| |
Doel: Bepaling apolipoproteïnen in serum/plasma.
Vereiste klinische informatie: Standaard informatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (identificatie, leeftijd, geslacht, etc.).
Beschrijving methodes: Nefelometrische of turbidimetrische methodes: hierbij aggregeren apolipoproteïne-specifieke antilichamen in de aanwezigheid van apolipoproteïnen uit het monster tot de vorming van immuuncomplexen. De immuuncomplexen veroorzaken een toename in lichtverstrooiing die evenredig is met de concentratie van het apolipoproteïne in het monster. Lichtverstrooiing wordt optisch gemeten. Overige meetmethodes zijn immunoassays (RIA, ELISA), elektroimmunodiffusie (EID) en radiale immunodiffusie.1 Voor het bepalen van het apo-E isotype kan:
- een genotypering uitgevoerd worden, waarbij de isotypes met behulp van bijvoorbeeld sequencing, allel specifieke probes, of restrictie-enzymen van elkaar onderscheiden worden. Genotypering is een relatief snel, eenvoudig en betrouwbaar alternatief voor de
- fenotypering; hierbij worden de isotypes op basis van ladingsverschillen van elkaar gescheiden, gevolgd door immunoblotting.2
Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Géén specifieke voorbereiding; afname kan op ieder willekeurig tijdstip plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie. Apolipoproteïnen kunnen in serum of plasma worden bepaald. Vindt de bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Apo-B kan ingevroren worden (�??20°C, beter: �??70°C); herhaald invriezen en ontdooien dient te worden voorkomen. Monsters voor een Apo-AI bepaling dienen niet ingevroren te worden. Voor een apo-E genotypering dient EDTA-volbloed te worden afgenomen. Het monster kan gedurende meerdere dagen gekoeld (eventueel bij kamertemperatuur) bewaard worden alvorens er uit de leukocytenfractie DNA geisoleerd wordt. Genomisch DNA kan gekoeld of ingevroren bewaard worden. Stoorfactoren Apo-AI en apo-B100: kwantitatieve analyse van apolipoproteïnen geschiedt met immunochemische technieken waarvan de kalibratie (ijking) problemen oplevert. Standaardisatie van apo-AI en apo-B100 is inmiddels voltooid. Tussen individuele patiënten kan de opbouw van een lipoproteïne nogal uiteenlopen. De mate waarin 'HDL' overeenstemt met 'apo-A-bevattend lipoproteïne' hangt daarvan af. In de HDL-fractie kan de gewichtsverhouding apo-Al/cholesterol variëren van 2 tot 4. Apo-E: door een wisselende sialysering en non-enzymatische glycosylering (met name bij patiënten met diabetes mellitus) van het apoE- eiwit kunnen isotype-onafhankelijke ladingsverschuivingen optreden, die de fenotypering verstoren.2 Genotypering is eenduidig en verdient daarom de voorkeur.
Mogelijke toepassingen:
- apo-AI en apo-B100 bepaling voor risicoschatting van coronaire hartziekten (CAHZ)
- apo-AI en apo-B100 bepaling bij therapiecontrole na behandeling van patiënten met cholesterolverlagende middelen
- vaststelling van diverse primaire hyperlipidemieën (o.a. apo-CII bij familiaire apo-CII deficientie (Fredrickson Type I), apo-E bij familiaire dys-β-lipoproteïnemie (Fredrickson Type III)
3
Interpretatie: Lipoproteïnen zijn in bloed transporteerbare hoogmoleculaire complexen, samengesteld uit eiwitten (de apolipoproteïnen) en lipiden zoals cholesterol, fosfolipiden en triglyceriden. Hydrofiele delen van lipidenmoleculen bevinden zich langs de buitenzijde van dit complex, met name de fosfaat- en cholinegroep in fosfolipiden en de OH-groep van cholesterol. De in principe onoplosbare vetten zijn op deze wijze toch in de circulatie te brengen. Verschillende klassen lipoproteïnen kunnen worden gescheiden middels ultracentrifuge, berustend op verschillen in soortelijke massa (dichtheid). De zo gevonden klassen heten HDL, VLDL, IDL, LDL en chylomicronen. Klassiek is scheiding via elektroforese op basis van de elektrostatische lading van de eiwitten en de grootte van het complexe deeltje (de zo gevonden fracties worden α, pré-β, broad-β en β genoemd). De lipoproteïnepartikels in bloed bevatten een aantal eiwitten (apolipoproteïnen). Ze fungeren niet alleen als structuurelement, het zijn tevens bindingsplaatsen voor een receptor of ze vervullen een rol van co-enzymen waardoor ze de levensloop van het deeltje geheel bepalen. De belangrijkste heten AI, B100, CII en E. Genetisch lijken de apolipoproteïnen eenzelfde oorsprong te hebben, gezien het identieke patroon van coderende stukjes DNA. Alleen apo-B is wat deze codering betreft een geheel ander eiwit. Ook is apo-B het enige apo-eiwit dat niet uitwisselt tussen de lipoproteïnen onderling. Ziektebeelden ontstaan zodra een apolipoproteïne ontbreekt of een niet-normale structuur heeft. Hetzelfde geldt voor een receptor. Bij primaire hyperlipidemie: zie afwijkingen, die passen bij lipoproteïnen. Apo-Al
- ontbreekt: Tangier disease;
- verhoogd of verlaagd: een relatief lage resp. hoge kans op atherosclerose.
Apo-B100
- ontbreekt: α-β-lipoproteïnemie;
- verhoogd: een relatief verhoogde kans op atherosclerose.
Apo-CII
- ontbreekt: familiaire apo-C II-deficiëntie (Fredrickson Type I).
Apo-E
- komt voor als genotypes E2/E2, E2/E4, E3/E2, E3/E3, E3/E4 en E4/E4 met frequenties (%): 1, 4, 11, 63, 20, 1. Apo E4 wordt zeer sterk, apo E3 minder sterk en apo E2 in het geheel niet gebonden aan apo E-receptoren. Het fenotype E2/ E2 vertoont géén opname van chylomicronenremnants op de receptoren; het lage cholesterolgehalte in de cel bevordert expressie van apo B, E-receptoren, die versterkt LDL wegvangen (dus een laag serum cholesterol). Fenotype E4/ E4 laat het tegendeel zien: serumcholesterol sterk verhoogd. E4/E4 verhoogt de kans op Alzheimer, maar is daarvoor noch noodzakelijk noch voldoende. Ook de kans op coronairlijden wordt door E4/E4 versterkt.
Apo-E fenotype E2/E2: familiaire dys-β-lipoproteïnemie (Fredrickson Type III); een factor, die hier tegelijkertijd speelt, is vermoedelijk een gen-geassocieerde VLDL-overproductie.2,4 Apo-BE-receptordefect
- familiaire hypercholesterolemie (waarbij meestal Fredrickson type IIa wordt gevonden).
Sensitiviteit/Specificiteit Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van de gebruikte methode en de onderzochte populatie.
Vergelijking andere methodes: Apo-AI en apo-B100 zijn sterke voorspellers van CAHZ.5 Echter, in combinatie met bepaling van LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en triglyceriden leveren ze minimale toevoeging aan de risicoschatting van CAHZ. Apo-AI is gebleken géén onafhankelijke risicofactor te zijn voor het ontwikkelen van CAHZ (HDL-cholesterol is beter te gebruiken dan apo-AI). Resultaten met betrekking tot apo-B100 zijn minder éénduidig. Risicoschatting op basis van apo-B100 lijkt even goed te zijn als die gebaseerd op LDL-cholesterol.6,7
Referentiewaarden: Apolipoproteïne A1: 0,7-2,0 g/l Apolipoproteïne B100: 0,5-1,5 g/l
Tarief (excl. ordertarief): �?� 8,31
Literatuur: Referenties
- Porsch M, Westphal S, Luley C. Measurement of low apolipoprotein concentrations by optimized immunoturbidimetric applications. Clin Chem 2001; 47: 594-7
.
- Prins J, Tilanus MGJ, Kortlandt W, et al. Enkele aspecten van apolipoproteïne E. Tijdschr NVKC 1994; 19: 325-9
.
- Lipoprotein and lipid metabolism disorders (part 8). In: Scriver CR, et al. (eds). The metabolic and molecular basis of inherited disease. 8th ed. New York: McGraw-Hill, 2000: 1853-2099
.
- Slooter AJC, Gool WA van, Duijn CM van. De plaats van apolipoproteïne-E-genotypering in de differentiaaldiagnostiek van dementie. Ned Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 2073-6
.
- Lamarche B, Moorjani S, Lupien PJ, et al. Apolipoprotein A-I and B levels and the risk of ischemic heart disease durin a five year follow-up of men in the Quebec cardiovascular study. Circulation 1996; 94: 273-8
.
- Sharrett AR, Ballantyne CM, Coady SA, et al. Coronary heart
disease prediction from lipoprotein cholesterol levels, triglycerides, lipoprotein(a), apolipoproteins A-I and B, and HDL density subfractions- the atherosclerosis risk in communities (ARIC) study. Circulation 2001; 104: 1108-13
.
- Curtiss LK, Boisvert WA. Apolipoprotein E and atherosclerosis. Curr Opin Lipidol 2000; 11: 243-51
.
|
|