| |
Doel: Onderzoek van de intrinsieke en gemeenschappelijke routes van het
stollingssysteem.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek
(o.a. identificatie, leeftijd, geslacht). Bij andere indicaties dan controle
van heparine therapie bovendien klinische gegevens en stollingsanamnese.
Beschrijving methodes: De Activated partial thromboplastin time (APTT) wordt vrijwel
altijd gemeten met een stollingsmethode. Citraatplasma wordt gemengd met een
reagens, waarin fosfolipiden en een activator zoals algininezuur of kaoline
aanwezig zijn. Het mengsel wordt geïncubeerd, waarbij activering van het eerste
gedeelte van de intrinsieke stolroute plaatsvindt. Het contactsysteem activeert
de factoren XII, XI, en IX. Wanneer vervolgens calciumchloride wordt toegevoegd
leidt dit via activering van factoren VIII, X, V en II uiteindelijk tot vorming
van trombine. Dit enzym zorgt voor de omzetting van fibrinogeen in onoplosbaar
fibrine. De tijd die nodig is om fibrine te vormen wordt
gemeten. In de oudere literatuur en handboeken wordt soms nog wel
de verwarrende naam PTT (partial thromboplastin time) gebruikt. Ook de term
cefalinetijd komt nog geregeld
voor. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen
specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag
plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van
bloed middels venapunctie met zo weinig mogelijk stuwing in kunststof of
gesiliconeerde glazen buizen. Een buis voor stollingsonderzoek dient altijd te
worden afgenomen vóór buizen met heparine als anticoagulans. Scheiding van
plasma vindt door middel van centrifugeren plaats. De bepaling dient binnen
enkele uren na afname te gebeuren; het plasma wordt dan bij kamertemperatuur
bewaard. Vindt de bepaling later plaats dan dient het monster snel ingevroren
en diepgevroren, liefst bij �??70°C, bewaard te
worden. Stoorfactoren De APTT is zeer
gevoelig voor heparine. Zelf spoortjes heparine uit een intraveneuze lijn of
uit een voorafgaande bloedafnamebuis kunnen de APTT verlengen. Afbraakproducten
van fibrine en fibrinogeen verlengen de APTT ook, evenals lupus anticoagulans
(zie aldaar) en andere circulerende anticoagulantia. Te veel stuwen
of onvoldoende menging met citraat tijdens de bloedafname kan leiden tot
foutief verkorte APTT waarden.
Mogelijke toepassingen:
- controleren van therapie met ongefractioneerde heparine
- als onderdeel van oriënterend onderzoek bij verdenking op
bloedingsneiging
- als onderdeel van onderzoek ter voorbereiding van blinde
biopsie
Interpretatie: Verlengde APTT
- Tekort aan één of meer stollingsfactoren door erfelijke deficiëntie
van factor VIII (hemofilie A), factor IX (hemofilie B) of andere factoren. De
meeste deficiënties gaan gepaard met verhoogde bloedingsneiging. Deficiënties
van factor XII, prekallikreïne of hoogmoleculair kininogeen verlengen de APTT
sterk, maar veroorzaken geen bloedingsneiging. Aangezien de APTT de functionele
activiteit van de stollingsfactoren meet worden zowel kwantitatieve als
kwalitatieve deficiënties gedetecteerd.
- Tekort aan stollingsfactoren door verminderde aanmaak bij ernstig
leverlijden.
- Functioneel tekort aan vitamine K afhankelijke factoren II, IX en X
bij vitamine K deficiëntie of gebruik van orale anticoagulantia (coumarinederivaten, die werken als vitamine K antagonisten).
- Tekort aan stollingsfactoren door verhoogd verbruik, zoals bij
diffuse intravasale stolling of door verlies bij nefrotisch syndroom.
- Tekort aan factoren door proteolytische afbraak van fibrinogeen,
factor V en VIII bij primaire fibrinolyse en fibrinolytische therapie
(streptokinase, tPA).
- Remming van het stollingsproces door direct werkende
anticoagulantia. Heparine remt de geactiveerde factoren X en II met behulp van
antitrombine (zie aldaar). De behandeling met ongefractioneerde heparine wordt
gecontroleerd met de APTT, waarbij gestreefd wordt naar een waarde die meestal
circa 2 maal de uitgangswaarde bedraagt.
- Remming door pathologische inhibitoren zoals lupus anticoagulans
(zie aldaar). Dit zijn antistoffen tegen fosfolipidencomplexen, die de stolling
in vitro remmen, maar die in vivo juist met trombose geassocieerd zijn.
Verkorte APTT
- Sterke verhoging van één of meer stollingsfactoren. Een flinke
toename in de factor VIII activiteit door bijvoorbeeld stress kan de APTT licht
verkorten.
- Activering van het stollingssysteem in de eerste fase van diffuse
intravasale stolling.
- Tijdens zwangerschap, door verhoogd factor VIII en
fibrinogeen.
Valkuilen: De APTT wordt, evenals andere stollingsbepalingen,
gemakkelijk gestoord door onjuiste bloedafname. Zie verder Stoorfactoren
hierboven.
Referentiewaarden: Ieder laboratorium heeft zijn eigen
referentiewaarden. Meestal bedraagt deze 30-40 seconden, maar er komen grote
variaties voor, omdat de waarden afhankelijk zijn van de gebruikte methode. Bij
gezonde kinderen worden langere APTT's gevonden dan bij volwassenen.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 2,77
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Akkerman JWN, Harthoorn-Lasthuizen
EJ, Hoffmann JJML. Laboratoriumdiagnostiek van
hemostase en trombose. Ned Tijdsch Klin
Chem 1998; 23: 55-7
.
- Gallistl S, Muntean
W, Leschnik B, et al. Longer APTT values in healthy
children than in adults: no single cause. Thromb
Res 1997; 88: 355-9
.
- Manzato F, Mengoni
A, Grilenzoni A, et al. Evaluation of the activated
partial thromboplastin time (APTT) sensitivity to heparin using five commercial
reagents: implications for therapeutic
monitoring. Clin Chem Lab
Med 1998; 36: 975-80
.
- Poller L. Activated partial
thromboplastin time (APTT). In: Jespersen
J, et al. (eds). Laboratory techniques in thrombosis - a
manual. 2nd rev.
ed. Dordrecht: Kluwer, 1999: 37-44
.
- Siegel JE, Bernard
DW, Swami VK, et al. Monitoring heparin therapy: APTT
results from partial- versus full-draw tubes. Am J
Clin
Pathol 1998; 110: 184-7
.
- Velde EA van der, Poller
L. The APTT monitoring of heparin-the ISTH/ICSH
collaborative study. Thromb
Haemost 1995; 73: 73-81
.
|
|