| |
Doel: Meting van de osmolaliteit van serum, urine of zweet.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Er zijn twee methodes voor het meten van de osmolaliteit: vriespuntsbepaling of dampspanningsmeting, waarvan de vriespuntsbepaling het meeste wordt gebruikt. De dampspanningsmeting is niet gevoelig voor vluchtige stoffen zoals alcoholen, aceton en ethers. Belasting voor de patiënt Venapunctie, urine portie, zweetproef. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname bloed middels venapunctie; scheiding van serum middels centrifugeren. Indien bepaling dezelfde dag plaatsvindt bewaren bij kamertemperatuur. Vindt bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Urine osmolaliteit kan in urine porties bepaald worden. Zweet wordt verkregen via de zweetproef. Stoorfactoren Wanneer het verschil tussen de berekende en gemeten osmolaliteit meer is dan 10, moet worden gedacht aan een hyperlipidemie of hyperproteïnemie danwel (bij een gemeten osmolaliteit van meer dan 300 mOsmol per kg) aan een intoxicatie met bijvoorbeeld ethanol, methanol, isopropylalcohol, ethyleenglycol, aceton, ethylether, glycine, mannitol en dergelijke. Voor elke promille ethanol stijgt de serumosmolaliteit met 22 mOsmol/kg. De directe natriumbepaling met een ionselectieve elektrode heeft geen last van ruimte-innemende componenten in serum, zoals lipiden of paraproteïnen (in tegenstelling tot de indirecte natriumbepaling en de atoom absorptie spectrometrische natriumbepaling).
Mogelijke toepassingen:
- beoordeling van de waterhuishouding
- evaluatie van de mogelijke bijdrage van laagmoleculaire stoffen
- bepalen van het concentratievermogen van de nieren
- diagnostiek van cystic fibrosis
Interpretatie: De osmolaliteit is het aantal opgeloste deeltjes per kg serum danwel urine. Het is een goede parameter voor de beoordeling van de waterhuishouding, maar kan ook worden gebruikt als zoektest voor laagmoleculaire stoffen die de osmolaliteit beïnvloeden. De grootste bijdragen in serum worden geleverd door NaCl, glucose en ureum. Als benadering geldt dan ook: de berekende osmolaliteit is (2 x [natrium] + [glucose] + [ureum]) (eenheden in mmol/l). Bij gezonde personen verschilt de berekende osmolaliteit minder dan 10 mmol van de gemeten waarde, waarbij de gemeten waarde meestal hoger is dan de berekende. De bepaling in urine wordt vooral gebruikt om het concentratievermogen van de nieren te bepalen. De osmolaliteit in urine kan niet worden berekend, maar moet worden gemeten. In het algemeen zeggen de urine- en plasma-osmolaliteitsbepalingen meer over de hydratie dan de veranderingen in de hematocriet, serumeiwitten of ureum. Veranderingen in het serumnatriumgehalte geven in het algemeen een beter beeld van de waterhuishouding dan van de natriumhuishouding. Tenzij de patiënt veel natrium heeft gekregen, betekent hypernatriëmie een watertekort, en hyponatriëmie een (relatief) wateroverschot. Beoordeling van de waterhuishouding Hyper-osmolaliteit in serum kan optreden bij:
- forse hyperglykemie, zoals kan worden gezien bij een diabetische ketoacidose of een non-ketotische hyperglykemie;
- hypernatriëmie al dan niet met dehydratie, zoals bij een centrale of nefrogene diabetes insipidus (urine osmolaliteit < 100 mOsmol/kg), bij aanzienlijk vochtverlies door diarree, overgeven, koorts of hyperventilatie, of bij een inadequate waterinname. Een hypernatriëmie met normale hydratie doet zich voor bij een ongevoeligheid van de osmoreceptoren (essentiële hypernatriëmie) of bij hypodipsie.
Hypo-osmolaliteit in serum kan optreden bij:
- acute en chronische nierinsufficiëntie, bij bijnierproblematiek (bv. de �??salt-losing�?? vorm van congenitale bijnierhyperplasie), bij congenitale bijnierhypoplasie, maar ook door natriumverlies via het maag-darmkanaal;
- bij syndrome of inappropriate ADH secretion (SIADH). De typische SIADH-patiënt heeft hypo-osmolair serum (< 270 mOsmol/kg) en een urine osmolaliteit hoger dan die van het serum.
Bepaling van het concentratievermogen van de nieren middels de dorstproef De osmolaliteit van urine stijgt tijdens dorsten tot ten minste het drievoudige van serum, ofwel naar ten minste 800-900 mOsmol/kg. Wanneer deze waarden bereikt worden kan de proef beëindigd worden met als conclusie: normaal concentratievermogen van de nieren. Lagere waarden vindt men bij een ongevoeligheid van de niertubuli voor ADH (nefrogene diabetes insipidus) of bij een ADH-tekort (centrale diabetes insipidus). Door ADH in het beloop van de dorstproef toe te dienen kan men deze twee vormen onderscheiden. Het tijdstip van ADH-toediening is het moment waarop de nier zijn maximaal concentrerend vermogen bereikt heeft, dat wil zeggen wanneer de urine-osmolaliteit tijdens voortgezet dorsten niet noemenswaardig verder stijgt (minder dan 30 mOsmol/kg in twee elkaar opeenvolgende urineporties van één uur). Na toediening van ADH zal het concentratievermogen van de nieren niet toenemen (dwz de urine-osmolaliteit zal niet stijgen) in geval van nefrogene diabetes insipidus, maar wel toenemen (d.w.z. urine-osmolaliteit zal verder stijgen) wanneer er sprake is van centrale diabetes insipidus. Dorstproef Deze test moet klinisch worden uitgevoerd. In de loop van de proef kan synthetisch ADH worden toegediend:
- 's ochtends vroeg nachturine laten uitplassen;
- om 08.00 uur bloedafname en urinemonster (niet nachturine) voor bepaling van osmolaliteit (eventueel ADH bepaling), en lichaamsgewicht meting;
- vanaf 08.00 uur niets meer laten drinken (in geval van milde polyurie kan dorsten al eerder beginnen, bv. de vorige avond);
- elk uur urine-osmolaliteit en lichaamsgewicht meten.
Bij bereiken van een urine-osmolaliteit van 800-900 mOsmol/kg kan de proef beëindigd worden. In andere gevallen:
- synthetisch ADH toedienen (4 μg subcutaan) tijdens voortgezet dorsten als:
- urine-osmolaliteit in twee opeenvolgende porties minder stijgt dan 30 mOsmol/kg;
- het lichaamsgewicht > 3% gedaald is ten opzichte van de uitgangssituatie;
- één uur na toediening van ADH wordt opnieuw urine-osmolaliteit gemeten;
- de dorstproef wordt daarna beëindigd.
Wanneer tijdens de dorstproef de criteria voor urine-osmolaliteit en lichaamsgewicht niet worden bereikt kan de dorstproef aan het eind van de middag worden afgebroken en kan de proef herhaald worden als boven beschreven voor milde polyurie. Indien tijdens de proef ADH is toegediend de patiënt nog enkele uren observeren en waken voor excessieve waterinname. Diagnostiek van cystic fibrosis (CF) De ziekteverschijnselen bij CF zijn het gevolg van een verminderd watergehalte van het secreet van de exocriene klieren. De ziekte wordt o.a. gekarakteriseerd door abnormale zweetklierfunctie. De meting van de osmolaliteit van zweet kan in dit geval een indicatie geven voor CF. Sensitiviteit/Specificiteit Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van het type aandoening en de vastgestelde referentiewaarden.
Vergelijking andere methodes: Een osmolaliteitmeting geeft veelal een goede indicatie voor de beoordeling van de waterhuishouding en het concentratievermogen van de nieren. De bepaling kan het beste gecombineerd worden met een natrium bepaling. Voor de diagnostiek van CF moet de osmolaliteit bepaling gecombineerd worden met een chloride meting.
Referentiewaarden:
serum
|
275-300 mOsmol/kg
|
urine
|
800-900 mOsmol/kg na dorsten
|
zweet
|
< 170 mOsmol/kg
|
Tarief (excl. ordertarief): �?� 2,77 per bepaling.
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Baylis PH. Investigation of suspected hypothalamic diabetes insipidus. Clin Endocrinol Oxf 1995; 43: 507-10
.
- Cruz-Caudillo JC, Sabatini S. Diabetic hyperosmolar syndrome. Nephron 1995; 69: 201-10
.
- Gennari FJ. Current concepts: Serum osmolality, uses and limitations. N Engl J Med 1984; 310: 102-5
.
- Kamel KS, Ethier JH, Richardson RM, et al. Urine electrolytes and osmolality: when and how to use them. Am J Nephrol 1990; 10: 89-102
.
- Reeves WB, Andreoli TE. The posterior pituitary and water metabolism. In: Wilson JD, et al. (eds). Williams textbook of endocrinology. 9th ed. Philadelphia: Saunders, 1998
.
|
|