• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Elektrofysiologisch onderzoek en ablatie bij een hartritmestoornis

Print 

Een elektrofysiologisch onderzoek is een inwendig onderzoek in uw hart. U krijgt dit onderzoek omdat u een hartritmestoornis heeft. Als het kan, behandelen we de ritmestoornis tijdens het onderzoek direct met een ablatie. De cardioloog verbrandt of bevriest dan de plekjes die de hartritmestoornis veroorzaken. 

Tijdens dit onderzoek gebruiken we een beetje röntgenstraling. Dit is niet schadelijk voor de patiënt, maar kan dit wel zijn voor een ongeboren kind. Daarom doen we geen elektrofysiologisch onderzoek bij zwangere vrouwen.

Voorbereiding op het onderzoek

U wordt voor dit onderzoek opgenomen. U krijgt vooraf een brief met informatie over de opname. We vragen u ook of u:

  • overgevoelig bent voor bepaalde medicijnen, jodium of pleisters
  • u met uw cardioloog heeft afgesproken om tijdelijk te stoppen met uw medicijnen, zoals een antistollingsmiddel
     

In de brief die u voor opname krijgt, staat of u ’s ochtends of ’s middags onderzocht wordt.

  • Is het onderzoek ‘s ochtends? Dan moet u vanaf 24.00 uur nuchter blijven. Dat betekent dat u vanaf 24.00 uur niets meer mag eten of drinken.
  • Is het onderzoek in de middag? Dan mag u een licht ontbijt eten voor 8.00 uur ’s ochtends. Een licht ontbijt is beschuit met jam en een kopje thee zonder melk.
  • Heeft u uw nagels gelakt? Of heeft u kunstnagels? Haal dit van uw nagels voor u naar het ziekenhuis komt. Tijdens de ingreep krijgt u een metertje op uw vingers om het zuurstofgehalte in uw bloed te meten. Dat lukt niet goed als u nagellak of kunstnagels heeft.


Verloop elektrofysiologisch onderzoek

De cardioloog heeft eerder met u besproken of u tijdens het onderzoek wakker bent, of dat u in slaap wordt gebracht. U krijgt vlak voor het onderzoek een infuusnaald op de rug van uw hand of uw arm. Via het infuus krijgt u tijdens het onderzoek medicijnen en infuusvloeistof. U krijgt een operatiejas aan. U mag uw onderbroek en sokken aanhouden.

U ligt onder steriele lakens op een behandeltafel. We desinfecteren en scheren uw liezen. U krijgt een plaatselijke verdoving in de lies, op de plek waar de katheter de aderen ingaat. Met een naald maakt de cardioloog een klein gaatje in de bloedvaten. In die gaatjes komt een inbrenghulsje. Via deze hulsjes gaan 2 katheters naar het hart tot in de kamers en de boezems. Het schuiven van de katheters in uw bloedvaten voelt u niet. Met de röntgenapparatuur kunnen we zien of de katheters de goede weg afleggen.

Om erachter te komen welke hartritmestoornis u heeft, meten we tijdens het onderzoek de elektrische activiteit van uw hart. Vaak probeert de cardioloog de hartritmestoornis kunstmatig op te wekken door via de elektrodekatheter extra prikkels naar het hart sturen. Als de ritmestoornis wordt opgewekt voelt u meestal dezelfde klachten als u thuis heeft.

We houden u natuurlijk goed in de gaten. Meestal gaat de ritmestoornis vanzelf over. Als dat niet zo is krijgt u via de katheter korte elektrische prikkels om de stoornis weer te stoppen. Soms krijgt u er via het infuus ook medicijnen voor (anti-aritmica). Houdt de stoornis aan? Dan krijgt u een elektrische schok die het hartritme herstelt. Dit heet elektrische cardioversie en gebeurt onder een lichte narcose.

Als duidelijk is wat het probleem is en welke behandeling er nodig is, gaat de cardioloog meestal direct over op de behandeling van de ritmestoornis met ablatie.

Het onderzoek duurt ongeveer 2 uur, inclusief de ablatiebehandeling. Soms gaat het om moeilijke ritmestoornissen en duurt de ingreep langer.

Wat is ablatie?

Ablatie is het wegbranden of bevriezen van het stukje hartweefsel dat de hartritmestoornissen veroorzaakt. Door het wegbranden of bevriezen ontstaat een litteken. Het littekenweefsel zorgt ervoor dat elektrische prikkels geen ritmestoornis meer kunnen veroorzaken in het hart. Soms moet er op meer plekken in het hart een litteken gemaakt worden.

Zit de hartritmestoornis aan de rechterkant van het hart? Dan kan de ablatie via 1 van de al geplaatste hulsjes in de liesader. Zit de hartritmestoornis aan de linkerkant van het hart? Dan moeten we soms ook een hulsje in de slagader in de lies inbrengen.

Het maken van de littekens tijdens de ablatie gebeurt door het opwarmen van de katheter (radiofrequente ablatie) of door het bevriezen van de katheter. Een litteken is een paar millimeter klein. Omdat de littekens zo klein zijn en de katheter steeds precies op de goede plaats moet liggen, doet de cardioloog dit net zo vaak tot het littekenweefsel de prikkels helemaal tegenhoudt.

Het opwarmen of bevriezen van de katheter duurt steeds een halve minuut tot een paar minuten. U voelt een warm of branderig gevoel, dat soms pijnlijk is. Hiervoor krijgt u extra pijnstillende medicatie. Er zijn verschillende soorten ablaties:

  • ablatie van ritmestoornis uit de hartboezem
  • ablatie boezemfibrilleren (longvenen)
  • ablatie van ritmestoornissen uit de hartkamer 
  • ablatie van de bundel van His, net onder de AV-knoop


Bij de meeste ritmestoornissen uit de boezem is de kans op succes heel groot, bijna 100%. Voor andere ritmestoornissen, zoals kamerritmestoornissen, ligt de succeskans lager. Uw persoonlijke situatie speelt daarbij een belangrijke rol. Uw cardioloog bespreekt de kansen en vooruitzichten met u.

Bij boezemfibrilleren is het succespercentage 70-90% na 1 jaar. Dat wil zeggen dat u na 1 jaar 70-90% kans heeft dat u geen of veel minder last meer heeft van de ritmestoornissen. Sommige medicijnen hoeft u na de ablatie niet meer in te nemen. Medicijnen die u bijvoorbeeld nodig heeft voor de behandeling van hoge bloeddruk, moet u natuurlijk wel blijven gebruiken.

Na de behandeling heeft u meestal geen medicijnen voor de ritmestoornis (anti-aritmica) meer nodig. Misschien voelt u in het begin nog hartkloppingen en/of overslagen. Meestal blijkt dan uit een ECG of een 24-uurs-ECG dat het niet gaat om een ritmestoornis. De overslagen zijn onschuldig.

Bij een ablatie voor boezemfibrilleren kunt u de eerste 3 maanden nog wat klachten houden zoals extra hartslagen, moeheid of een gevoelige borst. Dit komt onder andere omdat het ablatielitteken enige tijd nodig heeft om zich te vormen.

Soms komt de ritmestoornis terug. Als u daar erg veel last van heeft, kunnen we een ablatie nog een keer doen.

Risico’s onderzoek en ablatie

Uw arts vertelt u over mogelijke complicaties van een behandeling. De risico’s bij dit onderzoek en de ablatie zijn klein. De meest voorkomende complicaties zijn gelukkig niet ernstig en u geneest hier goed van. De volgende complicaties kunnen optreden:

  • bloeduitstortingen op de prikplaatsen. Dit komt af en toe voor.
  • beschadiging van de middenrifzenuw. Daardoor kunt u kortademig zijn. Deze zenuwbeschadiging geneest vanzelf binnen een paar weken tot maanden. Dit komt af en toe voor.
  • een verbinding (fistel) tussen de liesader en liesslagader of een uitstulping van de liesslagader bij het aanprikken van de lies. Deze verdwijnt meestal vanzelf, maar soms moet de vaatchirurg dit opereren. Dit komt af en toe voor.
  • allergische reactie: u blijkt overgevoelig te zijn voor de gebruikte medicijnen, jodium of materialen zoals plakkers en pleisters. Dit is zeldzaam.
  • vocht in het hartzakje door een beschadiging van de hartspier. Een beetje vocht is geen probleem. Als er meer vocht is en u daar klachten van heeft, dan wordt het vocht afgezogen. Als er veel vocht zit, is het soms nodig dat de hartchirurg het vocht weghaalt. Dit is zeldzaam.
  • stolsels of luchtbelletjes door de katheter. Dit zou kunnen leiden tot een hart- of herseninfarct. Dit is zeldzaam. U krijgt tijdens de ingreep speciale medicijnen die u beschermen u tegen stolsels.
  • beschadiging van het geleidingssysteem bij behandeling van ritmestoornissen die hun oorsprong in de buurt van de AV-knoop hebben. Dit is zeldzaam, een kans van 0,5%. Als dat gebeurt krijgt u een pacemaker.
  • een gaatje in de hartboezemwand met een verbinding naar de slokdarm. Als er een verbinding ontstaat naar de slokdarm komen bacteriën uit de slokdarm in het hart terecht. Dit komt heel weinig voor.

Na de behandeling

Als de behandeling klaar is, verwijdert de cardioloog de katheters en de hulsjes uit de lies. Om bloeduitstortingen te voorkomen drukken we de prikgaten in uw liezen stevig dicht en krijgt u een drukverband. Het drukverband blijft na de behandeling een paar uur zitten.

Als er ook in de slagader een hulsje is geplaatst, krijgt u een soort afdichtingsdopje in de lies. Dit dopje lost vanzelf op. U moet een paar uur, maar soms ook tot de volgende ochtend in bed blijven. Als dat nodig is, bewaken we uw hartritme. Soms mag u dezelfde dag al naar huis. Dit bespreken we vooraf met u.

Als u geen bloedverdunners gebruikt, dan krijgt u na de behandeling meestal voor zes weken of langer een bloedverdunnend medicijn voorgeschreven (een lage dosering acetylsalicylzuur (Aspirine®)). Dit voorkomt dat er stolsels op de ablatielittekens komen.

Soms moet u een tijd lang antistollingsmiddelen zoals coumarines of nieuwe orale anticoagulatia (NOAC’s) gebruiken. Als het nodig is, staat u onder controle van de trombosedienst. Uw cardioloog bespreekt wat in uw geval het beste is.

Nazorg en controle

Als u uit het ziekenhuis wordt ontslagen en naar huis mag, mag u niet zelf autorijden of fietsen. Zorg daarom voor vervoer naar huis.

Adviezen voor eerste 5 dagen thuis:

  • geen dingen tillen die zwaarder zijn dan 5 kg
  • niet onnodig traplopen, zet niet af met het been waar de katheter heeft gezeten
  • niet zwemmen of in bad gaan, het wondje in de lies wordt dan zacht en kan weer open gaan
  • ga nog niet zelf fietsen en autorijden
  • als u hard moet persen, geef dan met uw vingers tegendruk in de lies
  • het is beter om de eerste dagen na het onderzoek niet te gaan sporten

Verder kunt u nog een poosje moe zijn, dit is normaal.

U komt 1 keer of vaker langs op de polikliniek voor controle. Bent u door een ander ziekenhuis verwezen naar het UMGC? Dan zijn deze controles meestal in het verwijzende ziekenhuis. Hoe lang u onder controle blijft, hangt af van de ritmestoornis.

Vragen

Als u in de eerste 2 weken na ontslag problemen en klachten heeft, kunt u het best meteen contact opnemen met uw huisarts.