Klinisch doel
Doel van het onderzoek is het aantonen, dan wel uitsluiten van de aanwezigheid van stoorfactoren in diverse immunoassays.
In humaan serum kunnen factoren voorkomen die kunnen storen in immunoassays. Deze stoorfactoren kunnen bestaan uit heterofiele antilichamen, HAMA’s (human anti mouse antibodies), antilichamen tegen ruthenium, antilichamen tegen biotine of biotine zelf. Heterofiele antilichamen zijn antilichamen welke een binding kunnen aangaan met dierlijke eiwitten, dus ook met antilichamen opgewekt in dieren, welke in immunoassays worden gebruikt voor de bepaling. HAMA’s zijn antilichamen welke kunnen onstaan bij patienten die behandeld worden of behandeld zijn geweest met zogenaamde biologicals. Biologicals zijn vaak gehumaniseerde monoclonale muizen antilichamen welke als therapie ingezet worden bij een verscheidenheid aan aandoeningen, waaronder verschillende vormen van kanker. HAMA’s zijn dan ook vaak gericht tegen muis-antilichamen. Ruthenium wordt in immunoassays van Roche gebruikt als label, maar mensen kunnen daar van nature in een enkel geval antichamen tegen hebben ontwikkeld. Ook deze anti-ruthenium antilichamen kunnen storen in van Ruthenium afhankelijke immunoassays. Hetzelfde geldt voor biotine, ook hiertegen kunnen antilichamen voorkomen. Net als biotine zelf kunnen deze antilichamen dus storen in immunoassays die biotine binding als tussenstap gebruiken. Al deze stoorfactoren kunnen dus in meer of mindere mate in daarvoor gevoelige immunoassays storen, afhankelijk van het type immunoassay kan dit leiden tot een fout verlaagd dan wel een fout verhoogde uitslag.