Blaasverwijdering

​​​​​​​​​​​​​Een blaasverwijdering is een kijkoperatie of een 'open' operatie waarbij we de hele blaas weghalen en een nieuwe urine-afvoer maken. Deze operatie heet ook wel een radicale cystectomie.

We doen een blaasverwijdering meestal bij blaaskanker​ waarbij de tumor is ingegroeid in de blaasspier. Dit heet spierinvasieve blaaskanker. Of bij oppervlakkige blaaskanker die niet meer op een andere manier te behandelen is. Heel soms doen we deze operatie als de blaas niet goed meer werkt. Dat kan komen door een afwijking van het zenuwstelsel of als de blaas heel veel schade heeft door een ontsteking.

Nieuwe urine-afvoer

De blaas vangt urine op, die u daarna uitplast. Als we de blaas weghalen, moet de urine op een andere manier uit uw lichaam kunnen. Daarom maken we tijdens een blaasverwijdering altijd een nieuwe urine-afvoer om de functie van de blaas te vervangen. Dat is een urinestoma of een neoblaas.

Elke van de 2 oplossingen, urinestoma of neoblaas, heeft voor- en nadelen. Welke operatie voor u het beste is, bespreekt u met uw arts op basis van een speciale keuzehulp. Uw keuze heeft geen invloed op uw kans op genezing van blaaskanker.

  • Een urinestoma is een uitgang op de onderbuik. Dit wordt gemaakt van een stukje dunne darm van 10-15 centimeter. Daar loopt de urine in een opvangzakje dat aan de buik vast zit. De stoma werkt als een soort ‘doorgeefluikje’ waar de urine doorheen loopt. De stoma zit vaak rechts onderop de buik.

    Het andere uiteinde van de darm wordt in de buikwand gehecht en met omgevouwen randje in de huid vastgezet. De urinestoma steekt 2-3 centimeter boven de buikwand uit. Hierdoor kan het opvangzakje goed vastgeplakt worden.


  • Een neoblaas is een nieuwe blaas die we maken van een stuk dunne darm van ongeveer 60 centimeter. Daarin komt net als in een gewone blaas, de urine terecht. We sluiten de neoblaas aan op de eigen plasbuis, zodat u ‘normaal’ kunt plassen. Een neoblaas is dus niet te zien aan de buitenkant van het lichaam.

    Een neoblaas werkt anders dan een gewone blaas. U heeft bijvoorbeeld niet meer het gevoel dat u moet plassen. Deze aandrang had u wel voor de operatie. Om te kunnen plassen, moet u leren uw sluitspier te ontspannen. Een bekkenfysiotherapeut leert u hoe u urineverlies na de operatie kunt tegengaan door uw bekkenbodemspieren te trainen. U kunt het beste al vóór de operatie een afspraak maken.


De behandeling stap voor stap

  1. U krijgt een brief en informatie van ons. Hierin staat hoe u zich voorbereidt. Als u bloedverdunners gebruikt, moet u daar waarschijnlijk een paar dagen voor de operatie mee stoppen. Uw arts vertelt u of en wanneer u moet stoppen.

    U heeft voor de operatie een afspraak met de anesthesioloog over de verdoving. Een verpleegkundige vertelt u over de operatie en de voorbereidingen. Een blaasverwijdering is een zware operatie. We bespreken hoe u uw lichaam hierop voorbereidt en daarmee de kans vergroot dat u goed herstelt. Zo krijgt u adviezen over voeding, bewegen en stoppen met roken.

    Van de stomaverpleegkundige krijgt u informatie over de aanleg en verzorging van de nieuwe urine-afvoer. Tijdens deze afspraak krijgt u een kleine tatoeage op uw buik. Dit is om de stomaplaats af te tekenen. Draag bij dit gesprek kleding die u veel draagt en waarin u zich prettig voelt.

  2. Meestal wordt u op de ochtend voor de operatie opgenomen in het ziekenhuis, soms een dag van tevoren. In de opnamebrief staat waar u moet zijn. 

  3. U trekt operatiekleding aan. Contactlenzen, bril, gebitsprothese, sieraden en piercings moeten uit of af. U krijgt een infuus in uw arm. U krijgt ook een epiduraal katheter. Dit zijn slangetjes in uw rug die we gebruiken om pijnstillers te geven. Soms lukt het niet om een epiduraal katheter te geven. Dan krijgt u de pijnstillers via het infuus. Daarna gaat u naar de operatiekamer.

    U krijgt een narcosemiddel via het infuus, zodat u niets van de operatie merkt. Vervolgens maken we een snee in uw onderbuik. Via deze snee halen we eerst de lymfeklieren in de buurt van de blaas weg en daarna de blaas zelf. Bij een vrouw halen we meestal ook de baarmoeder weg en na de overgang ook de eierstokken. Bij een man halen we de prostaat en de zaadblaasjes weg.

    Als we de blaas weggehaald hebben, leggen we de nieuwe urine-afvoer​ aan. Dit gebeurt ook via de snee die maken voor de blaasverwijdering. De urineleiders maken we vast aan de neoblaas of aan de stoma. Tijdens de operatie plaatsen we dunne slangetjes in de urineleiders. Deze ‘splints’ voeren tijdelijk urine af. 

    De blaasverwijdering en het maken van een nieuwe urine-afvoer duren samen 4-6 uur. Hoe lang de operatie precies duurt hangt af van uw situatie en het soort operatie. U blijft 10-14 dagen in het ziekenhuis.

  4. Na de operatie gaat u naar de uitslaapkamer. Als u goed wakker bent en geen pijn meer heeft, gaat u naar de verpleegafdeling. Daar komt er elke dag een arts langs om te kijken het met u gaat en of u genoeg medicijnen tegen de pijn krijgt.

    Voor uw herstel is het goed om zo snel mogelijk weer zelf te eten en te drinken. Zolang dit nog niet lukt, krijgt u vocht via een infuus. U begint voorzichtig met het drinken van water en thee. Als dit goed gaat, kunt u ook voorzichtig weer proberen te eten. De eerste dagen na de operatie werken uw darmen nog niet goed. Soms geven we dan sondevoeding via een maagsonde.

    Vanaf de dag na de operatie is het goed dat u zo snel mogelijk uit bed gaat en beweegt. Dit is om problemen als trombose, doorliggen en het ophopen van slijm te voorkomen. Ga zo rechtop mogelijk in bed zitten, adem diep door en hoest slijm op. Dit is om de kans op een longontsteking te verkleinen.

    Als u een neoblaas heeft gekregen, heeft u na de operatie een blaaskatheter die uit de plasbuis komt. Deze zorgt ervoor dat de nieuwe blaas genoeg rust krijgt om aan de plasbuis vast te groeien. We halen de blaaskatheter 2-3 weken na de operatie weg. Een darm geeft darmslijm af. Ook als je de darm gebruikt als blaas. Daarom moet u de neoblaas in het begin spoelen, om te voorkomen dat de katheter verstopt raakt met slijm. Na een tijdje verandert het slijm in sliertjes die u uit kunt plassen.

    We halen de 'splints' 10-12 dagen na de operatie weg.

  5. U kunt na ongeveer 2 weken naar huis als u voldoende bent hersteld. Dit betekent onder meer dat u geen koorts heeft, weer normale ontlasting heeft, u weer normaal eet en u zichzelf goed kunt verzorgen. Ook moet de thuiszorg geregeld zijn voordat u naar huis kunt.

    De eerste 6-8 weken na de operatie mag u niet fietsen, niet zwaar tillen en geen zwaar huishoudelijk werk doen. Pers niet te hard bij het poepen. Eet na de operatie gezond, drink minstens 2 liter water per dag en beweeg voldoende. De wond moet droog blijven. Gebruik daarom geen pleister die afsluit en dep de wond droog na het douchen.

    Het duurt ongeveer 3-6 maanden voordat u helemaal hersteld bent.

    Neem contact met ons op als:

    • u blijvende buikpijn heeft die ook niet stopt als u pijnstillers gebruikt
    • u koorts heeft boven de 38,5°C of langer dan 24 uur boven de 38°C
    • er veel bloed in uw plas zit
    • de wond verandert: rood, pijnlijk, open, pus
    • er geen urine meer in het stomazakje of de katheterzak komt
    • de katheter eruit valt bij een neoblaas

    U kunt op werkdagen tussen 8.30-12.00 en 13.00-16.00 uur bellen naar (050) 361 21 67. Op andere dagen en tijden kunt u bellen naar het algemene nummer (050) 361 61 61 en vragen naar een uroloog.

  6. We onderzoeken de weggehaalde blaas en lymfeklieren in het laboratorium op kankercellen. U krijgt de uitslag daarvan meestal binnen 2 weken na de operatie van uw arts.

  7. Als u een neoblaas heeft gekregen, gaat u na ongeveer 3 weken weer naar het ziekenhuis. We onderzoeken dan of de naden van de neoblaas dicht zijn. Als dat zo is, halen we de blaaskatheter weg. U kunt dan zelf plassen en gaat dit oefenen. Ook leert u hoe u zichzelf moet katheteriseren om de blaas te legen en te spoelen. U maakt ook afspraken over wanneer u terugkomt voor controle.

    Als u een urinestoma heeft gekregen, blijft u de rest van uw leven onder controle. Het 1e jaar heeft u om de 3-4 maanden een afspraak, het 2e jaar elke 6 maanden en daarna 1 keer per jaar. We doen dan bijvoorbeeld bloed- en urineonderzoek, of we maken een echo van de nieren.

  • Bij elke operatie kunnen er achteraf problemen zijn. Ook als de operatie zelf goed is gegaan. Na de operatie kunt u last hebben van:

    • lekkage van de urine
    • darmproblemen
    • een wondinfectie
    • een longontsteking
    • een nabloeding
    • naadlekkage van de darm
    • een breuk in de spierlaag van de buik

    Deze problemen kunnen ervoor zorgen dat u langer in het ziekenhuis moet blijven. Soms krijgt u opnieuw een operatie om de problemen op te lossen.


  • Iemand die ziek is, is extra vatbaar voor infecties. Het is daarom belangrijk dat patiënten goed beschermd worden tegen ziektekiemen. In het UMCG zetten we elke dag alles op alles om infecties te voorkomen. Bekijk wat we doen en hoe we dat doen.


    Infecties voorkomen. Hoe doen we dat?

    • Antibiotica-team

      Elke ochtend bespreekt dit team nieuwe patiënten die antibiotica krijgen om te zorgen dat ze de juiste kuur krijgen. Dit kan ook het stoppen met antibiotica betekenen. Zo helpen we voorkomen dat bacteriën resistent worden voor antibiotica.

    • Artsen-microbioloog

      Deze mensen houden zich bezig met het aantonen van infecties en het bepalen van de beste behandeling. Ze kunnen een epidemie ontdekken voordat de eerste patiënt ziek wordt.

    • Hygiëne voor bezoekers

      Bij de ingang van elke verpleegafdeling kunt u uw handen wassen met speciale gel en een mondkapje op doen als u verkouden bent. Zo houden we samen ziektekiemen buiten de deur.

    • Infectiepreventie in het ziekenhuis

      Onze collega’s van de unit voor infectiepreventie werken overal in het ziekenhuis. Ze stellen regels op om te voorkomen dat virussen en bacteriën zich verspreiden, om patiënten tegen infecties te beschermen. Zo mogen artsen en verpleegkundigen geen sieraden dragen en hun persoonlijke hygiëne moet voldoen aan strenge eisen.

Bijwerkingen en risico's

Bij elke operatie kunnen er achteraf problemen zijn. Ook als de operatie zelf goed is gegaan. Na de operatie kunt u last hebben van:

  • lekkage van de urine
  • darmproblemen
  • een wondinfectie
  • een longontsteking
  • een nabloeding
  • naadlekkage van de darm
  • een breuk in de spierlaag van de buik

Deze problemen kunnen ervoor zorgen dat u langer in het ziekenhuis moet blijven. Soms krijgt u opnieuw een operatie om de problemen op te lossen.

Infecties voorkomen

Iemand die ziek is, is extra vatbaar voor infecties. Het is daarom belangrijk dat patiënten goed beschermd worden tegen ziektekiemen. In het UMCG zetten we elke dag alles op alles om infecties te voorkomen. Bekijk wat we doen en hoe we dat doen.

Infecties voorkomen. Hoe doen we dat?

  • Antibiotica-team

    Elke ochtend bespreekt dit team nieuwe patiënten die antibiotica krijgen om te zorgen dat ze de juiste kuur krijgen. Dit kan ook het stoppen met antibiotica betekenen. Zo helpen we voorkomen dat bacteriën resistent worden voor antibiotica.

  • Artsen-microbioloog

    Deze mensen houden zich bezig met het aantonen van infecties en het bepalen van de beste behandeling. Ze kunnen een epidemie ontdekken voordat de eerste patiënt ziek wordt.

  • Hygiëne voor bezoekers

    Bij de ingang van elke verpleegafdeling kunt u uw handen wassen met speciale gel en een mondkapje op doen als u verkouden bent. Zo houden we samen ziektekiemen buiten de deur.

  • Infectiepreventie in het ziekenhuis

    Onze collega’s van de unit voor infectiepreventie werken overal in het ziekenhuis. Ze stellen regels op om te voorkomen dat virussen en bacteriën zich verspreiden, om patiënten tegen infecties te beschermen. Zo mogen artsen en verpleegkundigen geen sieraden dragen en hun persoonlijke hygiëne moet voldoen aan strenge eisen.

Heeft u nog vragen?

U kunt de polikliniek Urologie bellen van maandag tot en met vrijdag, tussen 8.00 en 16.30 uur.