| |
Doel: Bepaling van follikelstimulerend hormoon (FSH) en luteïniserend hormoon (LH), basaal dan wel na stimulering met LHRH, dient ter evaluatie van het functioneren van de hypothalamus-hypofyse-gonaden as.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: LH en FSH worden thans in het algemeen bepaald met behulp van sandwich immunoassays. Hierbij bindt het hormoon in het serummonster zich in eerste instantie aan een geïmmobiliseerd monoklonaal antilichaam, waarna zich een tweede antilichaam, dat gericht is tegen een ander deel van het hormoon, aan het complex gebonden wordt. Dit tweede antilichaam is voorzien van een merker (chemoluminescentie, enzym, radioactiviteit), waardoor de hoeveelheid van dit antilichaam, die in het complex is opgenomen, kan worden gedetecteerd. De hoeveelheid gebonden merker is dus een maat voor de hoeveelheid aanwezig hormoon, die wordt bepaald door aflezen tegen een kalibrator; hiervoor worden de door de WHO vastgestelde referentiepreparaten voor LH (2nd IS 80/552) en FSH (2nd IRP 78/549) gebruikt. Doordat de specificiteit van gebruikte antilichamen voor de verschillende vormen van LH en FSH verschillend kan zijn, kunnen referentiewaarden per methode en per laboratorium verschillen. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding. Omdat bij vrouwen de serum-concentraties van LH en FSH variëren met de cyclusdag, is het voor de interpretatie van de uitslag van belang de cyclusdag te kennen. LH, en in mindere mate FSH, worden pulsatiel door de hypofyse afgegeven, maar er is bij volwassenen geen duidelijk dagritme; in principe kan afname op ieder moment van de dag plaatsvinden. Bij kinderen in het begin van de puberteit worden de gonadotrofinen vooral 's nachts afgegeven, zodat de spiegels in de ochtend hoger zijn dan in de middag. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed via venapunctie; scheiding van serum middels centrifugeren. Als de bepaling nog dezelfde dag wordt uitgevoerd, kan het monster op kamertemperatuur worden bewaard; wanneer de bepaling niet op dezelfde dag plaatsvindt wordt het op -20°C bewaard. Verzending van materiaal vindt in ingevroren toestand plaats.
Mogelijke toepassingen: Resultaten van bepalingen van LH en FSH kunnen worden toegepast bij verdenking op een te lage of te hoge productie van deze hormonen:
- bij onderzoek naar mannelijke infertiliteit of vrouwelijke infertiliteit
- bij differentiatie tussen verschillende types amenorroe (FSH)
- bij vaststellen van menopauze
- bij vaststellen van puberteitsstoornissen
- bij onderzoek naar de aanwezigheid van gonadotrofinen-producerende hypofyseadenomen (hypersecretie) of andere hypofyseadenomen (hyposecretie)
- bij mannen en vrouwen met onvoldoende gonadenfunctie
- bij patiënten met gonadale tumoren
Interpretatie: Primaire gonadendeficiëntie bij mannen: bij primaire gonadendeficiëntie zijn de spiegels van LH en/of FSH verhoogd, afhankelijk van het compartiment van de testis dat is aangetast. Wanneer de productie van testosteron in de testiculaire Leydig cellen normaal is, maar de spermatogenese niet functioneert, treedt een monotrope stijging van het FSH op (d.w.z. een stijging van de FSH spiegel bij gelijkblijvend LH), secundair aan een verminderde testiculaire secretie van inhibine B.1 Een defectieve functie van de Leydig cel leidt tot verminderde productie van testosteron, en daardoor tot verhoogde LH spiegels. Tevens zal de spermatogenese bij verlaagde testosteronproductie zijn aangetast, waardoor ook de spiegels van FSH toenemen. Primaire gonadendeficiëntie bij vrouwen: bij vrouwen leidt primaire gonadendeficiëntie tot verhoogde afgifte van LH en FSH. Dit wordt het best gedemonstreerd door het verloop van de spiegels van deze hormonen in de aanloop tot de menopauze, waarin in eerste instantie alleen de FSH spiegels stijgen door een verminderde productie van inhibine A en B door de granulosa cellen van de zich ontwikkelende ovariële follikels. Pas daarna treedt ook een stijging op van de concentraties van LH. Ten tijde van en na de menopauze zijn zowel FSH en LH verhoogd.2 Secundaire gonadendeficiëntie: secundaire gonadendeficiëntie kan op de volgende wijzen tot stand komen:
- onvoldoende stimulatie van de gonadotrofe cellen in de hypofyse door �??gonadotrophin releasing hormone�?? (GnRH). Dit is het geval bij het syndroom van Kallmann, bij idiopathisch vertraagde puberteit en wanneer de circulatie in het gebied van de hypofysesteel wordt onderbroken;
- druk op de gonadotrofe cellen van de hypofyse, doordat zich een hypofyseadenoom ontwikkelt, dat een ander hormoon produceert.
Evaluatie van amenorroe: hiervoor raadplege men de sectie �??klinische probleemstellingen�??. Bij toepassing van het aldaar genoemde algoritme bedenke men dat referentiewaarden, en daarmee de in het algoritme genoemde beslisgrenzen methoden- en laboratoriumafhankelijk zijn. Suppressie van LH en FSH bij overproductie van geslachtshormonen: overproductie van geslachtshormonen leidt tot suppressie van de serumconcentraties van LH en FSH:
- geslachtssteroïd-producerende tumoren van testes, ovaria en bijnieren supprimeren primair de productie van LH, maar beïnvloeden ook de secretie van GnRH, en daardoor ook die van FSH;
- inhibine-producerende granulosa cel tumoren leiden tot monotrope suppressie van FSH;
- hCG producerende (kiemcel)tumoren leiden bij mannen tot niet-LH afhankelijke testosteronproductie, die de hypofysaire secretie van LH en FSH remt;
- gebruik van orale anticonceptiva leidt tot suppressie van LH en FSH.
Gonadotrofinen bij overige cyclusstoornissen: bij het polycysteus ovarium syndroom (PCOS) wordt om niet opgehelderde redenen een van de normale cyclus afwijkende, verhoogde LH/FSH verhouding gevonden.3 Te vroege productie van gonadotrofinen bij vervroegde puberteit: bij vervroegde puberteit worden bij kinderen met een leeftijd, waarop normaal geen puberteit verwacht zou worden, puberteitskenmerken gevonden. Het meten van gonadotrofinen helpt bij het differentiëren tussen �??centrale�?? vervroegde puberteit (het spontaan te vroeg op gang komen van de puberteit)4 en effecten van niet door gonadotrofinen aangestuurde verhoogde productie van gonadale steroïden. Gonadotrofinen-producerende hypofyse-adenomen: gonadotrofinen-producerende adenomen en �??niet-functionerende hypofyseadenomen�?? leiden tot hoge spiegels van LH, FSH, de gonadotrofine α-subunit of combinaties van deze eiwitten. Secundair kan daardoor overproductie van testiculaire of ovariële hormonen ontstaan, die echter niet leidt tot voldoende suppressie van de gonadotrofinenproductie. �??Niet-functionerende hypofyseadenomen�?? produceren meestal LH en FSH, maar leiden, vooral bij postmenopauzale vrouwen, niet tot klinische verschijnselen.
Valkuilen: Het tijdens de zwangerschap geproduceerde hCG kruisreageert in de meeste LH-bepalingsmethoden; FSH spiegels zijn tijdens de zwangerschap verlaagd. Zoals boven opgemerkt, zijn LH en FSH tijdens het gebruik van orale anticonceptiva, maar ook tijdens het gebruik van postmenopauzale oestrogeen substitutietherapie verlaagd.
Vergelijking andere methodes: Zoals hierboven genoemd, zullen afhankelijk van de vraagstelling andere hormoonbepalingen toegevoegd worden om tot een diagnose te komen. LHRH-test (GnRH-test): voor evaluatie van de functionaliteit van de hypofyse-gonaden-as staat voorts de LHRH (luteïnizing hormone releasing hormone) test ter beschikking. Hierbij wordt op tijdstip nul bloed afgenomen en een intraveneuze LHRH bolus van 100 µg toegediend. Daarna wordt gedurende twee uur elk half uur een bloedmonster afgenomen, waarin LH en FSH worden bepaald. Bij kinderen wordt soms ook na 10 en 20 minuten gemonsterd. Normaal leidt de LHRH toediening tot een stijging in de LH spiegel van > 300% en in de FSH spiegel van > 200%.
Referentiewaarden: Aangezien referentiewaarden afhankelijk van de gebruikte bepaling geldt onderstaande tabel als indicatie. De gonadotrofinenspiegels worden uitgedrukt in (internationale) eenheden per liter ((I)E/l), ook wel als U/l aangeduid, gerelateerd aan de eerder genoemde referentiepreparaten.
Leeftijd
|
jongens, mannen
|
meisjes, vrouwen
|
LH (IE/L)
|
|
|
0-6 maanden
|
< 1,0-2,6
|
< 1,0
|
7 maanden tot start puberteit
|
< 1,0-1,8
|
< 1,0
|
vroege tot late puberteit
|
< 1,0-8
|
1,0-8
|
volwassen
|
1,5-8
|
|
|
voor en na ovulatiepiek
|
|
1,0-8
|
|
peri-ovulatoir
|
|
10-55
|
|
postmenopauzaal
|
|
15-90
|
FSH (IE/L)
|
|
|
0-6 maanden
|
< 1,0-3,0
|
< 1,0-24
|
7 maanden tot start puberteit
|
< 1,0-1,9
|
3,0-10
|
vroege tot late puberteit
|
< 1,0-7
|
< 1,0-8
|
volwassen
|
2,0
|
|
|
voor en na ovulatiepiek
|
|
1,0-8
|
|
peri-ovulatoir
|
|
3,0-15
|
|
postmenopauzaal
|
|
30-150
|
Bij kinderen in het begin van de puberteit worden de gonadotrofinen vooral 's nachts afgegeven, zodat de spiegels in de ochtend hoger zijn dan in de middag.
Tarief (excl. ordertarief): Follikelstimulerend hormoon �?� 6,65; luteïniserend hormoon �?� 6,65.
Literatuur: Referenties
- Pierik FH, Vreeburg JT, Stijnen T, et al. Serum inhibin B as a marker of spermatogenesis. J Clin Endocrinol Metab 1998; 83: 3110-4
.
- Burger HG, Dudley EC, Hopper JL, et al. Prospectively measured levels of serum follicle-stimulating hormone, estradiol, and the dimeric inhibins during the menopausal transition in a population-based cohort of women. J Clin Endocrinol Metab 1999; 84: 4025-30
.
- Dunaif A, Thomas A. Current concepts in the polycystic ovary syndrome. Ann
Rev Med 2001; 52: 401-19
.
- Lee PA. Central precocious puberty: An overview of diagnosis, treatment, and outcome. Endocrinol Metab Clin North Am 1999; 28: 901-18
.
Achtergrondinformatie
- Rose MP, Gaines Das RE, Balen AH. Definition and measurement of follicle stimulating hormone. Endocr Rev 2000; 21: 5-22
.
- Themmen AP, Martens JW, Brunner HG. Gonadotropin receptor mutations. J Endocrinol 1997; 153: 179-83
.
|
|