Klinisch doel
Biomarkers bij mild traumatic brain injury (mTBI)
Bloed biomarkers worden in toenemende mate onderzocht als aanvullende tool in de acute evaluatie van patiënten met een mild traumatisch hersenletsel (GCS 13–15), met name op de SEH. Binnen ons ziekenhuis betreft dit een nieuwe toepassing, die momenteel klinisch wordt geëvalueerd. De potentiële klinische meerwaarde ligt vooral in triage en besluitvorming rond beeldvorming (CT-scan).
De momenteel best onderbouwde biomarkers zijn GFAP (glial fibrillary acidic protein) en UCH-L1 (ubiquitin C-terminal hydrolase-L1). GFAP is astrogliaal en relatief specifiek voor hersenweefsel, terwijl UCH-L1 neuronale schade weerspiegelt. Beide stijgen vroeg na trauma (UCH-L1 al binnen 1 uur, GFAP binnen enkele uren) en correleren met de ernst van letsel en CT-afwijkingen .
Doelgroep en gebruik
De biomarkers zijn bedoeld voor volwassen patiënten (≥18 jaar) met verdenking op mTBI binnen 12 uur na trauma. De test wordt gebruikt als aanvulling op klinische beoordeling (anamnese, neurologisch onderzoek, risicoregels) en niet als vervanging daarvan .
De belangrijkste klinische toepassing is het uitsluiten van intracraniële laesies en daarmee het reduceren van onnodige CT-scans. Een gecombineerde GFAP/UCH-L1-test heeft een hoge sensitiviteit (~97%) en zeer hoge negatieve voorspellende waarde (~99%), waardoor een negatieve uitslag sterke zekerheid geeft dat er geen CT-afwijkingen zijn .
Pediatrische populatie
Voor kinderen is de toepassing van biomarkers zoals GFAP en UCH-L1 momenteel nog beperkt. De beschikbare evidentie is hoofdzakelijk gebaseerd op volwassen populaties en er ontbreken robuuste data over diagnostische accuratesse, leeftijdsspecifieke referentiewaarden en optimale cut-offs bij pediatrische patiënten. Hierdoor is routinematig klinisch gebruik bij kinderen vooralsnog niet aanbevolen en blijft de beoordeling primair gebaseerd op klinische beslisregels (bijv. PECARN) en klinisch oordeel. Interpretatie van biomarkeruitslagen bij kinderen vereist bovendien voorzichtigheid vanwege mogelijke verschillen in biomarkerkinetiek en invloed van ontwikkelingsfactoren. Binnen het UMCG is de toepassing van deze biomarkers bij kinderen momenteel onderwerp van klinisch onderzoek.
Interpretatie
- Negatieve test (beide biomarkers onder cutoff): zeer lage kans op intracraniële laesie → CT vaak niet nodig, mits klinisch passend.
- Positieve test (≥1 biomarker verhoogd): verhoogde kans op intracraniële afwijking → verdere diagnostiek (meestal CT) geïndiceerd.
Belangrijk is dat de test vooral een “rule-out” instrument is; de specificiteit is beperkt (met name voor UCH-L1), waardoor een positieve test niet diagnostisch is voor structureel letsel .
Klinische impact en beperkingen
Implementatie kan leiden tot substantiële reductie van CT-gebruik (±40%), kortere SEH-verblijfsduur en minder stralingsbelasting . Biomarkers dienen echter altijd te worden geïnterpreteerd in klinische context (bijv. extracranieel letsel, timing, comorbiditeit).
Eerdere biomarkers zoals S100B hebben beperkingen door lagere specificiteit en beperkte toepasbaarheid in brede klinische settings .
Conclusie
GFAP en UCH-L1 vormen een veelbelovende aanvulling op de klinische besluitvorming bij mTBI, met name als triage-instrument om intracraniële letsels uit te sluiten en CT-gebruik te optimaliseren, maar vereisen zorgvuldige implementatie en lokale evaluatie.

Ref: Time Course and Diagnostic Accuracy of Glial and Neuronal Blood Biomarkers GFAP and UCH-L1 in a Large Cohort of Trauma Patients With and Without Mild Traumatic Brain Injury. Papa et al. JAMA Neurology May 2016 Volume 73, Number 5