| |
Doel: Het bepalen van de IgA concentratie in serum of ander lichaamsvocht (bv. speeksel).
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: IgA wordt nefelometrisch of turbidimetrisch bepaald. Daarnaast kan IgA middels ELISA, radiale immunodiffusie of radio-immunoassay worden bepaald. Belasting voor de patiënt Venapunctie in geval van IgA bepaling in serum. Geen, in geval van IgA bepaling in speeksel. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding noodzakelijk; afname kan op ieder moment van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Het monster is circa een week stabiel bij kamertemperatuur, circa 3 maanden bij 4-8°C en circa 6 maanden bij -20°C. Stoorfactoren Precipitaten in het serum dienen middels centrifugeren te worden verwijderd. M-componenten van de IgA klasse kunnen leiden tot een onbetrouwbare uitslag.
Mogelijke toepassingen:
- detecteren van afwijkingen in de immuunstatus
- detecteren van M-componenten
Interpretatie: Immuunglobuline A (IgA) komt in serum voor als monomeer en als polymeer, waarbij twee monomeren met een J chain met elkaar verbonden zijn. Daarnaast bestaat in excretieproducten secretoir IgA (sIgA) waarbij polymeer IgA gebonden is aan een zogenaamd S-piece. Dit �??S-piece�?? wordt in tegenstelling tot IgA en het J-chain niet door plasmacellen geproduceerd maar door epitheel cellen. Het �??S-piece�?? speelt een rol bij het transport van IgA naar de excretie vloeistof en beschermt het IgA tevens tegen de werking van proteolytische enzymen. De functie van IgA in serum is niet geheel duidelijk. Het molecuul heeft in tegenstelling tot IgG1, IgG2, IgG3 en IgM geen complementfixerend vermogen, maar via de Fc-alpha receptor op myeloïde cellen zou wel fagocytose en een respiratoire �??burst�?? geïnduceerd kunnen worden. De belangrijkste functie is die van het secretoir IgA. Dit beschermt het lichaam tegen binnendringen van allerlei pathogene agentia door zijn voorkomen in excretievloeistoffen zoals traanvocht, colostrum, gal en van de klieren van lucht- en urinewegen en tractus digestivus. Er is geen correlatie tussen de concentraties van IgA in serum en het secretoir-IgA. Selectieve IgA-deficiëntie is de meest voorkomende immunodeficiëntie met een incidentie van 1:800. Patiënten zijn vaak asymptomatisch, hoewel meer bevattelijk voor reumatische en infectieuze aandoeningen. Indien er tevens een IgG2- en met name een IgG4-tekort bestaat, treden bij een aantal patiënten infecties van long, sinus, oor en maag-darmkanaal op. Indien met een gevoelige assay een zeer lage IgA-concentratie (< 0,02 g/l, sIgA afwezig) of IgA-afwezigheid wordt aangetoond, kan de patiënt door eerdere bloed- en plasmatransfusies antistoffen hebben ontwikkeld tegen IgA, waardoor het gevaar van ernstige transfusiereacties kan ontstaan. Een IgA-deficiëntie kan erfelijk zijn of verworven. Een verworven vorm van IgA-deficiëntie kan ontstaan zonder aanwijsbare oorzaak, bij gebruik van bepaalde medicijnen zoals penicillamine, goud, salazopyridine of samengaan met lymfoproliferatieve ziekten of nefrotisch syndroom. De door geneesmiddelen veroorzaakte IgA-deficiënties zijn in het algemeen voorbijgaand. De IgA spiegels zijn bij pasgeborenen zeer laag en stijgen heel geleidelijk gedurende de eerste levensjaren. Pas in het tweede levensdecade worden normale serumconcentraties bereikt. De IgA-concentratie kan licht tot matig verhoogd (polyklonale IgA-verhoging) zijn bij patiënten met hepatitis B of C, of bij alcoholcirrose. Ook patiënten met het syndroom van Sjögren vertonen vaak een verhoogd IgA, IgA-reumafactoren en IgA-bevattende immuuncomplexen. Monoklonale IgA-verhogingen worden aangetroffen in drie varianten:
- benigne verhogingen: idiopathisch bij 5-10% van patiƫnten boven 70 jaar; na infecties;
- begeleidend verhogingen: bij acute of chronische leukemieƫn, solide tumoren, auto-immuunziekten;
- maligne verhogingen: monoklonale gammopathie, non-Hodgkin-lymfomen, bepaalde vormen van amyloïdose; een monoklonale IgA-verhoging (IgA-M-component) wordt in 20-25 van de patiënten met een M-component gezien, al dan niet in combinatie met cryoglobulinen.
Valkuilen: Zeer hoge IgA concentraties kunnen bij turbidimetrische en nefelometrische bepalingen een ļæ½??high-dose hookļæ½?? effect veroorzaken.
Vergelijking andere methodes: De meeste nefelometrische en turbidimetrische bepalingen zijn niet gevoelig genoeg om een ernstige IgA deficientie te kunnen aantonen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn om monsters die onder de ondergrens van de bepaling liggen nogmaals te analyseren maar ditmaal met een gevoeliger methode, zoals een RIA of een ultra-gevoelige ELISA. Daarnaast is het van belang om bij het vermoeden van een IgA deficientie de secretoire component niet te vergeten en dient bijvoorbeeld het speeksel geanalyseerd te worden op de aanwezigheid van IgA.
Referentiewaarden:
Serum
|
0-2 weken
|
< 0,15 g/l
|
2 weken-1 jaar
|
0,05-1,0 g/l
|
1-2 jaar
|
0,1-1,1 g/l
|
2-3 jaar
|
0,1-2,3 g/l
|
3-9 jaar
|
0,5-2,5 g/l
|
9-15 jaar
|
0,6-3,5 g/l
|
=16 jaar
|
0,7-4,0 g/l
|
Speeksel
|
120-200 mg/l
|
Tarief (excl. ordertarief): ļæ½?ļæ½ 8,31
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Conley ME, Delacroix DL. Intravascular and mucosal immunoglobulin A: two separate but related systems of immune defense?. Ann Intern Med 1987; 106: 892-9
.
- Egmond M van, Damen CA, Spriel AB van, et al. IgA and the IgA Fc receptor. Trends Immunology 2001; 22: 205-11
.
- Parslow RG, et al. (eds). Medical Immunology. 10th ed. New York: Lange Medical Books/McGraw-Hill, 2001
.
|
|