| |
Doel: Het bepalen van de concentratie van trombocyten in bloed.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Trombocyten worden tegenwoordig vrijwel uitsluitend gemeten met geautomatiseerde telapparatuur. Het meetprincipe is impedantie (volumemeting), optisch (lichtverstrooiing) dan wel een combinatie van deze twee. Telling van trombocyten in een telkamer is obsoleet. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed in een buis met EDTA als anticoagulans. Stoorfactoren Bij ongeveer 0,1% van de populatie komen zonder voorafgaande immunisatie antistoffen voor, die in aanwezigheid van EDTA tot agglutinatie van trombocyten kunnen leiden. Deze zogenaamde EDTA-afhankelijke pseudotrombocytopenie is dus een in vitro artefact. Elk laboratorium moet dit fenomeen eigenlijk kunnen herkennen en maatregelen nemen, zodat de juiste trombocyten concentratie gerapporteerd wordt. Effectieve maatregelen zijn bloedafname in een ander anticoagulans dan EDTA en het toevoegen van een aminoglycoside, dat de agglutinatie weer ongedaan maakt. Sterk microcytaire erytrocyten, zoals die bij verschillende vormen van hemolyse kunnen voorkomen, kunnen een foutieve verhoging van de trombocyten veroorzaken. Hetzelfde geldt voor cytoplasma fragmenten van leukocyten bij bepaalde vormen van leukemie. Bij ziekten met abnormaal grote trombocyten (macrotrombocyten) wordt meestal een foutief verlaagde trombocyten concentratie gemeten. De immunologische methode (zie hieronder) biedt in al deze gevallen uitkomst.
Mogelijke toepassingen:
- oriënterend hematologisch onderzoek
- diagnostiek van bloedingsneiging
- stellen van indicatie en het controleren van transfusie met trombocyten
- verdenking op bloedziekten
- controle bij patiënten die heparine krijgen ter detectie van eventuele door heparine geïnduceerde trombocytopenie
(HIT)
Interpretatie: Trombocyten zijn de kleinste bloedcellen; het zijn kernloze fragmenten van het cytoplasma van uitgerijpte megakaryocyten. In rusttoestand zijn het platte schijfjes met een gemiddelde diameter van 3 mm en een dikte van bijna 1 μm; hun gemiddelde volume (�??mean platelet volume�??; MPV) bedraagt 6-9 fl. Trombocyten spelen een zeer voorname rol bij de bloedstelping en stolling. Direct na het optreden van een vaatwandbeschadiging zijn trombocyten betrokken bij de vorming van de hemostatische prop, die een eerste afdichting van de laesie verzorgt. Vervolgens leveren ze met hun membraan de fosfolipiden die noodzakelijk zijn voor het vormen van trombine, het centrale enzym in de bloedstolling, dat de vorming van het fibrinenetwerk verzorgt. Een afwijkende concentratie of functie van trombocyten geeft al snel aanleiding tot gestoorde bloedstolling. Trombocyten verhoogd: trombocytose komt voor bij infecties en ontstekingen, bij ijzergebrek en na splenectomie. Bijna altijd is de verhoging van de trombocytenconcentratie matig en waarden > 1000 x 109/l worden zelden gezien bij reactieve trombocytose. Zulke hoge waarden zijn meestal een uiting van een myeloproliferatief proces zoals polycytemie, essentiële trombocytemie of chronisch myeloïde leukemie. Indien de trombocyten normaal functioneren is een sterke trombocytose een risico voor het ontstaan van trombose; bij myeloproliferatieve ziekten bestaat echter vaak ook een trombocytopathie, waardoor ondanks de trombocytose eerder een bloedingsneiging optreedt. Trombocyten verlaagd: trombocytopenie komt voor indien de aanmaak verminderd is, het verbruik verhoogd of wanneer de trombocyten aan de circulatie onttrokken worden. Verminderde aanmaak is het gevolg van beenmerginsufficiëntie door cytostatica, bestraling, maligne bloedziekten of tumorinvasie van het beenmerg. Verhoogd verbruik treedt op bij diffuse intravasale stolling, bij idiopathische trombocytopenie, bij immuun-gemedieerde trombocytopenie en bij enkele zeldzamere ziekten zoals hemolytisch uremisch syndroom en trombotische trombocytopenische purpura. Bij ziekten die met vergrote milt gepaard gaan ontstaat de trombocytopenie doordat de trombocyten in de milt worden opgeslagen. Trombocytopenie gaat gepaard met verhoogde bloedingsneiging; waarden beneden circa 10x109/l zelfs met groot risico op ernstige (cerebrale) bloedingen. In zulke gevallen is het profylactisch toedienen van trombocyten transfusie geïndiceerd.
Vergelijking andere methodes: Over het algemeen zijn impedantiemethodes minder betrouwbaar bij lage concentraties trombocyten omdat hun specificiteit te wensen overlaat. Optische methoden hebben dit nadeel minder, maar ze zijn toch niet vrij van storingen in het zeer lage gebied. Beide methoden hebben te lijden van hoge analytische variatie in dit gebied. Flowcytometrie met directe immunofluorescentie is de referentiemethode van de toekomst. Door het gebruik van monoklonale antistoffen is deze techniek uiterst specifiek en zeer gevoelig. Concentraties rondom 1x109/l kunnen met grote betrouwbaarheid en precisie gemeten worden. Deze nieuwe methode is momenteel al beschikbaar in sommige apparatuur.
Referentiewaarden: Trombocyten: 150-400x109/l. De concentratie trombocyten is niet afhankelijk van geslacht of leeftijd.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Baglin TP. Heparin induced thrombocytopenia thrombosis (HIT/T) syndrome: diagnosis and treatment. J Clin Pathol 2001; 54: 272-4
.
- Blanchette V, Carcao M. Approach to the investigation and management of immune thrombocytopenic purpura in children. Semin Hematol 2000; 37: 299-314
.
- Cines DB, Konkle BA, Furlan M. Thrombotic thrombocytopenic purpura: a paradigm shift?. Thromb Haemost 2000; 84: 528-35
.
- Kunz D, Kunz WS, Scott CS, et al. Automated CD61 immunoplatelet analysis of thrombocytopenic samples. Br J Haematol 2001; 112: 584-92
.
- Manny N, Zelig O. Laboratory diagnosis of autoimmune cytopenias. Curr Opin Hematol 2000; 7: 414-9
.
- Roberts IA, Murray NA. Neonatal thrombocytopenia: new insights into pathogenesis and implications for clinical management.. Curr Opin Pediatr 2001; 13: 16-21
.
- Sakurai S, Shiojima I, Tanigawa T, et al. Aminoglycosides prevent and dissociate the aggregation of platelets in patients with EDTA-dependent pseudothrombocytopenia. Brit J Haematol 1997; 99: 817-23
.
- Tefferi A. Recent progress in the pathogenesis and management of essential thrombocythemia. Leuk Res 2001; 25: 369-77
.
- Vicari A, Banfi G, Bonini PA. EDTA-dependent pseudothrombocytopaenia: a 12-month epidemiological study. Scand J Clin Lab Invest 1988; 48: 537-42
.
|
|