| |
Doel: Bepalen van hyper-/hypofosfatemie en van hyper-/hypofosfaturie.
Vereiste klinische informatie: Standaard informatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: De meest gebruikte methode voor de bepaling van anorganisch fosfaat is gebaseerd op de reactie van fosfaat ionen met ammonium molybdaat waarbij een fosfomolybdaat complex wordt gevormd. Het kleurloos molybdaatcomplex wordt of direct spectrofotometrisch gemeten bij 340 nm of na reductie tot molybdeen blauw bij 580 nm. Belasting voor de patiënt Venapunctie, urineverzameling. Voorbereiding patiënt Voor de fosfaatbepaling dient bloed idealiter nuchter te worden afgenomen. Dit omdat voeding invloed heeft op het fosfaatgehalte en het feit dat serum een diurnale variatie van fosfaat kent met laagste waarden in de ochtend en hoogste waarden gedurende de nacht. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie. Serum of heparine plasma buizen zijn hiervoor te gebruiken. Bloed moet binnen 2 uur in serum/plasma en bloedkoek worden gescheiden (vrijkomen van fosfaat uit erytrocyten). Monsters kunnen een week bij 4°C worden bewaard. Stoorfactoren De serum fosfaatconcentratie kan tot 0,1 mmol/l hoger zijn dan in plasma. Hemolytische monsters zijn niet geschikt omdat fosfaat afgesplitst wordt van organische fosfaatesters die in het serum of plasma vrijkomen. Naast hemolyse kunnen hyperbilirubinemie, hyperlipidemie en hoge concentraties van immunoglobulinen de bepaling verstoren (methode- en apparaatafhankelijk).
Mogelijke toepassingen:
- verdenking op hypercalciëmie of hypocalciëmie als gevolg van hyperparathyroïdie, maligniteit, vitamine D-overdoses of door andere oorzaken
- bij acuut of chronisch nierlijden of nierstenen
- verdenking op malabsorptie (vitamine D-gebrek)
- in een periode waarin alleen parenterale voeding mogelijk is (fosfaattekort)
- bij sterke ontregeling van het zuur-base-evenwicht
Interpretatie: Fosfaat is intracellulair voornamelijk als organisch fosfaat (fosfolipide, fosfoproteïne) aanwezig. Organisch fosfaat is het voornaamste intracellulaire anion (op 200mmol/l totale anionconcentratie: 40 mmol/l anorganische fosfaat en 90 mmol/l organisch fosfaat). Extracellulair bestaat het fosfaat echter voor 85% uit anorganisch fosfaat (HPO4--/H2PO4- -ratio circa 4). In normale omstandigheden wordt 25-35 mmol anorganisch fosfaat per dag via de darmen opgenomen, vooral gereguleerd door 1,25.(OH)2D3) en volledig renaal uitgescheiden. Vanuit het glomerulair filtraat wordt in de proximale tubulus 80-95% fosfaat geresorbeerd; 1,25.(OH)2D3 en groeihormoon stimuleren en PTH vermindert deze resorptie. Naast aanpassing van opname en excretie is ook de afgifte vanuit en de opslag in de botten van groot belang voor de fosfaathomeostase; dit proces wordt vooral door PTH gestuurd via vermindering van de terugresorptie van fosfaat door de nier. Hoge concentraties van fosfaat en Ca++ beïnvloeden elkaar via het oplosbaarheidsproduct van calciumfosfaat. Glucoseopname door de cel gaat samen met fosfaat en K+-opname. Bij een lage fosfaatconcentratie wordt de 1,25.(OH)2D3-productie verhoogd, waardoor de calciumfosfaatopname stijgt. Een stijgende Ca++-concentratie doet PTH dalen, waardoor ook de fosfaatexcretie daalt. Bij een hoge fosfaatconcentratie vindt opslag van calciumfosfaat in bot plaats en daalt de Ca++. Hierdoor stijgt de PTH en wordt de fosfaatexcretie weer verhoogd. Hyperfosfatemie (fosfaat hoger dan 1,6 mmol/l) komt voor bij 1,5% van de ziekenhuispatiënten. Minder frequente oorzaken zijn vitamine D-overmaat, herstel van botbreuk, bij hypoparathyroïdie (Ca++ laag), bij botmetastases (Ca++ hoog) en na dialyse. Verder gaat hyperfosfatemie samen met acromegalie (Ca++ normaal), met diabetische ketose, weefselafbraak (hemolyse, tumorlysis en rhabdomyolysis) en met lactaatacidose. Bij chronische nierinsufficiëntie (90% van de patiënten met verhoogd fosfaat) leidt verlaging van de GFR tot hyperfosfatemie en hypocalciëmie, welke door een secundaire hyperparathyroïdie worden gecorrigeerd. Bij GFR < ca. 20 ml/min. ontstaat een persisterende hyperfosfatemie met het gevaar van CaHPO4-neerslag in bindweefsels, hart (aritmie!), bloedvaten etc. Bij neonaten kan hyperfosfatemie worden veroorzaakt door onbehandelde koemelk (hoog fosfaatgehalte). Hypofosfatemie wordt veroorzaakt door fosfaatgebrek in voedsel (parenterale voeding), malabsorptie, tijdens insulinetherapie van een diabetische ketose, door groeihormoongebrek bij kinderen, hyperparathyroïdie, vitamine D-gebrek (vetdiarree, rachitis). Verder komt hypofosfatemie voor bij proximaal tubulusdefect zoals renale tubulaire acidose (fosfaatlek), bij gebruik van antacida en diuretica en na een ernstige zonnesteek. Dit defect kan erfelijk of symptomatisch zijn, bijvoorbeeld bij andere nierziekten zoals pyelonefritis. De fosfaatexcretie in urine is moeilijk te interpreteren en varieert sterk, afhankelijk van het dieet, de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) en de tubulaire fosfaatterugresorptie (TRP); met de creatinineklaring is de fosfaatexcretie wèl te beschrijven. In grote lijnen gaat hyperfosfaturie samen met sterk verhoogde opname of verhoogde excretie door de nieren (zie eerder); voor hypofosfaturie geldt het omgekeerde.
Referentiewaarden: Tabel 1: Referentiewaarden van anorganisch fosfaat in serum en urine, verdeeld naar leeftijd
|
leeftijd
|
referentiewaarde
|
serum
|
�?� 17 jaar
|
0,9-1,5 mmol/l
|
|
kinderen
|
1,1-1,8 mmol/l
|
|
neonaten (1e week)
|
1,3-2,7 mmol/l
|
urine
|
alle leeftijden
|
10-40 mmol/24 uur
|
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Bourke E, Yanagawa N. Assesment of hyperphosphatemia and hypophosphatemia. Clin Lab Med 1993; 13: 183-207
.
- Crook M, Swaminathan R. Disorders of plasma phosphate and indications for its measurements. Ann Clin Biochem 1996; 33: 376-96
.
- Thatte L, Oster JR, Singer I, et al. Review of the literature: severe hyperphosphatemia. Am J Med Sci 1995; 310: 167-74
.
- Phosphate. In: Thomas L (ed.). Clinical laboratory diagnostics - use and assessment of clinical laboratory results. Frankfurt/Main: TH-Books-Verl.-Ges, 1998: 241-7
.
- Weisinger JR, Bellorín-Font E. Magnesium and phosphorus. Lancet 1998; 352: 391-6
.
|
|