• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Hart: ICD (Implanteerbare Cardioverter Defibrillator)

Print 

De ICD, de Implanteerbare Cardioverter Defibrillator, is een klein apparaat dat geïmplanteerd kan worden als u last heeft van een ernstige (hart)kamerritmestoornis.

Werking van het hart

Het hart trekt samen door een elektrische prikkel. Die prikkel ontstaat in een centrum in de rechterboezem: de sinusknoop. Vanuit de sinusknoop verspreidt de prikkel zich over de boezems. Tussen de boezems en de kamers zit een tweede centrum: de AV-knoop. Deze houdt de elektrische prikkel heel even vast en verspreidt die dan bliksemsnel over de kamers. Als de elektrische prikkel verkeert, te langzaam of te snel door het hart loopt, ontstaat een hartritmestoornis.

Afbeelding van het hart sinusknoop

De grens tussen een normale en abnormale prikkel is niet zo strikt. Er zijn verschillende ritmestoornissen, die op allerlei manieren van elkaar verschillen. De meeste ritmestoornissen zijn goed te behandelen. Soms zijn ze onschuldig en is er geen behandeling nodig, maar ze kunnen ook erg hinderlijk of zelfs levensbedreigend zijn.

Kamertachycardie en kamerfibrillatie

Bij een ritmestoornis die kamertachycardie wordt genoemd ontstaan elektrische prikkels in de hartkamer in plaats van in de sinusknoop. De prikkels volgen elkaar zeer snel op: meer dan honderd per minuut. Bij kamerfibrillatie is er een volledig chaotische prikkelvorming in de hartkamer. Bij zowel een snelle kamertachycardie als een kamerfibrillatie valt de bloedsomloop stil. Uw lichaam krijgt dan geen zuurstof meer. U wordt duizelig, verliest het bewustzijn en krijgt een hartstilstand.

Een elektrische schok is een effectief middel om de hartslag te herstellen. Hiervoor kan een uitwendige defibrillator gebruikt worden, waarbij u via elektroden op uw borstkas een elektrische schok krijgt toegediend.

ICD

Als medicijnen of een hartoperatie onvoldoende helpen om de kamerritmestoornis onder controle te krijgen, kan de arts er samen met u voor kiezen om een ICD te implanteren. Een ICD, een inwendige defibrillator, is een elektronisch apparaatje met een batterij ter grootte van een luciferdoosje dat in uw lichaam wordt geïmplanteerd. Aan het apparaatje worden een of meer geleidingsdraden bevestigd.

Als er een kamerritmestoornis optreedt, geeft het apparaatje een kleine stroomstoot af die via de geleidingsdraad naar het hart wordt geleid. Hierdoor herstelt uw hartritme. Bij een langzame kamertachycardie probeert de ICD het hartritme met kleinere elektrische prikkels te herstellen. Als de stoornis daar niet op reageert of erger wordt, geeft de ICD alsnog een flinke schok.
Een belangrijk voordeel van een geïmplanteerde defibrillator is dat er nauwelijks tijdsverlies optreedt doordat het apparaatje direct een schok afgeeft als de gevaarlijke ritmestoornis optreedt.

Implantatie ICD

De ICD wordt meestal onder het linkersleutelbeen geplaatst onder gedeeltelijke of volledige narcose. De chirurg maakt een klein zakje onder de huid (pocket) waarin het apparaatje wordt geplaatst. Via de sleutelbeenader en de grote holle ader schuift de chirurg de elektrode(n) naar het hart. Het uiteinde van de draad komt tegen de hartwand in de rechterkamer te liggen. Bij twee elektrodes wordt de tweede in de rechterboezem geplaatst.

Tijdens de operatie wordt het apparaat getest. Ook wordt gekeken of de elektrode(n) op de goede plek zit(ten). Er wordt kunstmatig kamerfibrilleren opgewekt om te testen of de ICD de stoornis herkent en het hartritme goed herstelt. Hiervoor krijgt u eerst een lichte narcose toegediend. Als duidelijk is dat het apparaatje goed werkt en de elektroden goed liggen, worden de geleidedraden aan het omringende weefsel gehecht en de pocket met hechtingen gesloten. De operatie duurt gemiddeld een uur.

Na afloop

De eerste 24 uur na de ingreep heeft u bedrust en mag u de arm aan de operatiezijde (meestal links) niet belasten. De onderarm mag u wel bewegen zolang u de bovenarm maar langs uw lichaam houdt. Het is niet nodig om de arm in een draagdoek te doen.
Om te zorgen dat de elektroden goed kunnen vastgroeien mag u de arm aan de operatiezijde de eerste zes weken alleen tot kinhoogte bewegen. U mag niet teveel draaien met de arm en evenmin zwaar tillen of zwaar lichamelijk werk verrichten.

De wond

Belangrijk is de controle van de wond. Door de bloedverdunners die u gebruikt kan een nabloeding ontstaan. U merkt dat aan zwelling en/of het blauw worden van het gebied rondom de wond. Zwelling, roodheid, vocht of pus bij de wond en pijn kunnen wijzen op een infectie. U moet de wond dan altijd laten zien aan een arts.
Als de wond na enige dagen goed dicht en droog is hoeft deze niet meer te worden verbonden. U kunt het beste de eerste weken de wond afdekken tijdens het douchen. Dit om te voorkomen dat de wond week wordt.

[Een deel van deze informatie is afkomstig van de Nederlandse Hartstichting.]