| |
Doel: Toepassing van de glucosebepaling ligt in de detectie en follow-up van patiënten verdacht van of bekend met diabetes mellitus.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij het aanvragen van laboratoriumonderzoek.
Beschrijving methodes: Glucose in bloed wordt bepaald met specifieke, enzymatische methodes. De verschillende enzymatische methodes, zoals de Hexokinase-, Glucose Oxidase- en Glucose Dehydrogenasemethode, verschillen niet in specificiteit. Ook de verschillende draagbare bloedglucosemeters kennen verschillende bepalingsmethodes; door de van elkaar verschillende kalibratiemethodes die in gebruik zijn, geven de meeste bloedglucosemeters niet dezelfde uitslag. Belasting voor de patiënt Vingerprik of venapunctie. Voorbereiding patiënt In principe geen voorbereiding van de patiënt, bloedafname kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Echter, voor de diagnostiek van diabetes mellitus kan het nodig zijn dat de patiënt 's morgens nuchter wordt geprikt, dus voor het ontbijt of 2 uur na de hoofdmaaltijd. Materiaalafname/Fixatie Afname door middel van vingerprik of venapunctie. Bepaling kan zowel in volbloed als serum of plasma geschieden. Scheiding van serum of plasma en bloedcellen middels centrifugeren. Indien de bepaling niet direct wordt ingezet dient aan het afgenomen materiaal een glycolyseremmer, bij voorkeur Natriumfluoride, te zijn/worden toegevoegd, het monster dient dan gekoeld bewaard te worden. Stoorfactoren Zie Beperkingen.
Mogelijke toepassingen:
- verdenking op een manifeste diabetes mellitus
- verdenking op zwangerschapsdiabetes
- controle en instellen van diabetespatiënten met insuline (dagcurve) of zelfcontrole door diabetespatiënt
- verdenking op hypoglykemie bij comateuze patiënten
- bij diverse endocriene ziekten zoals Cushing syndroom, de ziekte van Graves, acromegalie en een pancreasaandoening
- uitsluiting van diabetes mellitus bij algemeen screenend gezondheidsonderzoek
Interpretatie: Voor een juiste interpretatie van de gevonden waarden is het van groot belang te weten welk monstertype (veneus of capillair) is afgenomen en in welke bloedcomponent (serum, plasma of vol bloed) de glucosebepalingen zijn uitgevoerd. Glucose is gelijk verdeeld over de waterige fase van plasma en erytrocyten. Als gevolg hiervan is de uitkomst van een bepaling in plasma 12-15% hoger dan in vol bloed. Bij een hoge hematocrietwaarde (pasgeborenen!) is dit verschil nog groter. Dit is bijvoorbeeld van belang, indien in spoedsituaties van een stripmethode met behulp van een bloedglucosemeter gebruik wordt gemaakt en onder de normale omstandigheden van de natte methode. Stripmethodes geven vooral bij hoge hematocrietwaarden duidelijk lagere glucose-uitkomsten dan natte methodes. Glucose is de belangrijkste energiebron voor alle cellulaire processen. Glucose kan als zodanig uit het voedsel worden opgenomen of na splitsing van de in het voedsel aanwezige di- en polysachariden tot monosachariden zoals glucose, galactose en fructose. Alle monosachariden worden, voornamelijk in de lever maar ook in de spieren, grotendeels omgezet tot glycogeen, waardoor ze tijdelijk aan de circulatie en stofwisseling worden onttrokken. Het vermogen van de lever om aangevoerde monosachariden vast te leggen als hoogmoleculair glycogeen is zeer groot. Wanneer de totale calorische opname het dagelijks verbruik overtreft, wordt de overmaat aan koolhydraten omgezet in vetten en opgeslagen in het vetweefsel. De glycogeenvoorraad wordt al naar de behoefte van het lichaam weer omgezet in glucose. De regeling van de glucoseconcentratie in het bloed is een zeer gecompliceerd proces, waarbij vooral insuline een belangrijke rol speelt. Dit door de pancreas geproduceerde hormoon bepaalt onder meer of glucose door de celwand van de diverse cellen in het lichaam heen kan. Bij een tekort aan werkzaam insuline wordt glucose in het bloed opgehoopt, terwijl de cellen gebrek aan glucose krijgen en er tevens geen glycogeen wordt gevormd. Ook hormonen als glucagon, catecholaminen, cortisol en groeihormoon beïnvloeden de glucoseproductie en het verbruik. Bij diabetes mellitus is sprake van een verhoogd gehalte aan glucose in het bloed, veroorzaakt door òf een absoluut òf een relatief tekort aan insuline. Diabetes mellitus is een veel voorkomend complex verlopend ziektebeeld met een erfelijke component. Als de bepaling is uitgevoerd in capillair volbloed is normaal de nuchtere glucosewaarde lager dan 5,6 mmol/l en de waarde 2 uur na een koolhydraatrijke maaltijd kleiner dan 7,8 mmol/l. Niet-nuchtere waarden boven 11,0 mmol/l zijn bewijzend voor een manifeste diabetes mellitus. Recent zijn de diagnostische criteria voor het stellen van de diagnose diabetes mellitus aangescherpt door de American Diabetes Association (ADA). Ook de WHO heeft zich bij deze nieuwe criteria aangesloten: de diagnose wordt nu gesteld op een nuchtere plasma glucose van > 7,0 mmol/l en/of een willekeurige plasma glucosewaarde > 11,0 mmol/l. Alhoewel beide sets criteria van ADA en WHO gelijk zijn, legt de ADA meer de nadruk op de diagnostiek via de nuchtere plasmawaarde, terwijl de WHO meting van beide waarde aanbeveelt. Vandaar dat voor patiënten met niet-diagnostische glucosewaarden, de ADA spreekt over �??impaired fasting glycemia�?? met nuchter plasma glucosewaarden tussen 6,1 en 7,0 mmol/l en de WHO spreekt over �??impaired glucose tolerance�?? met glucosewaarden nuchter lager dan 7,0 én waarden 2 uur na de maaltijd tussen 7,8 en 11,0 mmol/l. Er is sprake van hypoglykemie, wanneer glucosewaarden lager dan 2,5 mmol/l worden gevonden. Als hypoglykemie herhaaldelijk wordt aangetroffen, kan hulp in de differentiële diagnostiek worden geboden met de insuline- en C-peptidebepaling na 72 uur vasten. Discrepanties duiden op een iatrogene oorzaak Sensitiviteit/Specificiteit Ondanks het bestaan van zeer specifieke symptomen van (vooral type 1) diabetes mellitus zoals polydipsie, polyurie en gewichtsverlies, kan de diagnose uitsluitend aan de hand van de laboratoriumwaarden met zekerheid worden gesteld; als zodanig is de sensitiviteit (en specificiteit) dus 100%. Echter, het bestaan van verschillende sets, nieuwe, criteria heeft tot gevolg dat niet alle personen bij de oude en nieuwe criteria diabetes mellitus hebben, en dat patiënten in de groep �??impaired fasting glucose' niet dezelfde zijn als in de groep �??impaired glucose tolerance'.
Valkuilen: Voor een juiste interpretatie van de gevonden waarden is het van groot belang te weten welk monstertype (veneus of capillair) is afgenomen en in welke bloedcomponent (serum, plasma of vol bloed) de glucosebepalingen zijn uitgevoerd. Glucose is gelijk verdeeld over de waterige fase van plasma en erytrocyten. Als gevolg hiervan is de uitkomst van een bepaling in plasma 12-15% hoger dan in vol bloed. Bij hoge hematocrietwaarden (pasgeborenen!) is dit verschil nog groter. Dit is bijvoorbeeld van belang, indien in cito situaties van een stripmethode door middel van een bloedglucosemeter gebruik wordt gemaakt en onder de normale omstandigheden van de natte methode. Stripmethodes geven vooral bij hoge hematocrietwaarden duidelijk lagere glucose-uitkomsten dan natte methodes. De nauwkeurigheid van door het laboratorium bepaalde glucosewaarden en de waarden bereikt met draagbare bloedglucosemeters verschillen nogal van elkaar. Diagnose van diabetes is niet mogelijk met bloedglucosemeters, bovendien worden uitslagen van de bloedglucosemeters sterk door het hematocriet van de patiënt beinvloed. Tenslotte kan het voorkomen dat het laboratorium een plasmawaarde meet en de patiënt zelf een volbloed gekalibreerde meter gebruikt; optredende verschillen van 15-25% zijn dan geen uitzondering.
Vergelijking andere methodes: De diagnose diabetes mellitus kan worden gesteld met behulp van één enkele verhoogde waarde bij patiënten met typische klachten van diabetes mellitus. Bij patiënten zonder deze klachten is het raadzaam de bepaling ten minste eenmaal te herhalen.
Referentiewaarden: Enzymatische methode nuchter:
capillair of veneus vol bloed
|
3,5-5,6 mmol/l
|
capillair of veneus plasma
|
4,0-6,4 mmol/l
|
Bij pasgeborenen worden de eerste 72 uur lagere waarden gevonden dan hier vermeld; men spreekt hier meestal van hypoglykemie bij waarden in plasma onder circa 2,2 mmol/l.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Ballegooie E van, Heine RJ (eds). Diabetes mellitus. 2e herz. dr. Utrecht: Bunge, 1995
.
- Krans HMJ. Diabetes mellitus: nieuwe classificatie naar oorzaak en aangescherpte bloedglucosegrenzen voor
diagnostiek. Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 225-9
.
- Kuwa K, Nakayama T, Hoshino T, et al. Relationship of glucose concentration in capillary whole blood, venous whole blood and venous plasma. Clin Chim Acta 2001; 307: 187-92
.
- Lebovitz HE. Diabetic ketoacedosis. Lancet 1995; 345: 767-72
.
- Peters AL. Diagnosing diabetes in 2000. Curr Opin Endocrinol Diabetes 2000; 7: 31-7
.
- Service FH. Hypoglycemic disorders. N Engl J Med 1995; 332: 1144-52
.
- Stolk RP, Vegt F de, Heine RJ. Wat zijn de gevolgen van nieuwe Amerikaanse richtlijnen voor de diagnostiek van diabetes mellitus voor Nederland?. Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 222-5
.
|
|