| |
Doel: Bepaling van totaal-eiwit in serum/plasma.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek (identificatie, leeftijd, geslacht, etc.) en liggende of niet liggende patiënt.
Beschrijving methodes: Analysemethodes De meeste laboratoria maken gebruik van geautomatiseerde bepalingsmethodieken. Het meest gehanteerde analytische principe daarbij is de vorming van een blauw gekleurd product door de binding van koper-ionen aan peptide bindingen in een alkalisch milieu. De hoeveelheid blauw gekleurd product wordt spectrofotometrisch gemeten bij een golflengte van 540 nm (Biureet methode). Daarnaast zijn er vele andere bepalingsmogelijkheden: directe absorptie metingen (UV gebied), kleurstofbindingsmethoden (Amidoblack, Coomassie brilliant blue), specifieke aminozuur kleuring (Lowry), bepaling van de totale hoeveelheid eiwit stikstof (Kjeldahl), refractometrisch, turbidimetrisch en nefelometrisch na eiwit precipitatie. Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding nodig; afname kan op elk moment. Wel is het van belang onderscheid te maken tussen liggende en staande patienten (zie Referentiewaarden). Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Indien bepaling dezelfde dag plaatsvindt bewaren bij kamertemparatuur. Vindt bepaling niet dezelfde dag plaats dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Stoorfactoren Afhankelijk van de bepalingsmethode (biureet, kleurstofbinding, troebelingsreactie) worden storingen gezien bij toepassing van Haemaccel, dextranen, hemolyse, bilirubinemie (zie o.a.: Albumine).
Mogelijke toepassingen:
- onderzoek op maligne hyperimmunoglobinemie (monoklonale gammopathie, M Kahler, M Waldenström)
- onderzoek op mogelijke eiwit tekort(leverziekten, verlies)
- onderzoek op storingen in de waterhuishouding
Interpretatie: Het menselijk lichaam bevat duizenden en het bloedplasma vele honderden verschillende eiwitten. De synthese van plasma-eiwitten heeft voornamelijk plaats in de hepatocyt (albumine) of in het RES (globulinen) en geschiedt met variabele snelheid (CRP-concentratie verdubbelt in uren, fibrinogeen in dagen). De afbraaksnelheid is eveneens zeer wisselend (halfwaardetijd van CRP en amylase enkele uren, albumine en IgG drie weken). Op molaire basis zijn in bloed het meest voorkomend hemoglobine (10 mmol/l), albumine (0,6 mmol/l) en IgG (0,08 mmol/l). Laagmoleculaire eiwitten verdelen zich over de intravasale en de interstitiële ruimte, de hoogmoleculaire eiwitten beperken zich tot de intravasale ruimte. Grof gezegd beperken de functies van de plasma-eiwitten zich tot handhaving van de colloïd-osmotische druk, het transport van o.a. vetten en hormonen, afweerfuncties en enzymatische activiteit (bv. stollingsfactoren). De meting van totaal-eiwit in plasma of serum (meestal serum) kan een indruk geven omtrent het bestaan van een ziektetoestand in één of meer organen. De informatie die op deze manier wordt verkregen, is echter gezien het voorgaande dusdanig algemeen van aard, dat het veelal noodzakelijk is specifiekere analyses uit te voeren. Scheiding door elektroforese kan daarbij een eerste stap zijn, hoewel de waarde beperkt is. Dit betekent dat de bepaling van het totaal-eiwit en in zekere zin ook de elektroforetische scheiding van de eiwitten hooguit een screenend karakter heeft. Een tweede stap in het diagnostisch proces betreft de analyse van bepaalde hoofdgroepen bijvoorbeeld albumine of immunoglobulinen (samen ongeveer 80% aan het totaal-eiwit bijdragend), of subgroepen (complementsysteem) resp. aparte eiwitten (bv. transferrine, haptoglobine, fibrinogeen). Bij een dergelijke analyse bestaat er al meer duidelijkheid over de waarschijnlijkheidsdiagnose. In het algemeen gaat een dysproteïnemie gepaard met een normale hematocriet in tegenstelling tot een stoornis in de waterhuishouding, waarbij de hematocriet afwijkend is. Hyperproteïnemie: veelal is sprake van een globulinetoename met gelijktijdige afname van het albuminegehalte. De totale eiwitconcentratie blijft daarom vaak (nog) normaal. In het algemeen betekent een hyperproteïnemie een hyperimmunoglobulinemie, hetzij monoklonaal (monoklonale gammopathie, M Kahler, M Waldenström) hetzij polyklonaal (gammopathie, chronisch actieve hepatitis, sarcoïdose, levercirrose, collageenziekten). Daarnaast kan een verhoogd totaal-eiwit de reflectie zijn van uitdroging (braken, zweten, diabetes mellitus). Hypoproteïnemie: een verlaagd totaal-eiwit treft men aan bij:
- eiwitverlies (gastro-enteropathie, glomerulonefritis, nefrotisch syndroom, verbrandingen, ascites);
- verminderde synthese (leverziekten, a-γ-globulinemie);
- verminderde opname van aminozuren (malabsorptie: tropische spruw, coeliakie, mucoviscidose) en verminderd eiwitaanbod in de voeding (honger, anorexie).
Valkuilen: Indien totaal eiwit wordt gemeten in plasma, dan wordt ook fibrinogeen meegemeten. Bij de interpretatie dient men zich te realiseren dat dit onder normale omstandigheden een verhoging van 2-4 g/l met zich mee brengt, maar onder pathologische omstandigheden (acute fase processen) kan dit oplopen tot 5-10 g/l. Omdat in deze gevallen het albumine zal dalen, laat het totaal eiwit relatief weinig verschuiving zien. Bij verhoging van bepaalde specifieke eiwitten kan het resultaat foutief zijn. Dit komt omdat de bepalingsmethoden aannemen dat alle eiwitten chemisch hetzelfde reageren en dat alle eiwitten 16 gewichtsprocenten stikstof bevatten. Beide aannamen zijn gemiddelden en wijken daar meer van af wanneer een specifiek eiwit prominent is verhoogd. Bij zwangerschap wordt hypoproteïnemie gezien.
Vergelijking andere methodes: Bij een verhoogd totaal eiwit is een eiwitelektroforese (agarose of capillair) de volgende stap om te screenen op monoklonale gammopathieën. Tevens is dan een natrium en/of Hb bepaling van nut om te screenen op stoornissen in de waterhuishouding. Bij een verlaagd totaal eiwit zou gekeken moeten worden naar synthesetekorten (leverfunctie), verlies (α1-antitrypsineklaring, eiwit in 24-uurs urine) of absorptie problemen (absorptietesten, anti-endomysium (coeliakie-diagnostiek)).
Referentiewaarden:
prematuur geborenen
|
35-60 g/l
|
à terme geborenen-1 week
|
45-70 g/l
|
kinderen
|
1-12 mnd.
|
50-75 g/l
|
|
1-2 jaar
|
55-75 g/l
|
|
> 3 jaar
|
60-80 g/l
|
volwassenen
|
60-80 g/l
|
Bij liggende patiënten: circa 6 g/l lager (na 30 minuten). Bij pilgebruik, bij zwangeren (2e en 3e trimester) en kraamvrouwen (tot 3 maanden na de bevalling): verlaagde waarden.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Jacobs DS, et al. (eds). Laboratory test handbook. 5th ed. Hudson: Lexi-Comp, 2001
.
- Johnson AM, Rohlfs EM, Silverman LM. Proteins. In: Burtis CA, Ashwood ER (eds). Tietz textbook of clinical chemistry. 3rd ed. Philadelphia: Saunders, 1999: 523-5
.
|
|