| |
Doel: Bepaling van lactaathydrogenase (LD) in bloedplasma of serum.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Analysemethodes LD is het enzym dat de reversibele oxidatie katalyseert van lactaat naar pyruvaat in aanwezigheid van NAD+ als waterstofacceptor. De activiteitsmeting kan zowel van lactaat naar pyruvaat zijn (pH optimum 8,8-9,8) als van pyruvaat naar lactaat (pH optimum 7,4-7,8) plaatsvinden. Tegenwoordig wordt meestal de IFCC-methode gebruikt die gekenmerkt wordt door omzetting van lactaat naar pyruvaat en een meettemperatuur van 37°C.1,2 Het LD-enzym bestaat uit vier peptide ketens van 2 types M en H, die elk onder separate genetische controle staan. Op deze wijze kunnen er 5 types tetrameren (iso-enzymen) ontstaan, welke door middel van elektroforese van elkaar gescheiden kunnen worden op basis van verschillen in fysisch-chemische eigenschappen. Deze isoenzymen worden in de praktijk aangeduid als LD1 tot en met LD5. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma door middel van centrifugeren. In verband met hoge LD activiteit in de erytrocyt en trombocyt verdient plasma de voorkeur en dient plasma of serum direct gescheiden te worden van de cellen of bloedkoek. Serum of plasma kan bij 4°C minstens 1 week worden bewaard. Voor een langere bewaartijd kan het serum of plasma worden ingevroren bij -20°C dit heeft wel verlies van LD4 en LD5 tot gevolg. Verzending naar een ander laboratorium: alleen plasma of serum. Stoorfactoren Hemolyse geeft een sterke verhoging van de LD activiteit. Aanwezigheid van stoffen welke reageren met de thiolgroep zoals kwikionen blokkeren de LD activiteit. Deze reactie is reversibel. EDTA kan de LD activiteit remmen door mogelijke binding van Zn(II)ionen.
Mogelijke toepassingen: Gezien het feit dat LD in alle organen voorkomt, zijn de toepassingen (al dan niet in combinatie met iso-enzym elektroforese) zeer talrijk. Enkele van de voornaamste toepassingen:
- diagnostiek en verloopscontrole van een myocardinfarct (is met de komst van troponine achterhaald).
- diagnostiek van orgaanbeschadigingen (via iso-enzymen).
- differentieel diagnostiek van icterus.
- diagnostiek hematologische afwijkingen.
Interpretatie: Bij de glycolyse wordt pyruvaat gevormd uit glucose. De relatief geringe hoeveelheid vrijgekomen energie wordt gestapeld als ATP. Onder aërobe condities wordt pyruvaat via de citroenzuurcyclus verbrand tot CO2 en water. Bij dit proces komt veel energie vrij, dat eveneens als ATP wordt vastgelegd. Onder anaërobe condities wordt pyruvaat onder invloed van lactaatdehydrogenase (LD) gereduceerd tot lactaat door NADH, dat zelf ook tijdens de glycolyse is geproduceerd. Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld spiercellen bij hoge spieractiviteit �?? dat wil zeggen bij anaërobe condities �?? energie verkrijgen uit glucoseafbraak. Het gevormde lactaat diffundeert door de celwand naar de circulatie en wordt in de lever omgezet tot pyruvaat onder invloed van LD en vervolgens in glucose omgezet (gluconeogenese). LD komt vrijwel uitsluitend in het cytoplasma van de cel voor. LD is een tetrameer eiwit, opgebouwd uit twee subeenheden H (heart) en M (muscle), die onder gescheiden genetische controle staan. Er kunnen vijf types tetrameer ontstaan: H4, H3M, H2M2, HM3 en M4. Deze tetrameren (iso-enzymen) kunnen door elektroforese worden gescheiden en worden in de praktijk aangeduid als: LD1, LD2, LD3, LD4 en LD5. De verdeling van de iso-enzymen over de verschillende organen is te zien in tabel 1. Het LD1 heeft een hoge affiniteit tot het substraat β-hydroxyboterzuur. De HBDH-(β-hydroxybutyraatdehydrogenase)-bepaling maakt van dit substraat gebruik en is dus een maat voor de LD1-activiteit. Vooral de Duitse literatuur kent het gebruik van deze bepaling.
Tabel 1: Verdeling van LD-iso-enzymen over verschillende organen
|
LD1
|
LD2
|
LD3
|
LD4
|
LD5
|
hartspier
|
++++
|
++++
|
+
|
+/�??
|
+/�??
|
lever
|
+/�??
|
+/�??
|
+
|
++
|
++++
|
spier (dwarsgestreept)
|
+/�??
|
+/�??
|
+
|
++
|
++++
|
nier
|
+++
|
+
|
++
|
++
|
++
|
erytrocyt
|
+++
|
+++
|
+
|
+/�??
|
+/�??
|
leukocyt
|
+
|
+++
|
++
|
+/�??
|
+/�??
|
De LD-iso-enzymen in het bloed bij verschillende aandoeningen worden weergegeven in tabel 2.
Tabel 2: LD-iso-enzymen in het bloed bij verschillende aandoeningen
|
tot.LD
|
LD1
|
LD2
|
LD3
|
LD4
|
LD5
|
myocardinfarct
|
�??�??
|
+
|
+
|
|
|
|
hartfalen
|
�??
|
|
|
|
|
+
|
longembolie
|
�??
|
|
|
|
|
+
|
spierschade
|
�??
|
|
|
|
|
+
|
levercelschade
|
�??
|
|
|
|
|
+
|
mononucleosis infectiosa
|
�??�??
|
|
|
+
|
+
|
+
|
pancreatitis
|
�??
|
|
+
|
+
|
+
|
|
myeloïde leukemie
|
�??�??
|
|
+
|
+
|
+
|
|
carcinomatose
|
�??�??�??
|
|
+
|
+
|
+
|
|
hemolytische anemie
|
�??
|
+
|
+
|
|
|
|
megaloblastaire anemie
|
�??�??�??
|
+
|
+
|
|
|
|
LD-iso-enzymen 8-12 uur na het begin van de pijn bij het myocardinfarct treedt een stijging op in serum van LD, LD1 en LD2 tot maximaal na 48-60 uur van drie- tot zesmaal de bovengrens van normaal. Hogere stijgingen zijn prognostisch slecht. Normalisering van de LD heeft plaats na 7-12 dagen. Myocarditis, shock en anoxie vertonen slechts een matige LD-stijging. Voor de (late) diagnostiek van hartspierschade is de bepaling van LD echter achterhaald met de komst van de troponine bepalingen. Bij leverziekten vindt men in het algemeen LD- LD4- en LD5-verhogingen, echter minder sterk dan bij ALAT en ASAT. Forse LD-verhogingen treft men aan bij intoxicaties en hypoxie van de lever (toxische hepatitis, mononucleosis infectiosa). Bij sommige patiënten met nierziekten o.a. pyelonefritis, zijn verhoogde LD-waarden in serum gevonden. Een hemolytisch uremisch syndroom (HUS) gaat gepaard met hoge waarden. Bij patiënten met onbehandelde pernicieuze anemie of megaloblastaire anemie door folaatgebrek kunnen LD, LD1 en LD2 zeer sterk verhoogd zijn door vernietiging van de pasgevormde erytrocyten. Na behandeling treedt weer normalisatie van LD op. Progressieve spierdystrofie gaat gepaard met matig verhoogde LD-(LD5-)waarden. Bij patiënten met maligne aandoeningen (de ziekte van Hodgkin, carcinomen) worden verhoogde LD-waarden gevonden (met name LD4, LD5). Bij teratomen en seminomen van de testis is juist LD1 verhoogd! LD1 kan daarbij als vroege indicator van relapse dienen. Verhoogde LD-activiteit in plasma wordt ook gevonden bij een longembolie; de verhoogde LD (LD3) is soms de enige afwijking die aantoonbaar is.
Valkuilen: Door het gebruik van serum worden over het algemeen wat hogere waarden verkregen doordat LD vrijkomt uit de trombocyten en erytrocyten bij de stolling. Hemolytisch plasma of serum kan niet gebruikt worden omdat in de erytrocyten 150x zoveel LD voorkomt dan in serum of plasma. Combinatie van LD met antilichamen kan verhoogde LD waarden veroorzaken door een verlengde halfwaardetijd van het LD-antilichaamcomplex.
Referentiewaarden: IFCC methode (lactaatstart; pH = 9,4; T = 37°C: volwassenen: 135-225 U/l Bij zuigelingen worden waarden gevonden die 2-3x zo hoog zijn als bij volwassenen.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Referenties
- Bais R, Philcox M. International Federation of Clinical Chemistry, Scientific committee on enzymes: approved recommendation on IFCC methods for the measurement of catalytic concentration of enzymes.: Part 8:. IFCC method for lactate dehydrogenase (L-lactate:NAD+ oxidoreductase, EC 1.1.1.27). Eur J Clin Chem Clin Biochem 1994; 32: 639-55
.
- Heiden C van der, Oosterom R, Peters FPAMN, et al. Aanbevelingen voor het meten van de katalytische activiteitsconcentratie van de enzymen L-alanine-aminotransferase (ALAT), L-aspartaataminotransferase (ASAT), creatinekinase (CK), alkalische fosfatase (AF), g-glutamyltransferase (γ-GT), a-amylase en lactaatdehydrogenase (LD) in serum en/of plasma bij 37°C. Ned Tijdschr Klin Chem 2001; 26: 161-81
.
Achtergrondinformatie
- Moss DW, Henderson AR. Clinical enzymology. In: Burtis CA, Ashwood ER (eds). Tietz textbook of clinical chemistry. Philadelphia: Saunders, 1999: 668-73
.
- Pincus MR, et al. Clinical enzymology. In: Henry JB (ed.). Clinical diagnosis and management by laboratory methods. 19th ed. Philadelphia: Saunders, 1996: 281-5
.
|
|