Wijzigingsinformatie
Januari 2024:
Vanwege een verbetering van de methode voor het meten van succinylaceton in bloedspots zijn we in staat om beter te meten in het lage meetgebied. We kunnen nu rapporteren vanaf een waarde van 0.013 µmol/L in plaats van 0.17 µmol/L (ongeveer 10x lager dan voorheen). Waarden tussen 0.004 µmol/L en 0.013 µmol/L worden gerapporteerd als <0.013 µmol/L, waarden <0.004 µmol/L als 'niet aantoonbaar'.
We hebben vanwege deze wijziging ook onze referentiewaarden moeten aanpassen. Deze zijn nu <0.18 µmol/L (voorheen <0.30 µmol/L). Waarden zijn vergelijkbaar met voorgaande waarden, uitslagen kunnen daarmee nog steeds worden vergeleken met voorgaande uitslagen.
Maart 2021:
De bepaling is gewijzigd. Hierdoor kunnen lagere concentraties meer betrouwbaar worden meten. De ondergrens van de bepaling momenteel 0.05 μmol/L; waarden <0.05 worden gerapporteerd als ‘niet aantoonbaar’. Waarden tot 0.17 zijn meetbaar, maar niet goed te kwantificeren en worden gerapporteerd als <0.17 μmol/L. Omdat we nu ook succinylaceton kunnen meten in DBS van personen zonder TT1, zijn er referentiewaarden opgesteld. Deze komen met deze methode op <0.30 μmol/L.
Voor de behandeling van patiënten met TT1 kan gestreefd worden naar waarden binnen het referentiewaarden gebied. De resultaten van de succinylaceton concentraties met deze methode worden vermeld op een nieuwe regel in het elektronisch patiëntendossier.