| |
Doel: - het vaststellen van intestinaal eiwitverlies in geval van
hypoalbuminemie
- het meten van ziekteactiviteit en respons op therapie bij patiënten
met ziekten waarbij intestinaal eiwitverlies kan optreden
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek
(identificatie, leeftijd, geslacht, etc.).
Beschrijving methodes: Analysemethoden De
immunochemische analysemethoden, die voor het aantonen van
α1-antitrypsine (α1AT) in feces worden gebruikt, moeten een groot
dynamisch bereik hebben. Enerzijds moet een α1AT
concentratie van 0,1- 2 mg/g feces aangetoond kunnen worden, maar anderzijds
moeten ook concentraties boven 250 mg/g feces gemeten kunnen worden. De
immunochemische methoden die worden gebruikt zijn:
- immunochemische methoden met een merker (radio-isotoop, enzym,
fluorochroom, chemiluminescentielabel), waarbij de mate waarmee de merker in
het immunochemisch complex wordt gebonden, een maat is voor de
concentratie;
- immunochemische methoden zonder merker (turbidimetrie,
nefelometrie), waarbij de hoeveelheid troebeling die ontstaat, een maat is voor
de concentratie.
De keuze uit deze methoden wordt beïnvloed door lokale
omstandigheden. De kwantitatieve immunochemische methoden zonder merker
(turbidimetrie) verdienen de voorkeur, omdat ze toepasbaar zijn op routine
analysers. Belasting voor de patiënt De belasting voor de patiënt varieert
met de wijze waarop de excretie van α1AT wordt
weergegeven:
- als 24-uurs klaring: verzameling 24-uurs feces en
venapunctie;
- als concentratie: verzameling fecesportie.
Materiaalafname/Fixatie De
excretie van α1AT kan op twee manieren worden
uitgedrukt:
- als 24-uursklaring (ml/24 uur). Hiertoe dient
α1AT te worden bepaald in de
verzamelde 24-uurs feces en in gelijktijdig afgenomen plasma;
- als concentratie (mg
α1AT/g gedroogde feces). Hiertoe
wordt
α1AT gemeten in een gedroogde
portie feces.
Stoorfactoren Diarree leidt tot
een verhoogde α1AT-klaring en voor patiënten met
diarree dienen dan ook andere referentiewaarden te worden aangehouden dan voor
patiënten zonder diarree. Diarree heeft geen invloed op de referentiewaarden
voor de concentratie, mits uitgedrukt in mg α1AT/g
gedroogde feces.
Mogelijke toepassingen:
- meten van intestinaal eiwitverlies in geval van
hypoalbuminemie
- meten van ziekteactiviteit en respons op therapie bij patiënten met
ziekten waarbij intestinaal eiwitverlies tot de symptomen behoort (o.a. M Crohn en colitis ulcerosa)
Interpretatie: Omdat α1AT resistent is tegen
proteolytische afbraak in het maag-darmkanaal, is de bepaling van
α1AT in feces geschikt om intestinaal eiwitverlies te
meten. De fecale excretie van α1AT kan worden
uitgedrukt als 24-uursklaring (ml/24 uur) en als concentratie in een
fecesportie (mg/g drooggewicht). Hoewel de 24-uursklaring hierbij als gouden
standaard wordt gebruikt, is de bepaling van α1AT in
een portie feces ook een redelijke maat gebleken voor intestinaal eiwitverlies.
Tevens geeft de α1AT concentratie in een fecesportie
een redelijke indruk van de intestinale activiteit bij patiënten met chronische
aspecifieke darmontstekingen. Een aantal aandoeningen van het
maag-darmkanaal kan leiden tot intestinaal eiwitverlies als gevolg van lekkage
vanuit ontstoken of abnormale darmmucosa of vanuit intestinale lymfvaten. Als
belangrijkste ziekten gelden M Crohn en colitis ulcerosa. Bij M Crohn kan de
α1AT-concentratie in feces meer dan honderdmaal
verhoogd zijn, afhankelijk van de activiteit en de omvang van de ontsteking. De
fecale α1AT-klaring is een goede maat gebleken voor
de ziekteactiviteit. Bij colitis ulcerosa daarentegen is er geen correlatie met
de ziekteactiviteit.1 Bij kinderen worden verhoogde
waarden gevonden bij chronische infectieuze diarree, in de helft van de
gevallen bij chronische niet-infectieuze diarree en normale waarden bij acute
diarree, chronisch of niet (bij een afkapgrens van 1,25 mg/g droge
feces).2 Sensitiviteit/Specificiteit Voor de diagnostiek van
intestinaal eiwitverlies is de α1AT-klaring een goede
marker gebleken met een sensitiviteit van 93% en een specificiteit van 90%
(vergeleken t.o.v. de Cr51-Chloride
test).3
Valkuilen: - Diarree leidt tot een verhoogde
α1AT-klaring en voor patiënten
met diarree worden dan ook andere referentiewaarden aangehouden dan voor
patiënten zonder diarree. Diarree heeft geen invloed op de referentiewaarden
voor de concentratie, mits uitgedrukt in mg
α1AT/g gedroogde feces.
- Indien patiënten bekend zijn met een partiële
α1AT-deficiëntie, verdient het
aanbeveling de 24-uursklaring te meten in plaats van de concentratie in een
portie. Zo is de
α1AT-concentratie in plasma
van personen met fenotype PiZZ 20% van de normale gemiddelde concentratie; voor
hen zijn de referentiewaarden, uitgedrukt in mg
α1AT/g feces, niet
bruikbaar.
Vergelijking andere methodes: Beeldvormende technieken geven over het
algemeen een gedetailleerd beeld van de lokalisatie, de omvang en de ernst van
afwijkingen die aanleiding zijn voor intestinaal eiwitverlies. Het nadeel van
deze technieken is dat ze duur zijn, soms invasief en voor een deel
stralingsexposie met zich mee brengen. Endoscopie wordt als gouden standaard
gezien, maar is als invasieve techniek minder geschikt voor screening en/of
ziektemonitoring. Testen die gepaard gaan met radioactieve labelling van serumeiwitten, gevolgd door fecal verlies van
radioactiviteit (o.a. Cr51-Chloride test). Dit zijn over het
algemeen betrouwbare methoden. De belangrijkste nadelen die aan deze methodes
kleven zijn: het gebruik van radioactief materiaal, de mogelijkheid van
fout-negatieve testuitslagen indien feces verloren gaat bij diarree of tijdens
urineren en tenslotte de belasting van 96 uur feces verzamelen. Bij de
α1AT-klaring zijn deze nadelen, afgezien van de
24-uurs verzameling van feces niet aanwezig. De correlatie tussen de
α1AT-klaring en Cr51-Chloride test is goed.
Referentiewaarden: De referentiewaarden voor de concentraties in een
portie zijn:
- verse feces: < 0,4 mg
α1AT/g;
- gedroogde feces: < 1,6 mg
α1AT/g.
Voor de 24-uursklaring van α1AT
zijn de referentiewaarden:
- personen zonder diarree: < 30 ml per
24 uur;
- personen met diarree: < 60 ml per 24
uur.
Deze waarden gelden voor
α1AT-concentraties gestandaardiseerd tegen het
IFCC-referentiepreparaat voor plasmaeiwitten (CRM 470). NB: de
24-uursklaring van α1AT wordt berekend
via:
1:  (één gram feces wordt gelijkgesteld aan 1 ml)
Tarief (excl. ordertarief): �?� 6,65
Literatuur: Referenties
- Becker K, Berger
M, Niederau C, et al. Individual fecal α1-antitrypsin
excretion reflects clinical activity in Crohn's disease but not in ulcerative
colitis. Hepatogastroenterology 1999; 46: 2309-14
.
- Lisowska-Myjak B, Pachecka
J, Sokrates O, et al. Fecal α1-antitrypsin excretion
in children with diarrhea. Scand J
Gastroenterol 1998; 33: 255-9
.
- Nuysink M, Tolboom
JJM, Meer K, et al. 'Protein-losing'-enteropathie op
de kinderleeftijd. Ned Tijdschr
Geneeskd 1996; 140: 1885-7
.
Achtergrondinformatie
- Brassitus TA, Bissonnette
BM. Protein-losing Gastroenteropathy. In: Feldman M, et al. (eds). Sleisenger & Fordtrans' Gastrointestinal and
liver disease. 7th
ed. Philadelphia: Saunders, 2002: 369-75
.
- Sluys Veer A van der, Biemond
I, Verspaget HW, et al. Faecal parameters in the
assessment of activity in inflammatory bowel
disease. Scand J
Gastroenterol 1999; 34 (Suppl
230): 106-10
.
|
|