| |
Doel: Vaststellen triglyceridenconcentratie in het serum.
Vereiste klinische informatie: Standaard informatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Het meest gebruikt wordt een enzymatische methode waarbij het lipoproteïnelipase triglyceriden hydrolyseert tot vetzuren en glycerol. Het vrije glycerol wordt vervolgens colorimetrisch bepaald. Veel methoden corrigeren niet voor de aanwezigheid in serum van het vrij glycerol. Dit verhoogt normaliter de uitkomst met ongeveer 0,1 mmol/l, echter bij sommige patiënten (met diabetes of leverziekten) kan deze 'verhoging' oplopen tot 0,5 mmol/l (raadpleeg uw laboratorium). Belasting voor de patiënt Venapunctie. Afname dient nuchter te geschieden. Materiaalafname/Fixatie Bij gebruik van plasma wordt EDTA als anticoagulans aanbevolen en niet oxalaat, NaF of citraat. Bij bloedafname mag slechts kort de vene worden gestuwd. Lang staan van serum op de bloedkoek verandert de triglycerideconcentratie. Serum kan tot drie dagen bij 4°C worden bewaard. Stoorfactoren Bij bloedafname mag de vene slechts kort worden gestuwd. Lang staan van bloed op de bloedkoek verandert de triglyceridenconcentratie. Meting bij niet-nuchtere patiënten geeft slechts een waarde die samenhangt met recente intake van voeding en levert geen informatie over de eigenlijke lipidenhuishouding. De biologische variatie van de serumtriglyceridenconcentratie bij dezelfde persoon is groot, zowel per dag als op lange termijn. Variaties van 30% zijn geen uitzondering. Omwille van de (normale) intra-individuele biologische variabiliteit en de analytische variabiliteit wordt aanbevolen het triglyceride tweemaal te laten bepalen met een minimaal interval van een week, binnen een periode van acht weken. Vele geneesmiddelen verhogen het serumtriglyceridegehalte, zoals oestrogenen, propranolol, corticosteroïden, thiaziden, ethanol, chloortalidon.
Mogelijke toepassingen:
- chemische typering van een hyperlipoproteïnemie
- LDL-cholesterolbepaling via de formule van Friedewald (LDL-chol = totaal chol - HDL-chol - 0,45 x triglyceriden (mmol/l))
- beoordeling resultaat dieet en lipideverlagende medicatie
Interpretatie: Het transport van vetzuren die voor de energiehuishouding noodzakelijk zijn, heeft voor een belangrijk deel plaats in de vorm van triglyceriden. Het tweede vervoersmechanisme is albumine, waaraan vrije vetzuren zijn gebonden. Na een vetbevattende maaltijd verschijnen chylomicronen via de lymfe in het bloed. Deze bestaan hoofdzakelijk uit triglyceriden. Deze deeltjes worden als �??remnants�?? door de lever uit het bloed verwijderd, nadat een groot deel van de triglyceriden afgebroken is met behulp van het enzym lipoproteïne lipase, dat in het bloedvatenendotheel van spier- en vetweefsel voorkomt. Deze enzymwerking is gestoord bij insulinetekort, evenals bij Apo C-II deficiëntie. Bij een gezond individu zijn 12 uur na de maaltijd de chylomicronen uit het bloed verdwenen. Om buiten de maaltijdperiodes toch steeds triglyceriden aan de perifere weefsels aan te kunnen bieden, maakt de lever VLDL-partikels die veel triglyceriden bevatten. Serum van gezonde, nuchtere patiënten bevat dus altijd VLDL en geen chylomicronen. Door vetzuurafbraak ('β-oxidatieproces') wordt in de cellen de energie vrijgemaakt. Zo levert de afbraak van palmitinezuur (verzadigd C16 vetzuur) per mol 2300 kcal energie (1 kcal = 4,2 kJ). Reservevetten opgeslagen in vetdepots bestaan voor meer dan 90% uit triglyceriden. De vetzuursamenstelling - meestal vetzuren met 16 tot 18 C-atomen - hangt af van het voedingspatroon: bij gebruik van veel plantaardige vetten zijn er in de triglyceriden veel meervoudig onverzadigde vetzuren te vinden. Middellange vetzuren (6-12 C-atomen) zijn redelijk oplosbaar en bereiken de lever via de poortader. Het is niet zinvol de interpretatie los te zien van het geheel van de lipoproteïnenhuishouding. Bij primaire hyperlipidemie kunnen verhoogde waarden duiden op een familiaire LPL-deficiëntie, een familiaire gecombineerde hyperlipidemie, een familiaire dys-β-lipoproteïnemie of een familiaire triglyceridemie (resp. hyperlipoproteïnemie type I, IIb, III, IV of V volgens Fredrickson). De zeldzame types I en V zijn visueel te herkennen, doordat de chylomicronen gaan drijven als een roomlaagje als het serum of plasma een nacht in de koelkast heeft gestaan. Bij type IV komt dit soms ook voor. De diagnose van het genotype moet worden gesteld met behulp van onderzoek gericht op de genoemde 'defecten', dit is overigens niet vaak noodzakelijk. Van een secundaire hyperlipidemie zijn vele oorzaken mogelijk zoals diabetes mellitus, leverziekten, alcoholmisbruik, chronische nierinsufficiëntie, hypothyroïdie, jicht. De Europese consensus noemt triglyceridenconcentraties tussen 2,0-6,0 mmol/l matig verhoogd, boven 6,0 mmol/l geldt een uitkomst als sterk verhoogd. Bij zeer hoge waarden (> 10 mmol/l) bestaat gevaar van acute pancreatitis. Verlaagde waarden zijn te verwachten bij a-β-lipoproteïnemie, hyperthyroïdie, hyperparathyroïdie, ondervoeding of malabsorptie, leverparenchymschade. Sensitiviteit/Specificiteit Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van het type aandoening en de vastgestelde referentiewaarden.
Vergelijking andere methodes: Naast de toepassing in het kader van de diagnose en behandeling van hyperlipidemie worden triglyceriden in de dagelijkse praktijk veelal gemeten om met behulp van de Friedewald-formule het LDL-cholesterol te kunnen berekenen. Met de recente beschikbaarheid van directe homogene methoden voor de bepaling van LDL-cholesterol zal de triglyceridenmeting in dit kader komen te vervallen (raadpleeg uw eigen laboratorium).
Referentiewaarden: Gemengde populatie nuchtere volwassenen: 0,6-2,2 mmol/l (95%-gebied). De Nederlandse cholesterolconsensus bevat geen beslissingsgrenzen voor triglyceriden. Als redelijke richtwaarde zou men < 2,0 mmol/l kunnen aanhouden.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,89
Literatuur: Achtergrondinformatie
- CBO. Behandeling en preventie van coronaire hartziekten door verlaging van de plasmacholesterolconcentratie: consensus cholesterol, tweede herziening. Utrecht: CBO, 1998
.
- Gevers Leuven JA, Krans HMJ. Vetstofwisselingsstoornissen. In: Meer J van der, Stehouwer CVA (eds). Interne Geneeskunde. 12e herz. dr. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2001: 924-46
.
- The hypertriglyceridemias: risk and management. Am J Cardiol 1991; 68: 1A-42A
.
- Warnick GR. Measurement of cholesterol and other lipoprotein constituents in the clinical laboratory. Clin Chem Lab Med 2000; 38: 287-300
.
- Wel AM van der, Castro Cabezas M, Bruin TWA de, et al. Triglyceriden en atherosclerose; behandeling van hypertriglyceridemie. Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 448-53
.
|
|