| |
Doel: Bepaling van het soortelijk gewicht (s.g.).
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij de aanvraag van laboratoriumonderzoek (identificatie, leeftijd, geslacht, etc.).
Beschrijving methodes: Het s.g. kan op verschillende manieren worden bepaald:
- directe meting met een areometer (urometer, densimeter);
- indirecte meting met een teststrook (meting ionsterkte);
- indirecte meting met een refractometer (meting brekingsindex).
Procedures voor urineverzameling Voor de meting van het s.g. kan een urineportie worden gebruikt. Afhankelijk van de vraagstelling kan het s.g. in urine worden gemeten na 12 of 24 uur dorsten (dorstproef, concentrerend vermogen) of in urineporties binnen 5 uur na inname van 1,5 l water (verdunnend vermogen). Belasting voor de patiënt Urineverzameling al dan niet na dorsten of forse waterinname. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding nodig, tenzij voor:
- concentratieproef: 12 of 24 uur dorsten voorafgaand aan de urineverzameling;
- verdunningsproef: inname van 1,5 l water voorafgaand aan de urineverzameling.
Materiaalafname/Fixatie Urine kan zonder bewerking worden gebruikt voor de analyse. Als de analyse niet direct kan plaatsvinden moet het monster gekoeld bewaard worden (1 dag bij 4°C) of worden ingevroren (-20°C). Voor de meting met een teststrook is 1-5 ml urine nodig, voor de areometer 20-50 ml en voor de refractometer slechts een druppel. Stoorfactoren Afhankelijk van de gebruikte methode:
- Teststrook: bij gebruik van de teststrook zal het resultaat te laag uitvallen bij alkalische urines (pH > 7,0) en te hoog bij zure urines (pH < 6,5).1 Eiwit, diaceetzuur en �?-hydroxyboterzuur leveren een te hoog resultaat; glucose of ureum storen niet;
- Refractometer: het resultaat van de refractometer word beïnvloedt (verhoogd) door de aanwezigheid van glucose en eiwit. Testen op de aanwezigheid van deze componenten met behulp van een teststrook is aan te bevelen om foutieve interpretaties te voorkomen. Ook röntgencontrastmiddelen en carbenicilline geven aanleiding tot te hoge waarden
- Areometer: een niet te onderschatten fout is het aflezen van het resultaat terwijl de meter niet geheel vrij van de wand in de vloeistof zweeft. Ook het resultaat van de areometer wordt beïnvloedt (verhoogd) door eiwit en glucose (zie refractometer) en gestoord (verhoogd) door röntgencontrastmiddelen en carbenicilline. Vergeleken met de bepaling van de urineosmolaliteit is de invloed van glucose en beide stoorfactoren sterker.
Mogelijke toepassingen:
- verdenking op verandering in het effectief circulerend volume (ECV)
- differentiële diagnose van hyponatriëmie en hypernatriëmie
- diagnostiek van nierinsufficiëntie
- uitvoering van concentratie- en verdunningsproeven
Interpretatie: Onder het soortelijk gewicht (s.g.) wordt verstaan de massa per volume-eenheid, uitgedrukt in kg/dm3 of g/cm3 bij een bepaalde temperatuur. Bij benadering wordt het s.g. in urine voor 20% bepaald door ureum, voor 25% door NaCl en verder door andere zouten (m.n. samengesteld uit de ionen K+, NH4+, H2PO4- en SO4--). Onder normale omstandigheden loopt het s.g. parallel met de urine-osmolaliteit. Bij aanwezigheid van stoffen met een hoger molecuulgewicht �?? zoals bij glucose en eiwitten �?? loopt het s.g. relatief sterker op dan de osmolaliteit. Bij hyponatriëmie op basis van een vergrote wateropname (waardoor de plasmaosmolaliteit en de ADH-afgifte afnemen), zal het s.g. van de urine dalen tot beneden 1,003 (urineosmolaliteit < 100 mOsmol/kg). Is het s.g. of de urineosmolaliteit abnormaal hoog, dan is de vrij-water-excretie door de nier belemmerd. Deze situatie doet zich voor bij een afgenomen ECV, bij nierinsufficiëntie, na diureticagebruik en in situaties waarbij de ADH-afgifte verhoogd is. Hypernatriëmie door waterverlies via huid of darmen of door extra natriuminname verhoogt de ADH-afgifte, waardoor het s.g. van de urine tot boven 1,025 kan stijgen (urineosmolaliteit > 800-1000 mOsmol/kg). Abnormaal lage waarden voor het s.g. of de urineosmolaliteit duiden op een vrij-waterverlies door de nier ten gevolge van (functioneel) ADH-tekort. De concentratietest (dorstproef) dient om een (nefrogene) diabetes insipidus aan te tonen of uit te sluiten. Bij isosthenurie blijft het s.g. van urine, ongeacht beïnvloeding van de vochtbalans, steeds rondom een waarde van 1,010. Er kan dan sprake zijn van een tubulusbeschadiging, waardoor het concentrerend vermogen afgenomen is.
Valkuilen: Bij de interpretatie van het resultaat moet bekend zijn met welke techniek de meting verricht is. De drie methodes kennen verschillende beperkingen en storende factoren.
Vergelijking andere methodes: De urine-osmolaliteit wordt in circa 0,5 ml urine met een osmometer gemeten; de osmolaliteitmeting vervangt veelal (door een betere nauwkeurigheid) de bepaling van het s.g. In geval van dehydratie is de plasma osmolaliteit een veel betrouwbaarder maat.2
Referentiewaarden:
volwassenen
|
1,002-1,035
|
(osmolaliteit 500-850 mOsmol/kg)
|
ochtendurine
|
ca. 1,022
|
|
24-uurs urine
|
1,015-1,025
|
|
na concentratieproef
|
> 1,025-1,027
|
(osmolaliteit > 800-1200 mOsmol/kg)
|
na verdunningsproef
|
< 1,003
|
(osmolaliteit < 100 mOsmol/kg)
|
kinderen
|
1,002-1,006
|
(willekeurige portie urine)
|
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,89
Literatuur: Referenties
- Hennequin C, Daudon M, Phung T, et al. Evaluation of the lithogenic risk in renal lithiasis. Value of urine density measurement. Presse Med 1995; 24: 1559-62
.
- Popowski LA, Oppliger RA, Patrick Lambert G, et al. Blood and urinary measures of hydration status during progressive acute dehydration. Med Sci Sports Exerc 2001; 33: 747-53
.
- Barton SJ, Holmes SS. A comparison of reagent strips and the refractometer for measurement of urine specific gravity in hospatilized children. Pediatr Nurs 1998; 24: 480-2
.
Achtergrondinformatie
- Rose BD. Clinical physiology of acid-base and electrolyte disorders. 5th ed. New York: McGraw-Hill, 2000: 17-8, 384-5
.
- Ringsrud KM, Linné JJ. Urinanalysis and body fluids. St. Louis: Mosby-Year-Book, 1995: 38-40, 49
.
- NCCLS. Routine Analysis and collection, transportation and preservation of urine specimens: approved guideline GP16-A. Wayne: NCCLS, 1995
.
|
|