Nieuwe meetmethode herkent verborgen ondervoeding bij patiënten beter

Een nieuwe methode om risico op ondervoeding vast te stellen zorgt ervoor dat dit risico beter wordt herkend bij ziekenhuispatiënten, óók bij patiënten met overgewicht. Meer dan een derde van de in het ziekenhuis opgenomen patiënten met overgewicht bleek een verhoogd risico op ondervoeding te lopen. Ook het meten van spiermassa leidde tot betere opsporing van ondervoeding. Dit blijkt uit onderzoek van diëtist en onderzoeker Iris van Vliet van het UMCG. Zij promoveert op 10 juni op de bevindingen van haar proefschrift aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Door vergrijzing en de toename van het aantal mensen met overgewicht groeit het aantal mensen met chronische ziekten. Bestrijding van overgewicht krijgt daarom terecht veel aandacht. Maar ook ondervoeding komt nog veel voor; vooral in de zorg en met verstrekkende negatieve gevolgen voor de gezondheid. Aangezien overgewicht het signaleren van ondervoeding kan bemoeilijken en overgewicht dus steeds meer voorkomt, onderzocht Iris van Vliet mogelijkheden dit te verbeteren.    

Nieuwe meetmethoden  

Voor haar onderzoek ging Iris van Vliet op vier verschillende verpleegafdelingen van het UMCG na hoe de opsporing van ondervoeding bij de daar opgenomen patiënten verliep. Bij hen werd de huidige meetsystematiek (de MUST-screening) vergeleken met een nieuwere methode van meting, de screening en beoordeling met de zogeheten PG-SGA (SF). Deze laatste methode is minder gericht op het gewicht en meer op risicofactoren voor ondervoeding, zoals klachten die de voedingsinname kunnen bemoeilijken (zoals misselijkheid of slikproblemen). Ook deed zij onderzoek naar ondervoeding bij niertransplantatiepatiënten door spiermassa te meten.  

Beter herkennen risico op ondervoeding bij ziekenhuis patiënten 

Uit haar onderzoek blijkt dat met een PG-SGA SF methode, 2.5 keer zoveel risico op ondervoeding wordt gevonden als met de huidige MUST-screening. Het verschil in signalering was met name groot bij patiënten met overgewicht. De huidige meetmethode vond in die groep nauwelijks patiënten met een verhoogd risico op ondervoeding (5%), terwijl met de andere screening bleek dat meer dan een derde (36%) van deze patiënten een verhoogd risico loopt. Bovendien bleek de andere manier van screenen beter juist díe patiënten op te kunnen sporen die een hoger risico liepen op slechtere uitkomsten, zoals een lange opnameduur of heropname in het ziekenhuis. 

Uit haar onderzoek blijkt verder dat ondervoeding nóg meer voorkomt bij ontslag dan bij opname in het ziekenhuis, namelijk 36% gemeten met de PG-SGA SF. Van de aanvankelijk nog goed gevoede patiënten, gaat 30% ondervoed met ontslag uit het ziekenhuis.  

Ondervoeding bij niertransplantatiepatiënten  

De studie van Van Vliet onder patiënten die een niertransplantatie hebben ondergaan, toont aan dat 1 op de 7 van hen ondervoed is. Dit kan echter nauwelijks worden vastgesteld op basis van hun gewicht. Bijna een kwart van hen heeft namelijk overgewicht. Het overgrote deel van deze ondervoeding berust op het feit dat zij nog maar erg weinig spiermassa hebben. Zowel een lage spiermassa als lage spierkracht gaat bij deze patiënten gepaard met een hoger risico op overlijden. Spiermassa en spierkracht worden echter nog niet standaard gemeten tijdens de controles in het ziekenhuis.  

‘Huidige aanpak schiet tekort’

Volgens Van Vliet komt ondervoeding dus vaak voor bij ziekenhuispatiënten. ‘De huidige aanpak van dit probleem schiet tekort. Daarmee blijft een aanzienlijk deel van de ondervoeding in het ziekenhuis verborgen. Dat heeft gevolgen voor de gezondheid van de patiënten en ook voor de belasting van de zorg. Betere signalering is mogelijk door betere meetmethoden als de PG-SGA SF of het meten van spiermassa en spierkracht in de praktijk in te voeren. Dit vraagt om investering in onderzoek, aanpassing van het beleid en richtlijnen en ook om een sterke positie van diëtetiek in het ziekenhuis.’ Volgens haar blijft het herkennen en voortzetten van de behandeling van ondervoeding ook na de ziekenhuisopname heel belangrijk. ‘Dit vraagt om een ketenaanpak en een nauwe samenwerking met zorgpartners in de regio’.    

Curriculum vitae  

Iris van Vliet (1992, geboorteplaats Taipei, Taiwan) studeerde Voeding en Diëtetiek aan de Hanze University of Applied Sciences en Psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij deed haar onderzoek bij onderzoeksintituut SHARE van het UMCG. De titel van haar proefschrift is: ‘Verborgen ondervoeding in het ziekenhuis? Herkenning van (risico op) ondervoeding in de complexe ziekenhuiszorg ’. Zij werkt als diëtist en onderzoeker in het UMCG.   

Meer over haar onderzoek is te zien in bijgaande lezing van de Medische Publieksacademie van het UMCG.