| |
Doel: Onderzoek van het stollingssysteem.
Vereiste klinische informatie: Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht). Verder een volledige stollingsanamnese en opgave van medicijngebruik.
Beschrijving methodes: De meeste stollingsfactoren worden gemeten in een stollingstest die op de APTT of de PT gebaseerd is (zie aldaar). Specificiteit wordt bereikt door in de reactie plasma toe te voegen dat de te onderzoeken stollingsfactor niet bevat; dit kan zowel plasma van een patiënt met een congenitale deficiëntie zijn als plasma waaruit de betreffende factor verwijderd is.1,2 Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Geen specifieke voorbereiding; afname kan op elk tijdstip van de dag plaatsvinden. Materiaalafname/Fixatie Afname van bloed middels venapunctie met zo weinig mogelijk stuwing in kunststof of gesiliconeerde glazen buizen met citraat als anticoagulans. Bloed voor stollingsonderzoek dient altijd te worden afgenomen vóór buizen met heparine als anticoagulans. Scheiding van plasma vindt door middel van centrifugeren plaats. De bepaling dient binnen enkele uren na afname te gebeuren; het plasma wordt dan bij kamertemperatuur bewaard. Vindt de bepaling later plaats dan dient het monster snel ingevroren en diepgevroren, liefst bij �??70°C, bewaard te worden. Stoorfactoren Alle bepalingen van stollingsfactoren kunnen gestoord worden door heparine, verhoogde concentraties afbraakproducten van fibrine en fibrinogeen (D-dimeren, FDP) en andere circulerende anticoagulantia.
Mogelijke toepassingen:
- onderzoek naar de oorzaak van een verlengde APTT en/of PT
- verdenking op erfelijke deficiëntie van een of meer stollingsfactoren of verworven deficiëntie van een of meer stollingsfactoren, zie tabel
Interpretatie: Het stollingssysteem is een gecompliceerd cascadesysteem van enzymatische reacties waarin de stollingsfactoren samenwerken met trombocyten en de vaatwand om de integriteit van de circulatie snel te herstellen. Het systeem kan op twee manieren worden geactiveerd: via de intrinsieke route en de extrinsieke weg. Beide routes hebben een gemeenschappelijk deel, waarin actief trombine wordt gevormd, dat fibrinogeen omzet in onoplosbaar fibrine. Fibrine is het hoofdbestanddeel van het stolsel, dat de beschadiging van de vaatwand afdekt. Het systeem wordt gereguleerd door anticoagulante factoren die voorkomen dat het stollingssysteem geactiveerd blijft en dus fibrine zou blijven vormen. Afwijkingen in procoagulante factoren zijn vooral geassocieerd met bloedingsneiging terwijl tromboseneiging gezien kan worden bij afwijkingen in anticoagulante factoren. De anticoagulante factoren worden apart besproken (zie antitrombine, proteïne C, proteïne S, APC resistentie). Verlaagde factor(en):
- erfelijk tekort aan een van de stollingsfactoren. De meest voorkomende deficiënties zijn die van factor VIII (hemofilie-A) en factor IX (hemofilie-B). Erfelijk tekort aan een van de andere factoren is veel zeldzamer (zie tabel). Een erfelijk tekort blijft bijna altijd beperkt tot één stollingsfactor;
- in beginsel komen twee typen erfelijke deficiëntie voor: de �??echte�?? deficiëntie waarbij in het geheel geen stollingseiwit gesynthetiseerd wordt; dit komt meestal door een grote deletie in het gen of een puntmutatie, die de vertaling naar eiwit voortijdig doet stoppen. Daarnaast is er de functionele deficiëntie, waarbij door een klein defect in het gen wel stollingsfactor wordt gemaakt, maar met een afwijkende functie;
- functioneel tekort aan factoren II, VII, IX en X door vitamine K deficiëntie of gebruik van orale anticoagulantia. Deze antagonisten remmen de carboxylering van stollingsfactoren, die noodzakelijk is voor hun normale functie. De factoren die tijdens vitamine K gebrek gesynthetiseerd worden heten PIVKA (proteins induced by vitamin K absence);
- verworven tekort aan stollingsfactoren door verminderde aanmaak bij ernstig leverlijden of tijdens therapie met asparaginase;
- verworven tekort aan stollingsfactoren door verhoogd verbruik bij diffuse intravasale stolling;
- verworven tekort aan stollingsfactoren door verlies van factoren bij nefrotisch syndroom;
Bij verworven tekort zijn eigenlijk altijd meer stollingsfactoren gelijktijdig verlaagd. Verhoogde factor(en):
- enkele stollingsfactoren, zoals factor VIII en fibrinogeen, zijn acute fase eiwitten en hun concentratie is verhoogd bij zwangerschap, stress, infecties en ontstekingen. Een vraag die sterk in de belangstelling staat is of continu verhoogd factor VIII en fibrinogeen beschouwd moeten worden als risicofactor voor trombo-embolie;
- gebruik van orale anticonceptiva of anabole stoffen.
Stollingsfactor
|
Aandoening
|
Bloedingsneiging
|
Incidentie en bijzonderheden
|
APTT
|
PT
|
factoractiviteit
|
Fibrinogeen
|
Afibrinogeen
|
Geen-matig
|
1:1.000.000
|
�??
|
�??
|
< 0,1 g/l
|
Protrombine (II)
|
Hypoprotrombinemie
|
Matig
|
1:2.000.000
|
�?? of N
|
�??�??
|
< 0,05 U/ml
|
V
|
Parahemofilie
|
Matig
|
1:1.000.000
|
�??
|
�??
|
< 0,05 U/ml
|
VII
|
|
Licht-matig
|
1:500.000
|
N
|
�??�??
|
< 0,02 U/ml
|
VIII
|
Hemofilie A
|
Zeer ernstig
|
1:20.000
X-gebonden
|
�??�??�??
|
N
|
< 0,01 U/ml
|
|
|
Matig
|
�??�??
|
N
|
0,01-0,05 U/ml
|
|
|
Licht
|
�?? of N
|
N
|
0,05-0,40 U/ml
|
IX
|
Hemofilie B
|
Zeer ernstig
|
1:100.000
X-gebonden
|
�??�??�??
|
N
|
< 0,01 U/ml
|
|
|
Matig
|
�??�??
|
N
|
0,01-0,05 U/ml
|
|
|
Licht
|
�?? of N
|
N
|
0,05-0,40 U/ml
|
|
|
Ernstig
|
1:1.000.000
|
�??
|
�??
|
< 0,05 U/ml
|
XI
|
Hemofilie C
|
Matig
|
1:250.0001
|
�??
|
N
|
< 0,02 U/ml
|
|
|
Geen
|
|
�??�??
|
N
|
< 0,10 U/ml
|
Prekallikreïne
|
Fletcher disease
|
Geen
|
|
�??�??
|
N
|
< 0,10 U/ml
|
Hoogmoleculair kininogeen
|
Fitzgerald desease
|
Geen
|
|
�??�??
|
N
|
< 0,10 U/ml
|
XIII
|
|
Licht
|
1:1.000.0002
|
N
|
N
|
< 0,10 U/ml
|
Von Willebrand factor
|
Ziekte van Von Willebrand
|
Licht-ernstig
|
1:100
|
N of �??
|
N
|
< 0,50 U/ml
|
1 vooral bij Ashkenazi-joden 2 hoofdzakelijk postpartum
|
n = normaal; �?? = verhoogd
|
Valkuilen: Aanwezigheid van heparine, fibrine of fibrinogeen afbraakproducten, lupus anticoagulans en andere circulerende anticoagulantia kunnen, indien niet herkend, aanleiding geven tot foutieve conclusies betreffende de activiteit van stollingsfactoren. Onjuiste bloedafname en onzorgvuldige behandeling van het bloedmonster kunnen de activiteit van de meeste stollingsfactoren beïnvloeden.
Referentiewaarden: Stollingsfactoren II, V, VII, VIII, IX, XI, X, XI, XII, prekallikreïne en hoogmoleculair kininogeen: 0,70-1,30 U/ml (of 70-130% van normaal). Fibrinogeen: 1,5-4,0 g/l.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 2,77 - �?� 11,08
Literatuur: Referenties
- Gram J, Jespersen J. Introduction to laboratory assays in haemostasis and thrombosis. In: Jespersen J, et al. (eds). Laboratory techniques in thrombosis - a manual. 2nd rev. ed. Dordrecht: Kluwer, 1999: 1-7
.
- Mannucci PM, Tripodi A. Factor VIII clotting activity. In: Jespersen J, et al. (eds). Laboratory techniques in thrombosis - a manual. 2nd rev. ed. Dordrecht: Kluwer, 1999: 107-13
.
Achtergrondinformatie
- Akkerman JWN, Harthoorn-Lasthuizen EJ, Hoffmann JJML. Laboratoriumdiagnostiek van hemostase en trombose. Ned Tijdsch Klin Chem 1998; 23: 55-7
.
- Colman RW, et al. (eds). Hemostasis and thrombosis: basic principles and clinical practice. 4th ed. Philadelphia: Lippincott, Williams&Wilkins, 2001
.
- Girolami A, De Marco L, Dal Bo Zanon R, et al. Rarer quantitative and qualitative abnormalities of coagulation. Clin Haematol 1985; 14: 385-410
.
- Loscalzo J, Schafer AL (eds). Thrombosis and hemorrage. 2nd ed. Philadelphia: Lippincott, Williams&Wilkins, 1998
.
- Peyvandi F, Mannucci PM. Rare coagulation disorders. Thromb Hemost 1999; 82: 1207-14
.
- Walker ID. Blood collection and sample preparation: pre-analytical variation. In: Jespersen J, et al. (eds). Laboratory techniques in thrombosis - a manual. 2nd rev. ed. Dordrecht: Kluwer, 1999: 21-8
.
|
|