Dit waren de allereerste patiënten van het UMCG

Een knoopmaker, een matroos, een handjevol dienstmeiden en soldaten: tussen 1797 en 1798 worden zij als eerste opgenomen in het “Nosocomium Academicum” aan de Hofstraat in Groningen. Ondanks dat het hospitaal toen nog niet bepaald een succes was, waren de behandelingen dat wel. 
11 november 1797. De hoogleraar geneeskunde Evert Jan Thomassen à Thuessink is in alle vroegte van huis vertrokken naar zijn allereerste spreekuur in de voogdenkamer van het Diaconie Arm- en Kinderhuis, ook wel het Groene Weeshuis genoemd. Daar melden zich vandaag zijn eerste patiënten in de pas ingerichte spreekkamer. Samen met de speciaal daarvoor aangestelde medicus Jacobus van Geuns heeft hij afgesproken dat hij eerst de diagnose stelt, waarna Van Geuns de verzorging van de hoogleraar overneemt. Van Geuns regelt de medicijnen. 

Voor het eerst patiënten in de vrouwen- en mannenzaal 

De eerste vijf patiënten op deze herfstachtige dag in 1797 komen duidelijk uit de lagere klassen van de bevolking: twee weesjongens, twee arme mannen en een schoonmaakster. Ze zijn bij Thomassen à Thuessink aan het goede adres, want speciaal voor hen is dit gratis spreekuur bedoeld. Nadat de eerste dag polikliniek is gehouden, volgt enkele dagen later de eerste opname in het ziekenhuis. De 24-jarige dienstmeid Anna Portmans wordt met ‘cataractische koortsen’ ondergebracht op de vrouwenkamer. Eind november 1797 wordt ook de eerste mannelijke patiënt opgenomen. In de mannenkamer van het hospitaal komt op 27 november de 66-jarige bedeelde A. Lijphart te liggen, die behandeld wordt voor verlammingsverschijnselen. 

“Water in de borst”

De Groningse zieken weten het acht bedden tellende ziekenhuis dat eerste jaar vooral te vinden met klachten aan de luchtwegen: tering, pleuritis en kortademigheid zijn vaak geconstateerde kwalen. Verder komen verschillende soorten koortsen voor. Het meest opmerkelijk is toch wel het succes van de behandeling. Van de 106 zieken sterven er vier en kan één iemand niet verder worden geholpen. Bij dertien patiënten treedt verbetering op, terwijl zestig genezen worden verklaard. Van de rest is het resultaat van de behandeling onbekend of is de kuur in februari 1799 nog aan de gang. 

Sterfhuis voor armen

Een groot succes is het hospitaal nog niet. Thomassen à Thuessink heeft moeite geschikte patiënten te vinden. De gewone burger ziet een ziekenhuis namelijk vooral als een sterfhuis voor armen. Opname is een vernederende vorm van bedeling. Dat het UMCG ontstaat in het armenhuis en de dagelijkse verzorging in handen ligt van oppassers en dienstmeiden, bevestigt deze mening. Een groot deel van de tijd zijn de bedden nog onbezet. Nu, 225 jaar later, kan het verschil niet groter zijn.