U kunt hier uw voorkeuren instellen voor cookies voor sociale media en doelgerichte reclame. We plaatsen altijd functionele cookies en analytische cookies. Functionele cookies zijn nodig om de site goed te laten werken. Met analytische cookies verzamelen we anonieme gegevens over het gebruik van onze site. Met die gegevens kunnen we de site verder verbeteren zodat u makkelijker kunt vinden wat u zoekt.
‘24 november 1949 is een datum die ik nooit meer vergeet. Dit is de dag waarop ik als tienjarig meisje kinderverlamming kreeg. Ik was die dag erg moe en had geen gevoel meer in mijn benen. We dachten eerst dat het oververmoeidheid was, maar toen ik pijn bleef houden werd onze huisarts erbij gehaald.
Hij onderzocht mij door met een scherp voorwerp over mijn benen te gaan en omdat hij het niet vertrouwde werd ik doorgestuurd naar het Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel. Daar werd ik onderzocht en nadat ik een ruggenmergpunctie kreeg - die zo pijnlijk was dat ze me aan het uiteinde van de gang konden horen huilen - kreeg ik te horen dat ik polio had.
Ik werd opgenomen in de barakken van de kinderafdeling. Hier lagen we erg geïsoleerd, bezoekers konden alleen op afstand langskomen. Dit was voor mij een trieste tijd, ook omdat ik nog nooit van huis was geweest en ontzettend veel heimwee had. Bezoekers stonden buiten in weer en wind (het was november) en probeerden door de dikke ramen met ons te praten. Op de afdeling werd er elke dag bloedonderzoek gedaan en de beloning was een bekertje limonade. Ik zie het roestvrijstalen bekertje nog voor me met die heerlijke zoete drank. Veel meer lekkers zat er niet in: hoofdzuster Schurer was een lieve vrouw, maar hanteerde strenge regels. Lustte je geen eten, nou dan maar een beetje tot je honger kreeg en dan moest je wel. Als mijn moeder stiekem iets lekkers meenam, dan at ik dat stiekem onder dekens op.
Na ongeveer zes weken werd de isolatie opgeheven, omdat het besmettingsgevaar toen geweken was. Bezoek mocht dichterbij komen, maar zij moesten eerst door een sluis met dikke ijzeren deuren. Mijn moeder kwam elke middag langs om samen met mij in de rolstoel over het ziekenhuisterrein te wandelen. De rolstoel was beslist geen lichtgewicht, maar een soort houten troon met twee lange koperen stangen om te duwen. Loodzwaar! Het ziekenhuisterrein was een oase van rust, met aan de zijde van de Oostersingeldwarsstraat een kleine wandeltuin met prieeltjes. Het liefst wilde ik naar de grote poort aan de Oostersingel, want daartegenover was een ijssalon en daar kocht mijn moeder af en toe een ijsje. Maar o wee. Op een dag zette mijn moeder de rolstoel niet op het smalle trottoir, maar op het stukje asfaltweg onder de poort. Dat was niet best! Toen we terugkwamen op de afdeling zei de hoofdzuster dat mijn moeder mij nooit alleen had mogen laten staan! Nog één vergelijkbare fout en dan zou ze NOOIT meer met mij over het terrein mogen wandelen.’
In totaal bracht Martha veertien maanden door in de barakken van het UMCG. Hoewel ze het eerste half jaar maar weinig kon, begon ze al wel snel met oefenen. ‘Samen met de masseur (zoals destijds de fysiotherapeut werd genoemd, red.) begon ik al snel met oefenen. Hierdoor kon ik op een gegeven moment kleine pasjes maken. Naast mijn oefenschema kreeg ik regelmatig les van juf Vaatstra om schoolachterstand te voorkomen. Mijn motivatie was echter niet groot, want ik wilde graag naar huis.’
Uiteindelijk keerde Martha in januari 1951 terug naar huis. Ze leerde te leven met krukken. Sinds enkele jaren zit Martha in een rolstoel omdat haar armen hun kracht hebben verloren. Maar deze fysieke beperkingen hebben Martha niet weerhouden van het najagen van haar passies. Ze speelde altijd zitvolleybal en beoefende zwemmen.