| |
Doel: Vaststellen van hyper- en hypokaliëmie.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Kalium kan vlamfotometrisch, of middels directe of indirecte ion selectieve elektrodes gemeten worden. Belasting voor de patiënt Venapunctie, urineportie of 24-uurs urine. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie; scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Vindt de bepaling niet op dezelfde dag plaats, dan dient het monster gekoeld te worden bewaard. Stoorfactoren Analoog aan de pseudohyponatriëmie kan men een artificiële verlaging verwachten, wanneer K+ vlamfotometrisch wordt bepaald en lipiden of eiwit in een hoge concentratie aanwezig zijn (niet wanneer wordt gemeten �?? onverdund �?? met een ionselectieve elektrode). Hemolyse dient beslist te worden vermeden vanwege het hoge kaliumgehalte in ery's. Het 'vuistmaken' bij de bloedafname kan al een aanzienlijke verandering geven. Niet gecentrifugeerde bloedmonsters (of afgedraaide monsters zonder gel!) die bij 4°C worden bewaard, geven vals verhoogde K+ waarden (door remming van de Na+/K+-ATPase).
Mogelijke toepassingen: De toepassing van de K+ bepaling ligt in de detectie en de follow-up van:
- hartritmestoornissen en ECG-afwijkingen:
- hypokaliëmie: ST-depressie, platte T-top, prominente U-golf en QU-verlenging;
- hyperkaliëmie: hoge T-top, verlengd PR-interval;
- bij een normaal ECG kan overigens wel een afwijkende kaliumconcentratie bestaan;
- spierzwakte, opstijgende paralyse, periodieke paralyse;
- hypertonie;
- chronische diarree, braken;
- acute en chronische nierinsufficiëntie;
- controle bij diureticagebruik (10-40% van thiazidengebruikers heeft hypokaliëmie);
- storingen in de zuur-base huishouding;
- therapiebegeleiding bij ontspoorde koolhydraatstofwisseling;
- monitoring orale kaliumsuppletie of (bij aritmie c.q. neuromusculaire paralyse) glucosevrij kaliuminfuus.
Interpretatie: Kalium (K+) speelt een belangrijke rol in tal van processen in het lichaam, waarvan de bekendste zijn: de overdracht van zenuwimpulsen, de eiwitsynthese en de glycogeensynthese. Van de totale lichaamsvoorraad (rond 3500 mmol) bevindt zich 98% intracellulair en slechts 2% extracellulair (70 mmol). De K+-concentratie intracellulair is ongeveer 140 mmol/l, veel hoger dan de K+-concentratie van 4 mmol/l extracellulair. De K+-opname is 50-150 mmol per dag. De excretie van K+ verloopt grotendeels via de nier (40-100 mmol per dag) en minder via het colon (5-25 mmol per dag). De excretie via de nier is de resultante van terugresorptie van K+ proximaal (80% van de gefilterde K+) en in de lis van Henle (10%), de urineflow (meestal hogere flow: minder K+-terugresorptie!) en de actieve K+-secretie (in aanwezigheid van Na+) distaal. De excretie via het colon is een actief proces. De interne balans �?? de concentratiegradiënt tussen intra- en extracellulair �?? wordt in stand gehouden door Na+/K+-ATPase, dat het transport van natriumionen de cel uit en van kaliumionen de cel in bevordert. Na+/K+-ATPase wordt op zijn beurt geactiveerd door insuline (via een second messenger), catecholaminen (vooral epinefrine, via β-receptoren op de celmembraan en cAMP-vorming door adenylaatcyclase-activering) en glucagon (via remming insuline-effect). De interne balans wordt niet beïnvloed door aldosteron, mineralo- en glucocorticoïden. De externe balans dat wil zeggen het verschil tussen K+-opname en K+-excretie, wordt in de nier (distale tubuli) en in het distale colon gestuurd door aldosteron. Het aldosteroneffect is een vergroting van de K+-excretie. De K+-regulatie via epinefrine is bedoeld voor acute situaties, die via insuline, glucagon en aldosteron meer voor chronische situaties. Verlaging van het serum-K+ leidt tot spierparalyse, verhoging tot overprikkelbaarheid van de spier, hartritmestoornissen (extrasystolie, kamerfibrilleren, hartstilstand). Een afwijkende kaliumconcentratie kan worden veroorzaakt door een veranderde inname, door een verschuiving tussen het intra- en extracellulaire compartiment of door een veranderde uitscheiding. Hypokaliëmie (serum-K+ lager dan 3,5 mmol/l) wordt aangetroffen bij:
- respiratoire en metabole alkalose (K+ gaat naar intracellulair in ruil voor H+ naar extracellulair; K+-excretie in distale tubulus vermindert);
- familiaire periodieke paralyse (autosomaal dominante ziekte) of getriggerd door bijvoorbeeld bariumintoxicatie;
- maagvloeistofverlies door braken of drainage (hypochloremische metabole alkalose);
- verlies van darmvocht, laxantiamisbruik;
- K+-verlies door de nier:
- hyperaldosteronisme (primair of secundair), hypercortisolisme;
- hypomagnesiëmie;
- renale tubulaire acidose (waterstofcarbonaatoverschot in glomerulusfiltraat);
- chronische metabole acidose (door renaal K+-verlies);
- diureticagebruik: veroorzaakt hoge flow in de distale tubulus en daarmee een toegenomen renaal K+-verlies;
- erfelijke syndromen: Bartter, Gittelman;
- K+-verlies met feces (infectieuze diarree, tumoren, fistels, chemotherapie of bestraling).
Hyperkaliëmie (serum-K+ hoger dan 6,0 mmol/l) wordt gezien bij:
- acute metabole of respiratoire acidose;
- celafbraak (necrose, hemolyse);
- nierinsufficiëntie;
- K+-sparende diuretica (spironolacton, triamtereen);
- renale tubulaire acidose (in de vorm van chronische hyperkaliëmie met metabole acidose) op basis van hypoaldosteronisme.
Sensitiviteit/Specificiteit Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van het type aandoening en de vastgestelde referentiewaarden.
Vergelijking andere methodes: Voor de diagnostiek van verstoringen van de water en zouthuishouding kan de K+-bepaling het beste gecombineerd worden met een Na+ en osmolaliteit bepaling.
Referentiewaarden: serum K+
- volwassenen 3,5-5,0 mmol/l
- neonaten 3,7-5,9 mmol/l
urine K+: 25-125 mmol/24 uur K+ in plasma is ongeveer 10% lager dan K in serum, doordat K+ uit de bloedplaatjes treedt tijdens de stolling. De K+-concentratie volgt een dag-nachtritme met een amplitude van circa 0,4 mmol/l (maximum 8.00 uur, minimum 19.00 uur).
Tarief (excl. ordertarief): �?� 1,41
Literatuur: Achtergrondinformatie
- Bradberry M, Vale JA. Disturbances of potassium homeostasis in poisoning. J Toxicol Clin Toxicol 1995; 33: 295-310
.
- Gennari FJ. Hypokalemia. N Engl J Med 1998; 339: 451-8
.
- Halperin ML, Kamel KS. Potassium. Lancet 1998; 352: 135-40
.
- Latta K, Hisano S, Chan JC. Perturbations in potassium balance. Clin Lab Med 1993; 13: 149-56
.
|
|