| |
Doel: Bepaling van het Low density lipoproteins-(LDL-)cholesterol in serum of plasma.
Vereiste klinische informatie: Standaard informatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).
Beschrijving methodes: Er zijn vele manieren om het LDL-cholesterol te bepalen. De belangrijkste zijn:
- directe, homogene methodes die gebruik maken van verschillende reagentia om VLDL, HDL en chylomicronen te inactiveren waarna het cholesterol in het actieve LDL-cholesterol enzymatisch gemeten wordt;
- nog veel toegepast wordt de berekening via de Friedewald-formule, waarvoor nodig zijn totaal cholesterol, triglyceriden en HDL-cholesterol. Het LDL-cholesterol wordt vervolgens berekend door van het totaal cholesterol het HDL-cholesterol en VLDL (als TG-fractie) af te trekken: Friedewald-formule: LDL-chol = totaal chol - HDL-chol - 0,45 x triglyceriden;
- ultracentrifugeren ter bepaling van LDL (deze techniek is meestal niet routinematig beschikbaar).
Belasting voor de patiënt Venapunctie. Voorbereiding patiënt Géén specifieke voorbereiding; afname kan op ieder willekeurig tijdstip plaatsvinden. Echter, indien het laboratorium het LDL-cholesterol middels de Friedewald-formule berekent dient de afname nuchter te geschieden. Materiaalafname/Fixatie Lipoproteïnen zijn niet stabiel en moeten in serum of plasma worden bepaald, liefst binnen 24 uur na afname. Bewaren in de diepvries is mogelijk (�??20°C, beter: �??70°C). Anderen bevelen aan om maximaal 24 uur te bewaren bij 4°C en raden wegens fout-lage waarden bewaring in diepgevroren toestand af. Stoorfactoren Standaardisatie van lipiden-analyses laat nog te wensen over. Als referentiemethode wordt de ultracentrifugemethode beschouwd. Omwille van de (normale) intra-individuele biologische variabiliteit en de analytische variabiliteit wordt aanbevolen het LDL-cholesterol tweemaal te laten bepalen met een minimaal interval van een week, binnen een periode van acht weken.
Mogelijke toepassingen:
- schatting van het risico van coronaire hartziekten (CAHZ) bij patiënten die daarvoor volgens de cholesterolconsensus in aanmerking komen
- controle bij therapie met (LDL-)cholesterolverlagende middelen
- bestudering van specifieke problemen in de lipoproteïnenhuishouding
Interpretatie: Lipoproteïnen zijn hoogmoleculaire complexen van eiwitten en lipiden zoals cholesterol, fosfolipiden en triglyceriden die via het bloed worden getransporteerd. Verschillende klassen lipoproteïnen kunnen gescheiden worden middels ultracentrifuge, berustend op verschillen in soortelijke massa (dichtheid). De zo gevonden klassen heten HDL, VLDL, IDL en LDL. Klassiek is scheiding via elektroforese op basis van de elektrostatische lading van de eiwitten en de grootte van het complexe deeltje (de zo gevonden fracties worden α, pré-β, �??broad-β�?? en β genoemd). De chylomicronen zijn bij elektroforese onbeweeglijk en hebben een dichtheid nog lager dan die van VLDL. De LDL-fractie, overeenkomend met het β-lipoproteïne, ontstaat bij de afbraak van VLDL. Het VLDL-partikel, dat endogene triglyceriden vanuit de lever distribueert, wordt door lipoproteïnelipase gedeeltelijk afgebroken tot vetzuren en verandert via IDL in een LDL-deeltje. LDL bevat ongeveer 70-75% van het serumcholesterol. LDL wordt via specifieke receptoren in de lever en in andere weefsels, die cholesterol behoeven, opgenomen. Bij een tekort aan receptoren of een niet-functionerende receptor is de LDL-concentratie in plasma verhoogd. Een niet-specifiek opnamemechanisme ('scavenger proces') treedt dan meer op de voorgrond. Met name macrofagen kunnen LDL opnemen en er ontstaan zogenaamde schuimcellen, die tot atherosclerotische plaquevorming leiden. De mate van LDL-oxidatie speelt hierbij een rol. Verhoogde cholesterolconcentraties in bloedserum of -plasma, met name geldt dit voor LDL, gaan gepaard met een verhoogd risico van het krijgen van CAHZ. In de welvarende 'Westerse' samenlevingen is deze ziekte de grootste doodsoorzaak, met name betreft dit het myocardinfarct. De belangrijke rol van LDL-cholesterol in diagnosestelling en behandeling van hypercholesterolemie tezamen met de recente beschikbaarheid van directe LDL-cholesterol bepalingsmethodes zouden er wel eens toe kunnen leiden dat de LDL-cholesterol bepaling die van totaal cholesterol op termijn zal vervangen.1 De epidemiologische interpretatie volgens aanbevelingen van de cholesterolconsensus met een aanvullende aanbeveling voor triglyceriden en LDL-cholesterol staat vermeld in tabel 1.
Tabel 1: Epidemiologische interpretatie van LDL-cholesterol
omschrijving risico
|
totaal-cholesterol
|
HDL-cholesterol
|
triglyceriden
|
LDL-cholesterol
|
(referentie-eenheid)
|
< 5
|
> 1
|
< 2
|
< 3
|
gering
|
< 5,0
|
|
|
< 3,6
|
gewoon
|
5,0-6,4
|
0,9-2,0
|
|
3,6-4,4
|
verhoogd
|
6,5-7,9
|
< 0,9*
|
2,0-5,9
|
4,5-5,6
|
sterk verhoogd
|
�?� 8,0
|
|
6,0-11,0
|
�?� 5,7
|
* voor vrouwen is het beter 1,1 te nemen concentraties in mmol/l
|
Sensitiviteit en specificiteit zijn afhankelijk van de gebruikte methode en de onderzochte populatie.
Vergelijking andere methodes: Ongeveer 50% van de patiënten met CAHZ heeft géén van de klassieke risicofactoren zoals stoornissen in de vetstofwisseling (dyslipidemie), hypertensie, roken of diabetes. Naast de bepaling van de lipidenhuishouding middels totaal cholesterol, LDL-cholesterol en HDL-cholesterol en eventueel triglyceriden zijn er door het laboratorium nog andere parameters te bepalen waarvoor aanwijzingen zijn dat ze geassocieerd zijn met een verhoogd risico op CAHZ, zoals homocysteïne, fibrinogeen en het ultra-sensitieve C-reactieve proteïne. Voordat deze zogeheten nieuwe risicoparameters in de dagelijkse praktijk ingezet kunnen worden zal aan een aantal criteria voldaan moeten worden (o.a. methodologische consensus met betrekking tot sensitiviteit, specificiteit en methode standaardisatie, bewijs uit epidemiologische prospectieve studies, toegevoegde waarde in risicopredictie bovenop de bestaande risicofactoren).2
Referentiewaarden: Zie tabel 1.
Tarief (excl. ordertarief): �?� 6,07
Literatuur: Referenties
- Okada M, Ishida R. Direct measurement of low-density-lipoprotein cholesterol is more effective than total cholesterol for the purpose of lipoprotein screening. Prev Med 2001; 32: 224-9
.
- Dominiczak MH. Risk factors for coronary disease: the time for a paradigm shift?. Clin Chem Lab Med 2001; 39: 907-19
.
Achtergrondinformatie
- CBO. Behandeling en preventie van coronaire hartziekten door verlaging van de plasmacholesterolconcentratie: consensus cholesterol. tweede herziening. Utrecht: CBO, 1998
.
|
|