Klinisch doel
Het vaststellen of een persoon secretor (FUT2-positief) of non-secretor (FUT2-negatief) is, kan ondersteuning bieden aan het oplossen van ABO-discrepanties en Lewis-fenotypen. Secretors scheiden oplosbare H-, A- of B-determinanten uit in speeksel; die informatie helpt subgroepen (bv. para-Bombay) en antistoffen tegen Lewis- of H-antigenen juist interpreteren.
Het vaststellen van de secretorstatus kan ook ondersteunen bij de risicostratificatie voor norovirus- en rotavirusinfecties. Norovirussen, vooral het GII.4-genotype, gebruiken histo-bloedgroepantigenen (HBGA's) als bindingsplaatsen op het darmepitheel. Secretors (FUT2-positief) produceren deze HBGA's in hun slijmvliezen, waardoor ze vatbaarder zijn voor infectie (https://doi.org/10.3390/v12101084). Rotavirusinfecties, met name door het P[8]-genotype, zijn geassocieerd met de secretorstatus. Secretors blijken vatbaarder te zijn voor infectie met dit genotype ((10.1001/jamapediatrics.2015.2002).
De secretor-status wordt bepaald door serologisch de Lewis-antigenen vast te stellen. Personen met het fenotype Le(a-b+) zijn secretor, personen met het fenotype Le(a+b-) zijn non-secretor. Bij het fenotype Le(a-b-) kan geen uitspraak worden gedaan over de secretor status. Met een speekseladsorptie-/inhibitietest kunnen de H-, A- of B-determinanten worden vastgelegd bij een secretor.
Ongeveer 80% van de populatie is een secretor. Storende factoren voor het serologisch vaststellen van de Lewis-antigenen is een recente (< 3 maanden) bloedtransfusie.