Klinisch doel:
Doel: Met deze immunofenotypering
worden circulerende B cel subsets geanalyseerd in volbloed d.m.v. multikleuren flowcytometrie. Op
basis hiervan kunnen afwijkingen in B cel subsets gedetecteerd worden. De
bepaling wordt tevens gebruikt voor classificatie van pati�nten met een antistofdeficientie (met name common
variable immune deficiencies).
De B cel subsets analyse kan inzicht geven in de oorzaak van
verminderende antistof productie.
Vereiste klinische informatie: Op het aanvraagformulier dient de standaardinformatie
(identificatie, geboortedatum, geslacht) te zijn
ingevuld. Daarnaast is vermelding van de
klinische verdenking/diagnose essentieel.
Achtergrond informatie:
De diagnose van antistofdefici�nties vindt in
eerste instantie plaats op grond van serum immuunglobuline
(Ig) concentraties en de absolute aantallen B cellen
in het bloed. Met behulp van analyse van de lymfocyten subsets in het bloed,
waarbij de absolute aantallen B-, T- en NK cellen worden bepaald kunnen immuundefici�nties
waarbij de T en/of B cellen sterk verlaagd of afwezig zijn (o.a. Severe Combined Immunodeficiency en X-linked agammaglobulinemie) worden gediagnostiseerd.
Echter, voor de diagnostiek en classificatie van pati�nten met een antistofdeficientie waarbij de absolute aantallen B cellen
niet verlaagd zijn is verdere analyse van B cel subsets van belang. Defecten in
verschillende stadia in het B cel maturatie en
differentiatie proces zijn beschreven. Deze defecten kunnen leiden tot
verlaging/afwezigheid van bepaalde B cel subsets en tot een verminderde
productie van antistoffen.
Met name bij pati�nten met een Common Variable ImmunoDeficiency (CVID) kan de B cel subset analyse inzicht
geven in de oorzaak van de verminderende antistofproductie. Van de pati�nten
met CVID heeft 90% normale aantallen B cellen, maar een groot deel van deze
pati�nten heeft wel afwijkende aantallen van ��n of meerdere B cel subsets. Aan
de hand van de flowcytometrische fenotypering van de
B cel subsets kunnen, op basis van de aantallen na�eve, marginale zone-like, transitionele en memory B cellen, verschillende immunologisch homogene
groepen binnen de CVID populatie ge�dentificeerd worden met ieder een eigen
onderliggende pathofysiologie.
Beschrijving methode:
De verschillende B cel subsets brengen
specifieke antigenen (CD-merkers) tot expressie op
het cel oppervlak. De subsets worden van elkaar onderscheiden op basis van
verschillen in expressie van eiwitmoleculen op het oppervlak, de zogenaamde CD-merkers. Met behulp van flowcytometrie wordt de
expressie van de CD-merkers gemeten door de cellen te
labellen met antilichamen, gekoppeld aan fluorochromen,
die gericht zijn tegen de verschillende CD-merkers.
Door middel van multikleuren flowcytometrie wordt de
expressie van 8 verschillende CD-merkers nauwkeurig
bepaald en worden de verschillende B cel subsets van elkaar onderscheiden (zie
onderstaande tabel).
B cel
subsets in perifeer bloed. B cellen zijn gedefinieerd als CD19+ cellen binnen CD45+
cellen.
|
B cel subsets
(binnen
de CD19+ B cellen)
|
Expressie van CD merkers
|
|
Transitionele B cellen
|
CD19+ CD27- IgD+ IgMhi
CD24hi CD38+
|
|
Na�eve mature B cellen
|
CD19+ CD27- IgD+ IgM+
|
|
Marginale zone-like/effector B cellen
|
CD19+ CD27+ IgD+ IgMhi
|
|
Memory B cellen (IgM-only +
class-switched)
|
CD19+ CD27+ IgD-
|
|
IgM-only
memory B cellen
|
CD19+ CD27+ IgD- IgM+
|
|
Class-switched memory B cellen
|
CD19+ CD27+ IgD- IgM-
|
|
CD27- memory B cellen
|
CD19+CD27-IgD-
|
|
Plasmablasten
|
CD19low CD27hi IgM- CD24- CD38hi
|
|
CD21low B cellen
|
CD19+CD21lowCD38-
|
-, geen expressie; +, expressie; low, lage
expressie; hi, sterke expressie; dim, intermediaire
expressie
Belasting voor de pati�nt:
Venapunctie.
Voorbereiding pati�nt:
Geen specifieke voorbereiding nodig.
Materiaalafname/Fixatie:
Afname van minimaal 1 ml bloed middels venapunctie in een EDTA buis. Het celmateriaal dient op
kamertemperatuur te worden bewaard en verstuurd (niet koelen!).
Mogelijke toepassingen:
Het uitvoeren van een B cel immunofenotypering
is zinvol:
- bij verdenking op B cel defici�nties
- voor classificatie van pati�nten met common variable immune deficiencies (CVID)
Interpretatie:
De
B cel subsets worden omgerekend in absolute aantallen (aantal cellen per
microliter bloed). De resultaten worden vervolgens beoordeeld door een
medisch immunoloog aan de hand van de in het laboratorium beschikbare referentiewaarden.
Een
recente publicatie laat zien dat vijf verschillende B cel patronen worden
ge�dentificeerd op basis van afwijkingen in de B cel subsets in een groep van
37 CVID pati�nten (Driessen et al. Blood (2011) 118:
6814-23). Ieder B cel patroon omvat een immunologisch homogene groep pati�nten
met mogelijk een eigen onderliggende pathofysiologie.
De CVID pati�nten worden na analyse van de B cel subsets geclassificeerd
volgens de hieronder beschreven 5 B cel patronen:
Patroon 1: 22% (8/37) van de pati�nten hebben
verlaagde aantallen transitionele en memory B cellen, mogelijk veroorzaakt door een defect in de
B cel productie vanuit het beenmerg .
Patroon 2: 11% (4/37) pati�nten hebben
verlaagde aantallen na�eve mature, marginale zone-like en memory B cellen,
mogelijk veroorzaakt door een defect in de vroege fase van de perifere B cel
ontwikkeling, waardoor B cel maturatie en overleving
na het transitionele B cel stadium geblokkeerd is.
Patroon 3: 32% (12/37) van de pati�nten
hebben verlaagde aantallen marginale zone-like B en memory B cellen, mogelijk veroorzaakt door een defect in de
(antigeen-gemedieerde) B cel activatie en
proliferatie.
Patroon 4: 19% (7/37) van de pati�nten hebben
alleen een verlaagd aantal memory B cellen, mogelijk
veroorzaakt door een germinal center defect.
Patroon 5: Bij 16% (6/37) van de pati�nten
zijn er geen afwijkingen in de absolute aantallen van de B cel subsets
zichtbaar en wordt de verlaagde antistof productie waarschijnlijk niet
veroorzaakt door een defect in de B cel differentiatie, maar door een defect in
de plasmacellen.
Correlatie met klinische complicaties:
Vanwege het gelimiteerde
aantal pati�nten in bovengenoemde studie kunnen er (nog) geen harde conclusies
getrokken worden over de associatie van de verschillende B cel patronen met
klinische complicaties. Een verhoogd aantal CD21low B cellen was echter
geassocieerd met auto-immuniteit. Verder kwam splenomegalie
met name voor bij pati�nten met verlaagde aantallen transitionele
B cellen (B cel patroon 1).
B cel patronen 1 en 2
waren sterk geassocieerd met verminderde aantallen na�eve CD4+ T cellen, wat
erop duidt dat er in deze twee groepen naast een defect in de B cellen ook
sprake is van een T cel defect.
Vergelijking andere methodes:
De uitkomsten van de B cel subset bepaling dienen
altijd te worden ge�nterpreteerd in samenhang met de uitkomsten van de
lymfocyten subset analyse en de klinische gegevens.
Literatuur:
-
Driessen et. al. B-cell replication history and
somatic hypermutation status identify distinct pathophysiologic backgrounds in common variable
immunodeficiency. Blood (2011) 118(26):6814-23
-
Schatorje et. al. Age-matched reference value for B-lymphocyte
subpopulations and CVID classifications in children. Scandinavian Journal of
Immunology (2011) 74:502-10
-
Driessen et al. Primary antibody deficiencies. Eur J Pediatr (2011) 170: 693-702
-
Wehr
et. al. The EUROclass trial: defining subgroups in
common variable immunodeficiency. Blood (2008) 111: 77-85
-
Warnatz et. al. Flowcytometric phenotyping of common variable immunodeficiency. Clinical Cytometry Society (2008) 74B: 261-71
Model
van de pathofysiologische mechanismen achter de afwijkingen
in B cel ontwikkeling in CVID pati�nten ingedeeld in 5 verschillende B cel
patronen.
A) Normale perifere B cel ontwikkeling. B-F) abnormale perifere B cel
ontwikkeling ingedeeld in �5
verschillende B cel patronen.��� ������
����� verminderde subset grootte;� ���������verhoogde proliferatie;���� een veronderstelde blok in de B cel
ontwikkeling;����������� verminderde
proliferatie.