een combinatie van deze technieken. Meestal wordt gelijktijdig een differentiële telling van de leukocytensoorten uitgevoerd. Telling in een telkamer is beslist obsoleet. Moderne celtellers zijn uitstekend geschikt om ook bij leukocytopenie de leukocyten met grote precisie en nauwkeurigheid te tellen en zelfs een betrouwbare differentiële telling uit te voeren.1 Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed in een buis met EDTA als anticoagulans. Stoorfactoren Veel celtellers maken geen onderscheid maken tussen kernhoudende rode bloedcellen (normoblasten) en leukocyten; in zulke gevallen worden te hoge leukocyten gemeten. Bij afwijkingen aan erytrocyten, waardoor deze onvolledig gelyseerd worden, valt de leukocytentelling eveneens te hoog uit.
Mogelijke toepassingen:
- algemeen hematologisch onderzoek
- diagnostiek en controle van infecties en ontstekingen
- verdenking op en controle van bloedziekten
- controle van cytostatica en radiotherapie
- verdenking op tumormetastasen in beenmerg
Interpretatie: Leukocyten ontstaan uit de hematopoëtische stamcel, een pluripotente stamcel zich door deling in stand houdt en die differentieert tot ofwel de pluripotente myeloïde stamcel ofwel de lymfatische stamcel. De lymfatische stamcel rijpt in beenmerg en later in de lymfklieren uit tot lymfocyten en daarna in de lymfatische organen tot plasmacellen. De gehele myelopoëse vindt plaats in het beenmerg; in eerste instantie ontstaan unipotente stamcellen en uiteindelijk granulocyten, monocyten, erytrocyten en trombocyten. Het proces van celdeling en differentiatie is uiterst gecompliceerd er wordt gereguleerd door een groot aantal cytokinen en groeifactoren. Sommige groeifactoren zijn specifiek voor één cellijn, terwijl andere hun effect uitoefenen op meerdere cellijnen. Het is in ieder geval duidelijk, dat de regulatie van de verschillende cellijnen geheel onafhankelijk van elkaar plaatsvindt. Daardoor is het weinig informatief, te spreken van leukocytose, aangezien het vaak slechts één cellijn is die zijn cellen in verhoogde mate produceert. Het zou de voorkeur hebben, de telling van het totale aantal leukocyten achterwege te laten en te vervangen door een telling (als zogenaamde �??absolute�?? concentratie) van de vijf belangrijkste celsoorten, omdat daarmee een veel beter inzicht wordt verkregen in afwijkingen van de leukopoëse. Het begrip leukocyten heeft zich echter zo'n vaste plaats verworven in de geneeskunde, dat het helaas nog lang zal duren voordat deze verandering bewerkstelligd zal zijn.2 De functie van leukocyten is heterogeen, aangezien het een zeer diverse groep cellen betreft. Neutrofiele granulocyten en monocyten hebben als belangrijke functie de fagocytose van lichaamsvreemde stoffen, vooral micro-organismen en celresten. Zij kunnen actief naar de plaats van infectie bewegen en ruimen daar de ongewenste stoffen op; bij dit proces spelen de enzymen uit hun korrels een sleutelrol. Monocyten hebben daarnaast een zeer belangrijke functie bij het presenteren van antigenen aan lymfocyten in het kader van de adaptieve cellulaire immuunrespons. Eosinofiele granulocyten zijn belast met het onschadelijk maken van parasieten en samen met basofiele granulocyten spelen zij een rol bij allergie. Lymfocyten hebben verschillende functies bij de synthese van immunoglobulinen en bij directe cellulaire afweer. Leukocyten verhoogd: leukocytose, dat wil zeggen een totale leukocyten concentratie boven 10x109/l komt voor bij ontstekingen en infecties, bij septische shock, bij stress, brandwonden, sommige auto-immuunziekten en bij leukemie.3 Voor een meer gedetailleerde interpretatie wordt verwezen naar de paragraaf 'differentiële telling van bloedcellen' en de klinische probleemstelling 'Leukocyturie�??. Leukocyten verlaagd: verlaagde concentraties leukocyten komen voor bij sommige infecties, bij sepsis, bij gebruik van vele geneesmiddelen, bij pernicieuze anemie, na bestraling en chemotherapie en bij ernstige beenmerginsufficiëntie.4 Omdat ook leukocytopenie vaak beperkt blijft tot een enkele cellijn, zijn meer details te vinden in de paragraaf �??differentiële telling van bloedcellen�??.
Valkuilen: Omdat in bloed normaal gesproken leukocyten van vijf verschillende cellijnen voorkomen is het goed mogelijk dat een kwantitatieve verandering beperkt blijft tot de cellen van één cellijn en niet tot uiting komt in de totale leukocytenconcentratie. Als alleen deze laatste in beschouwing wordt genomen kan een afwijking gemakkelijk gemist worden. Zie ook Stoorfactoren hierboven.
Referentiewaarden: Leukocyten: 4,0-10,0x109/l. Pasgeborenen en kinderen hebben een verhoogde concentratie leukocyten, waarbij de onderlinge verhoudingen van de verschillende celsoorten ook nog kunnen afwijken van de volwassen waarde (zie Differentiële telling van bloedcellen). Bij liggende patiënten is het plasmavolume enkele procenten groter dan bij ambulante personen; dit resulteert in een iets lagere leukocytenconcentratie.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Referenties
- Abramson N, Melton B. Leukocytosis: basics of clinical assessment. Am Fam Physician 2000; 62: 2053-60
.
- Dixon LR. The complete blood count: physiologic basis and clinical usage. J Perinat Neonatal Nurs 1997; 11: 1-18
.
- Kickler TS. Clinical analyzers: Advances in automated cell counting. Anal Chem 1999; 71: 363R-5R
.
- Stock W, Hoffman R. White blood cells 1: non-malignant disorders. Lancet 2000; 355: 1351-7
.
Achtergrondinformatie
- Beutler E, et al. (eds). Williams haematology. 5th ed. New York: McGraw-Hill, 1995
.
- Lee GR, et al. (eds). Wintrobe's clinical haematology. 10th ed. Philadelphia: Lippincott Williams & Wilkins, 1999
.
|
|