| |
Doel: Bepaling van albumine in serum.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek
(identificatie, leeftijd, geslacht, etc.) en liggende of niet liggende
patiënt.
Beschrijving methodes: Analysemethodes De meeste
klinische chemische laboratoria gebruiken geautomatiseerde
kleurstof-bindingsmethodes. Voor de kwantificering wordt gebruik gemaakt van
het feit dat de kleur van de kleurstof verandert door binding aan het albumine.
De mate van kleurverandering is gerelateerd aan de albumine concentratie.
Kleurstoffen die gebruikt worden hebben een veel hogere affiniteit voor
albumine dan voor andere serum eiwitten (ze zijn dus niet specifiek voor
albumine). Typische voorbeelden zijn broomcresolgroen en
broomcresolpurper. Albumine kan ook immunochemisch worden gemeten.
Multivalente anti-albumine antilichamen worden daarbij gebruikt, waardoor
netwerkverbindingen met albumine ontstaan die zich macroscopisch als troebeling
manifesteren. Deze troebeling, die afhankelijk is van de albumine concentratie,
wordt vervolgens
gekwantificeerd. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen
specifieke voorbereiding nodig; afname kan op elk moment. Wel is het van belang
onderscheid te maken tussen liggende en staande patiënten (zie
Referentiewaarden). Materiaalafname/Fixatie Afname
van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels
centrifugeren. Indien bepaling dezelfde dag plaatsvindt bewaren bij
kamertemparatuur. Vindt bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster
gekoeld te worden
bewaard. Stoorfactoren De gekozen
methode (broomcresolgroen, broomcresolpurper, immunologische bepalingen) en
gebruikte standaarden kunnen de oorzaak zijn van onderlinge verschillen. Vrij
hemoglobine en bilirubine storen de bepalingen slechts bij hoge
concentraties.
Mogelijke toepassingen:
- vermoeden van albuminetekort (leverziekten, eiwitverlies,
eiwittekort, genetisch)
- controle op albuminesuppletie
- interpretatie van de vrije calciumspiegel en de directe bilirubine
(zie Calcium en Bilirubine)
- dehydratie of overhydratie
- bepaling serum-acites albumine gradiënt (SAAG)
Interpretatie: Albumine (molecuulgewicht 65.000 D) is een belangrijk
reserve-eiwit en een transportmiddel voor o.a. calcium, 'indirect' bilirubine,
vetzuren, geneesmiddelen en hormonen. De colloïd-osmotische druk wordt voor 80%
opgebouwd door het in het plasma aanwezige albumine. Er bestaan meer dan
twintig structuurvarianten. Het elektroforetisch beeld van serumeiwitten van
heterozygoten kan bisalbuminemie vertonen. Albumine is (net als pre-albumine en
transferrine) een negatieve acute fase eiwit, waarbij de synthese wordt
verminderd ten gunste van (de meeste) andere eiwitten. Van alle plasma-eiwitten
hebben albumine en IgG de langste halfwaardetijd: ongeveer 20 dagen. Dit
betekent dat veranderingen in de concentratie in plasma relatief traag
verlopen; frequent monitoren heeft daarbij geen zin behalve wanneer snelle
veranderingen zijn te verwachten, zoals bij toediening van albumine of
vocht. Het albuminegehalte wordt vaak meer door
verdelingsveranderingen beïnvloed dan door
syntheseveranderingen. Hypoalbuminemie wordt veroorzaakt door een
verlaagde aanmaak (normaal 10-18 g/24 uur bij volwassenen), door een verhoogde
afbraak (normale halfwaardetijd in plasma circa twintig dagen), door een
verhoogd verlies via nier of dunne darm, of door combinaties van deze
drie. Verlaagde synthese komt voor bij sterke ondervoeding,
malabsorptie, aminozuurdeficiëntie, levercirrose en hepatocytvergiftiging
(alcohol, tetra, etc.), carcinomen en hypothyroïdie. Ook analbuminemie kan
voorkomen (albumine < 0,5 g/ l). Een verhoogde afbraak komt voor
bij hyperthyroïdie, het syndroom van Cushing en bij maligniteiten (o.a.
myeloom). Een verhoogd verlies komt voor bij het nefrotisch
syndroom (bij verlies van 10-30 g/24 uur daalt het albumine tot 15-20 g/l
ondanks een toegenomen synthese), bij gastro-enteropathieën zoals colitis
ulcerosa, bij verlies van lichaamsvocht (exsudaten) en bij ernstige
brandwonden. Schijnbare hypoalbuminemie komt ook voor bij een afwijkende
waterbalans, bv. overmatige vochtinname, SIADH (�??syndrome of inappropriate ADH
secretion�??), hartfalen en hemodilutie bij operatie. Bij acute en chronische
infecties kunnen albumineconcentraties van 32-42 g/l worden gezien. Bij
leverziekten en hartzwakte treden vaak albumineconcentraties op van 23-32 g/l.
Bij albumineconcentraties lager dan 20-25 g/l treedt oedeemvorming op, maar de
relatie tussen de twee is zwak. Een serum-ascites albumine gradiënt (SAAG) gelijk of groter dan 11 g/l wijst op portale hypertensie. Een verhoogde albuminesynthese kan
indirect worden aangetoond door een hoge waarde in serum van cholinesterase,
waarvan de synthese parallel loopt aan die van albumine. Vanwege de
complexiteit van factoren die de albumineconcentratie bepalen, is de klinische
interpretatie soms moeilijk. Een geïsoleerde hyperalbuminemie bestaat niet; bij
een acuut tekort aan plasmawater zullen alle eiwitten in plasma zijn
toegenomen, waaronder albumine. Al snel wordt op basis van het verschil in
osmotische druk de albumine concentratie door verandering in synthese snelheid
en verschuiving van intra- naar extracellulair, aangepast. Derhalve heeft het
vinden van een verhoogde albumine concentratie geen klinische
consequenties. Bij een aantal aandoeningen is het albuminegehalte
een sterke prognostische factor: hoe lager het albumine, hoe slechter de
prognose. Bij correctie van de colloïd-osmotische druk veroorzaakt
door een verlaagd albumine is toediening van dextranen veelal kosteneffectiever
dan het gebruik van albumine. Bij hypoalbuminemie zij men bedacht
op overdosering van sterk door albumine gebonden geneesmiddelen, zoals
fenytoïne en valproïnezuur. Bij nierinsufficiëntie kan daarnaast ook het
bindingsvermogen van albumine veranderen, zoals voor fenytoïne en
salicylzuur.
Valkuilen: De kleurstofbindingsmethodes
kunnen foute uitslagen geven wanneer het overall serum eiwit patroon is
gewijzigd (bv. bij leverziekten).
Vergelijking andere methodes: In geval van hypoalbuminemie door eiwitverlies via de
nieren kan dit worden gekwantificeerd door de bepaling van albumine in 24-uurs
urine. Bij de beoordeling van dehydratie of overhydratie kan een aanvullende
Hb- of natriumbepaling van nut zijn.
Referentiewaarden: Bij volwassenen: 35-55 g/l. Bij liggende
patiënten: circa 6 g/l lager (na 30 minuten). Bij pilgebruik, bij
zwangeren (2e en 3e trimester) en kraamvrouwen (tot 3 maanden na de bevalling):
verlaagde waarden. Bij oudere patiënten (> 70 jaar): circa 20%
verlaging.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Johnson AM, Rohlfs
EM, Silverman LM. Proteins. In: Burtis CA, Ashwood
ER (eds). Tietz textbook of clinical
chemistry. 3rd
ed. Philadelphia: Saunders, 1999: 482-5
.
- Kamp GJ van, Harff
GA. Albuminebepaling in serum, een
methodesvergelijk. Tijdschr
NVKC 1980; 5: 19-20
.
- Mabuchi H, Nakahashi
H. Underestimation of serum albumin by the bromcresol
purple method and a major endogenous ligand in
uremia. Clin Chim
Acta 1987; 167: 89-96
.
|
|