| |
Doel: Bevestiging van verdenking op over- dan wel onderproductie van cortisol.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Cortisol wordt bepaald met behulp van competitieve immunoassays. Hierbij gaat het cortisol een competitie aan met een speurdosis gemerkt cortisol voor de bindingsplaatsen van een antilichaam. De gebonden hoeveelheid label is een maat voor de hoeveelheid cortisol in het monster. Cortisol in urine kan ook bepaald worden met behulp van HPLC (�??High Performance Liquid Chromatography�??); hierbij verdeelt het cortisol zich tussen een vaste stationaire fase en een mobiele vloeistoffase in een kolom. Afhankelijk van de gekozen vaste en vloeibare fase treedt er vertraging op van het cortisol in de kolom, waardoor cortisol gescheiden wordt van andere componenten. Aan het eind van de kolom bevindt zich een spectrofotometer die kwantitatief de hoeveelheid cortisol detecteert. Belasting voor de patiënt Venapunctie, urineverzameling. Voorbereiding patiënt Stress stimuleert de cortisol afgifte; een venapunctie kan al leiden tot verhoogde waarden. Het verdient aanbeveling de patiënt, na inbrengen van een venflon, 30 minuten te laten rusten en daarna pas bloed af te nemen. Cortisolafgifte vertoont een diurnaal ritme. Een losse cortisol bepaling in bloed is alleen bij onderproductie van (beperkte) waarde. Tijdstip van afname moet bekend zijn. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Indien bepaling dezelfde dag plaatsvindt gekoeld bewaren. Vindt bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster ingevroren te worden. Verzending van materiaal naar een extern laboratorium ook ingevroren. Stoorfactoren Gebruik van prednison (prednisolon) kan in sommige methodes interferen.
Mogelijke toepassingen: diagnostiek van het syndroom van Cushing:
- vaststellen van cortisol overproductie door middel van cortisol bepaling in 2 x 24-uurs urine
- vaststellen van cortisol overproductie door middel van plasma cortisol bepaling om middernacht
differentiële diagnostiek van het syndroom van Cushing:
- ACTH-afhankelijk: ziekte van Cushing (70% frequentie), ectopische ACTH-productie (15%)
- ACTH-onafhankelijk (15%)
differentiële diagnostiek van bijnierschorsinsufficiëntie:
- primair: auto-immuun adrenalitis (80%) en ten gevolge van tuberculose (20%)
- secundair: door overmaat glucocorticoïdtoediening of ten gevolge van hypofysetumoren
diagnostiek van congenitaal bijnierschorshyperplasie:
- door 21-hydroxylasedeficiëntie (90%)
- door 11-hydroxylasedeficiëntie (10%)
Interpretatie: Het C-21-glucocorticoïd cortisol wordt gesynthetiseerd in de bijnierschors in een hoeveelheid van 25-40 mg/dag. Deze synthese staat onder invloed van ACTH, dat via adenylaatcyclase/AMP-stimulatie de vorming van δ5-pregnenolon (en daarmee de steroïdproductie) uit cholesterol bevordert. In bloed is cortisol voor 95% gebonden aan cortisol bindend globuline (CBG) en in mindere mate aan albumine. Bij verhoogde cortisol productie wordt de bindingscapaciteit van CBG overschreden en neemt de vrije fractie disproportioneel toe. Bij oestrogeentoediening neemt het CBG en daarmee het totaal cortisol gehalte toe, zonder dat dit fysiologische betekenis heeft. Bij verlaagde eiwitaanmaak (bv. bij levercirrose) geldt het omgekeerde. De halfwaardetijd van cortisol in bloed bedraagt ongeveer 1,5 uur. Cortisol verhoogt het plasma glucosegehalte door verminderde perifere utilisatie en verhoogde gluconeogenese. Cortisol wordt als tetrahydrocortisol of tetrahydrocortison in glucuronide of sulfaatvorm via de nier verwijderd. Alleen het vrije hormoon (ca. 1% van de dagelijkse productie) kan de glomerulus passeren, maar wordt voor een belangrijk deel in de tubulus geresorbeerd, zodat niet meer dan 150-250 nmol cortisol dagelijks in de urine wordt uitgescheiden. De cortisol uitscheiding in urine weerspiegelt de concentratie van de vrije fractie van cortisol in bloed en is daardoor een uitstekende maat om overproductie van cortisol, zoals bij het syndroom van Cushing, aan te tonen. Samen met de 1 mg dexamethasonremmingstest wordt de urinebepaling gebruikt als screeningstest voor het syndroom van Cushing. Cortisol bepalingen in plasma op de tijdstippen 8, 17 en 24 uur vertonen een dagritme met om 8 uur de hoogste en om 24 uur de laagste concentraties. Verhoging van de absolute waarden dan wel verstoring van het dagritme kunnen aanwijzingen zijn voor het syndroom van Cushing. Tests ter onderscheiding van de verschillende vormen van dit ziektebeeld zijn opgenomen onder de verwijzingen. Verlaagde cortisol waarden wijzen op bijnierschorsinsufficiëntie (primair of secundair) of het bestaan van het adrenogenitaal syndroom. Sensitiviteit/Specificiteit Overproductie: Sensitiviteit en specificiteit van urine vrij cortisol zijn afhankelijk van de gebruikte bepalingsmethodiek en wordt in de diverse studies verschillend opgegeven:1 sensitiviteit: 76%, bovengrens 152 nmol/dag, specificiteit niet gegeven;2 meta-analyse: sensitiviteit: 96,6%, specificiteit 94,3%, bovengrens niet opgegeven. Bepaling van cortisol in plasma van een monster middernacht afgenomen, sensitiviteit: 96%, specificiteit 100%, bovengrens: 210 nmol/l.3 Onderproductie: Een tussen 8 en 9 uur nuchter afgenomen plasma cortisol waarde van < 80 nmol/l is indicatief voor bijnierschorsinsufficiëntie.4
Valkuilen: Immunoassays voor de bepaling van urine vrij cortisol vertonen kruisreactiviteit met vele andere steroïden.
Referentiewaarden: Plasma 08.00 uur 150-700 nmol/l 17.00 uur 100-400 nmol/l 23.00 uur < 210 nmol/l Urine Afhankelijk van de gebruikte methode wordt een bovengrens aangehouden van 145 nmol/24 uur (HPLC)5 tot 300 nmol/24 uur (immuno-assays).
Tarief (excl. ordertarief): �?� 6,65
Literatuur: Referenties
- Lin C, Wu T, Machacek DA, et al. Urinary free cortisol and cortisone determined by high performance liquid chromatography in the diagnosis of Cushing's syndrome. J Clin Endocrinol Metab 1997; 82: 151-5
.
- Perry LA, Grossman AB. The role of the laboratory in the diagnosis of Cushing's syndrome. Ann Clin Biochem 1997; 34: 345-59
.
- Papanicolaou DA, Yanovski JA, Cutler GB, et al. A single midnight serum cortisol measurement distinguishes Cushing's syndrome from pseudo-Cushing states. J Clin Endocrinol Metab 1998; 83: 1163-7
.
- Oelkers W. Adrenal insufficiency. N Engl J Med 1996; 335: 1206-12
.
- Bos Kuil MJJ de, Endert E, Fliers E, et al. Establishment of reference values for endocrine tests. I: Cushing's syndrome. Neth J Med 1998; 53: 153-63
.
Achtergrondinformatie
- Newell-Price J, Trainer P, Besser M, et al. The diagnosis and differential diagnosis of Cushing's syndrome and pseudo-Cushing's states. Endocr Rev 1998: 647-72
.
|
|