• Tekstgrootte
 Mijn UMCG  

Resultaten uit onderzoek

Print 

De resultaten uit het Eurocat onderzoek worden gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften en op onze website. We werken voor onderzoeken regelmatig samen met andere onderzoekers, zoals artsen en epidemiologen uit binnen- en buitenland. Eurocat ondersteunt onder andere ook het ministerie van VWS bij het maken van beleidskeuzes met het oog op het voorkomen van aangeboren aandoeningen.

Resultaten uit eerder onderzoek

In 2012 is door onderzoek van Eurocat voor het eerst aangetoond dat overgewicht in combinatie met roken tijdens de zwangerschap een extra verhoogd risico op hartafwijkingen bij het ongeboren kind geeft, in vergelijking tot beide factoren afzonderlijk.

Lees het volledige artikel.

Impact van de prenatale screening op de tijdstip van diagnose en uitkomsten van zwangerschappen van een kind met down-, edwards of patausyndroom.
Sinds 2007 kunnen alle zwangere vrouwen in Nederland hun ongeboren kind laten onderzoeken op een aantal aangeboren aandoeningen. In het begin van de zwangerschap kan onderzoek gedaan worden naar de kans op een chromosomale aandoening zoals down- edwards- en patausyndroom (trisomie 21,18 en 13) door middel van de combinatietest. Sinds 1 april 2017 is ook de niet invasieve prenatale test (NIPT) daarvoor beschikbaar. Rond  de 20e week wordt een echo (SEO) aangeboden waarbij gekeken wordt naar structurele afwijkingen, zoals bijvoorbeeld een open ruggetje of afwijkingen aan het hart. Deze onderzoeken heten prenatale screening. In deze studie hebben we onderzocht wat de effecten zijn van de introductie van de prenatale screening op down-, edwards en patausyndroom . We hebben daarbij goed gekeken naar wanneer de diagnose is gesteld (tijdens de zwangerschap of na de zwangerschap) en wat de uitkomsten van deze zwangerschappen waren (een levend geboren kind, een afgebroken zwangerschap of een doodgeboren kind. Tijdens de onderzoeksperiode van 2005 -2012 is in Noord Nederland bij 503 (ongeboren) kinderen down- edwards of patausyndroom vastgesteld. Alhoewel het percentage zwangeren dat een screeningstest liet uitvoeren in deze groep steeg (van 62% in 2005-2006 tot 84% in 2010-2012), bleef het aantal kindjes waarbij de aandoening na de geboorte werd opgemerkt gelijk. In ongeveer 40% werd de diagnose na de geboorte gesteld.  Edwards- en patausyndroom werden na de introductie van de screening vaak wel al vroeger in de zwangerschap vastgesteld dan in de periode voor 2007 . Hierdoor zagen we vanaf 2007 meer afgebroken zwangerschappen en minder doodgeboren kinderen met edwards- en patausyndroom. Voor downsyndroom vonden we deze verschuiving niet. De introductie van de combinatietest en het SEO had weinig invloed op het tijdstip van diagnose van down-,  edwards- en patausyndroom en op de uitkomst van de zwangerschap. Relatief weinig zwangeren lieten de combinatietest uitvoeren.  Van de SEO wordt wel veel gebruik gemaakt. Daardoor werd edwards- en patausyndroom vaker al vroeger in de zwangerschap opgespoord . Deze aandoeningen gaan vaak gepaard met afwijkingen die duidelijk op echo te zien zijn. De invloed van de NIPT hebben we in dit onderzoek nog niet mee kunnen nemen.

Bouman K, Bakker MK, Birnie E, Ter Beek L, Bilardo CM, van Langen IM, de Walle HEK
The impact of national prenatal screening on the time of diagnosis and outcome of pregnancies affected with common trisomies, a cohort study in the Northern Netherlands.  
BMC Pregnancy and Childbirth. Jan 5;17(1):4.
Q2 OBSTETRICS AND GYNAECOLOGY
Lees het volledige artikel.

Foliumzuur en het type neutrale buisdefect (open schedel, open ruggetje)
Al enige tijd is bekend dat zwangere vrouwen de kans op een kind met een neurale buisdefect kunnen verkleinen door foliumzuur in te nemen. Hierbij is het belangrijk dat foliumzuur in de juiste dosis (tenminste 0,4 mg) en in de juiste periode (beginnend voor de bevruchting tot acht weken daarna) wordt ingenomen. Er zijn verschillende typen neurale buisdefecten: anencefalie (een open schedel waardoor de hersenen niet ontwikkelen), een spina bifida (een open ruggetje, waarbij de ernst wordt bepaald door de plek; hoe hoger hoe ernstiger) en een encefalocele (een opening in de schedel waardoor de hersenvliezen en soms de hersenen naar buiten komen. Voor dit onderzoek hebben we met data van EUROCAT Noord Nederland gekeken of foliumzuur inname een effect heeft op het type neurale buisdefect. Bij de groep moeders die op de juiste manier foliumzuur hadden ingenomen bleken minder kinderen een hoge spina bifida te hebben, terwijl een lage, en dus minder ernstige, spina bifida vaker voorkwam. Er was geen verschil in het percentage kinderen met een anencefalie of encefalocele. Het lijkt er dus op dat een juiste inname van foliumzuur niet alleen de kans op een neurale buisdefect verkleint, maar dat ook de ernst van de aandoening afneemt. Belangrijk hierbij is dat de moeder moet beginnen met foliumzuur vóór de bevruchting, dus op het moment dat er een kinderwens is.

Bergman JE, Otten E, Verheij JB, de Walle HE
Folic acid supplementation influences the distribution of neural tube defect
subtypes: A registry-based study.
Reprod Toxicol. 2016 Jan;59:96-100.
Q1 REPRODUCTIVE BIOLOGY
Lees het volledige artikel.

Gebruik van medicijnen die via transport eiwitten in de placenta terecht kunnen komen bij het ongeboren kind
In de placenta (moederkoek) zitten meerdere transport eiwitten die medicijnen van de zwangere vrouw naar het ongeboren kind overbrengen. Als een zwangere vrouw meerdere medicijnen gebuikt, kan het zijn dat medicijn A via het transport eiwit naar het ongeboren kind gaat, terwijl medicijn B ervoor zorgt dat het transport eiwit beter werkt. Hierdoor komt meer van het medicijn A bij het ongeboren kind terecht. Dit noemen we een interactie tussen medicijnen en een placenta transport eiwit. Als medicijn A ervoor zorgt dat het kind een hogere kans heeft op een aangeboren afwijking, is het dus ongunstig als een moeder medicijn A en B tegelijk gebruikt. In een eerder onderzoek hebben we al aangetoond dat remming van één bepaald transport eiwit (genaamd P-glycoproteïne, die stoffen juist van het ongeboren kind naar de moeder transporteert) leidt tot een hoger risico op aangeboren afwijkingen bij het kind. Deze keer hebben we gekeken naar andere transport eiwitten en het effect van verschillende medicijnen op de kans dat het ongeboren kind een aangeboren afwijking krijgt. Hiervoor hebben we data gebruikt van EUROCAT Noord Nederland en apotheekgegevens. In totaal hebben we gekeken naar 58 verschillende medicijnen en 10 verschillende placenta transport eiwitten. Hierbij vonden we geen combinatie die de kans op aangeboren afwijkingen bij het kind vergrootte. Het aantal vrouwen dat meerdere medicijnen gebruikte was niet erg groot. Het kan dus zijn dat er wel een effect is, maar dat we dit niet konden vinden in dit onderzoek.

Daud ANA, Bergman JEH, Oktora MP, Kerstjens-Frederikse WS, Groen H, Bos JH, Hak E, Wilffert B.
Maternal use of drug substrates of placental transporters and the effect of transporter-mediated drug interactions on the risk of congenital anomalies
PLoS ONE.2017; 12(3): e0173530
Q1 MULTIDISCIPLINARY SCIENCES
Lees het volledige artikel.

Jonge moeders in Noord- en Oost-Nederland en 'medicatie op maat'
Farmacogenetica is een nieuw vakgebied dat kijkt naar de invloed van erfelijke eigenschappen (DNA) op de werking van medicijnen. Niet iedereen heeft dezelfde erfelijke eigenschappen en reageert hetzelfde op medicijnen. Het kan dus zijn dat niet iedereen bij dezelfde aandoening evenveel of dezelfde medicijnen nodig heeft. Een andere term voor ‘farmacogenetica’ is ‘medicatie op maat’. Bij dit onderzoek hebben we gevraagd aan jonge moeders (vrouwen die tussen 2011 en 2014 een kind hebben gekregen en woonachtig zijn in Noord- of Oost-Nederland) wat zij weten van farmacogenetica en hoe ze er verder over denken. In totaal hebben we bijna 1000 vragenlijsten verstuurd. We hebben 219 vragenlijsten ingevuld weer terug gekregen. Hieruit bleek dat minder dan een kwart van de vrouwen eerder had gehoord van de term ‘farmacogenetica’, maar de meerderheid (65%) begreep het concept wel. Vrouwen die ooit last hadden gehad van bijwerkingen van medicijnen wisten meer over farmacogenetica dan vrouwen die geen bijwerkingen hadden gehad. Bijna 70% van de vrouwen zou in de toekomst wel een DNA test willen laten doen zodat toekomstige medicatie op haar persoonlijk toegespitst kan worden. Een kwart van de vrouwen wist niet of ze een DNA test zou willen en slechts 2% zou dit niet willen. We kregen maar 22% van de vragenlijsten teruggestuurd en het kan dus zijn dat dit een wat vertekend beeld geeft. Al met al vinden we het bemoedigend dat zoveel vrouwen een positieve houding lijken te hebben ten opzichte van ’medicatie op maat’.

Daud ANA, Bergsma EL, Bergman JEH, de Walle HEK, Kerstjens-Frederikse WS, Bijker BJ, Hak E, Wilffert B
Knowledge and attitude regarding pharmacogenetics among formerly pregnant women in the Netherlands and their interest in pharmacogenetics research
BMC Pregnancy and Childbirth. 2017 Apr 14;17(1):120
Q2 OBSTETRICS&GYNECOLOGY
Lees het volledige artikel.

KennisinZicht

Gezond vanaf de conceptie  

Heeft de gezondheid van de moeder tijdens de zwangerscahp invloed op die van haar kind?

 

Lees meer in KennisInZicht 
Volg ons op sociale mediaFacebook Volg ons op LinkedIn Twitter Youtube Instagram