| |
Doel: Vaststellen van hypo- of hypernatriëmie.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Natrium kan vlamfotometrisch, of middels directe of indirecte ion-selectieve elektrodes gemeten worden. Belasting voor de patiënt Venapunctie, urineportie of 24-uurs urine. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Vindt de bepaling niet op dezelfde dag plaats, dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Stoorfactoren De meting van Na+ in serum gebeurt vlamfotometrisch (in sterk verdunde oplossing: indirecte meting) of met een ionselectieve elektrode, ISE (in verdunde oplossing: indirect of onverdund: directe meting). Uitslagen verkregen met een ionselectieve analyse in onverdunde oplossing meten de Na+-concentratie in serumwater (molaliteit: mmol/kg water), die gemiddeld 7% hoger ligt dan de concentratie in serum (molariteit: mmol/l serum, vlamfotometrisch of ISE in verdunde monsters). Hoewel de in onverdunde monsters (ionselectief) gemeten waarden eigenlijk een juiste afspiegeling zijn van de biologisch actieve Na+-fractie, wordt deze meestal gecorrigeerd naar de iets lagere 'vlamwaarden'. Bij meting in heparinebloed (-plasma) moet men in de afnamebuis Li-heparinaat gebruiken en geen Na-heparinaat.
Mogelijke toepassingen: De toepassing van de Na+ bepaling ligt in de detectie en follow-up van de volgende aandoeningen:
- bij storingen in de vloeistofbalans (na braken, diarree, zweten, brandwonden, bij polydipsie, na diuretica);
- bij hart-, nier- of leverinsufficiëntie (oedemen, oligurie, polyurie);
- bij vermoeden op endocrinologische storingen (hypothyroïdie, de ziekte van Addison, hyperaldosteronisme);
- bij bewustzijnsverlaging e.c.i.
Interpretatie: De gemiddelde dagelijkse voeding bevat 130-260 mmol (8-15 g) NaCl, dat bijna volledig in het maag-darmkanaal wordt geabsorbeerd. Daar de lichaamsbehoefte slechts 1-2 mmol per dag bedraagt en de rest door de nieren wordt uitgescheiden in de urine, vormen de nieren de regulator van de hoeveelheid Na+ in het lichaam. Na+ wordt volledig gefiltreerd door de glomerulus en daarna voor 85-95% geresorbeerd in de proximale tubulus en lis van Henle. Na+ is door zijn concentratie van ongeveer 140 mmol/l het belangrijkste kation in serum. Het belangrijkste anion is Cl-. Na+ en Cl- leveren de grootste bijdrage aan de osmolaliteit van serum, waarvan het referentiegebied tussen 275-290 mosmol/kg ligt. Na+ speelt een centrale rol bij het handhaven van de normale verdeling van water over de verschillende vloeistofcompartimenten in het lichaam. De osmolaliteit van serum volgt in de regel de Na+-concentratie. Een hoge concentratie ureum of glucose draagt echter ook bij tot een hoge osmolaliteit. Het handhaven van een normale Na+-concentratie in de extracellulaire vloeistof wordt bewerkstelligd door een samenspel van factoren:
- bij een hoge osmolaliteit (of een klein effectief circulerend volume) zal de secretie van ADH door de hypofyse-achterkwab stijgen, waardoor als gevolg van waterretentie de osmolaliteit en dus de Na+-concentratie zal dalen. Een hoge osmolaliteit zal ook de dorstprikkel stimuleren. Bij een lage osmolaliteit (of een groot effectief circulerend volume) heeft het omgekeerde proces plaats;
- in geval van hypotensie en/of hypovolemie zal de secretie van renine door de juxtaglomerulaire cellen in de nieren stijgen, angiotensine II wordt gevormd en de secretie van aldosteron door de bijnierschors wordt gestimuleerd. Hierdoor neemt de resorptie van Na+ in de corticale verzamelbuis toe, zodat de osmolaliteit toeneemt en daarmee het extracellulaire volume (zie a). Bij het bereiken van normotensie en normovolemie zal de secretie van renine afnemen;
- mogelijk speelt ook het atrium-natriuretisch peptide (ANP) een rol, doordat het een vermindering van de Na+-resorptie in de distale tubuli bewerkstelligt.
Hyponatriëmie (Na+ lager dan 135 mmol/l) is veelal het gevolg van een verminderde vrij-waterclearance door de lis van Henle of de distale tubulus. Hierdoor ontstaat depletie van het effectief circulerend volume of verminderde zoutresorptie door de nier. Onder het klinisch beeld van oedemen wordt hyponatriëmie aangetroffen bij diverse ziekten waarbij het effectief circulerend volume is verminderd, zoals rechtsdecompensatie, levercirrose of nefrotisch syndroom. Hyponatriëmie, eveneens door verlaging van het effectief circulerend volume maar met klinische verschijnselen van ondervulling (tachycardie, verminderde pulsaties van de vena jugularis etc.) wordt gezien na braken, diarree, bloedverlies, verbrandingen etc. Karakteristiek voor deze ziektebeelden is een Na+-concentratie in de urine van minder dan 10-15 mmol/l. Renaal Na+-verlies door het gebruik van diuretica, bij �??salt-losing�?? nefritis of aldosterongebrek (ook hier klinische symptomen van ondervulling) leidt tot hyponatriëmie, maar de Na+-concentratie in de urine is nu echter meer dan 15-20 mmol/l. Hyponatriëmie op basis van een inappropriate ADH-secretie (d.w.z. niet opgewekt door een stimulus van hyperosmolaliteit of hypovolemie: SIADH, syndrome of inappropriate ADH secretion) wordt gezien bij ectopische ADH-productie (zoals bij kleincellig bronchuscarcinoom), aandoeningen in de hersenen (ontstekingen, bloedingen), bij matige of ernstige hypothyroïdie of na geneesmiddelen (o.a. carbamazepine, amitriptyline, chloorpropamide). De Na+-concentratie in de urine is veelal boven 20 mmol/l. Correctie van de hyponatriëmie dient voorzichtig te geschieden, met minder dan 0,3-0,5 mmol/l per uur of 25 mmol/l over de eerste twee dagen. Een acute hyponatriëmie staat een agressievere correctie toe dan een chronische, waarbij vochtbeperking voldoende kan zijn. Streefwaarde is in eerste instantie 130 mmol/l. Hypernatriëmie (Na+ boven 150 mmol/l) komt minder frequent voor, vindt zijn oorzaak in waterverlies door zweten, verbrandingen, door verlies via de nier (diabetes insipidus: CDI, NDI) vooral gezien als begeleidend verschijnsel bij hypercalciëmie, bij lithiumintoxicatie en osmotische diurese bij ongecontroleerde diabetes mellitus, of bij het hogere osmoreceptorische prikkelniveau in de hypothalamus onder invloed van aldosteron. Sensitiviteit/Specificiteit Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van het type aandoening en de vastgestelde referentiewaarden.
Vergelijking andere methodes: Voor de diagnostiek van storingen in de vloeistofbalans kan de Na+ bepaling het beste gecombineerd worden met een K+ en osmolaliteit bepaling.
Referentiewaarden: Serum Na+: 135-145 mmol/l Urine Na+: 130-200 mmol/24 uur
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Gross P, Reimann D, Neidel J. The treatment of severe hyponatremia. Kidney Int Suppl 1998; 64: S6-S11
.
- Oh MS, Kim HJ, Carroll HJ. Recommendations for treatment of symptomatic hyponatremia. Nephron 1995; 70: 143-50
.
- Schrier RW, Briner VA. The differential diagnosis of hyponatremia. Hosp Pract Off Ed 1990; 25: 29-37
.
- Weisberg LS. Pseudohyponatremia: a reappraisal. Am J Med 1989; 86: 315-8
.
|
|