• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Dunnedarmtransplantatie: indicaties

Print 

Patiënten die in aanmerking komen voor een dunnedarmtransplantatie lijden meestal aan permanent falen van de dunne darm. Dit wordt veroorzaakt door:

  • een zeer korte darm (dertig à veertig centimeter in plaats van de gangbare vier tot vijf meter en bij kinderen zelfs nog korter),
  • of door een mobiliteitsstoornis (problemen met het transporteren van de voedingsstoffen).

De opname van voedingsstoffen door de darm is dan in beide gevallen onvoldoende.

Voorheen waren patiënten met deze aandoening levenslang afhankelijk van kunstmatige voeding (parenterale voeding). Daarbij worden de voedingsstoffen direct aan het bloed toegevoegd. Dit kan op den duur tot levensbedreigende problemen leiden, zoals bloedvergiftiging of leverfunctiestoornissen. Bij kinderen kunnen groeistoornissen optreden. Ook kunnen ernstige problemen ontstaan met de toediening van kunstmatige voeding via de aders. Na een succesvolle dunnedarmtransplantatie is de patiënt meestal niet meer afhankelijk van kunstmatige voeding.

Risico's

Een dunnedarmtransplantie kent risico’s, zoals kans op afstoting en infectie. De dunne darm staat namelijk rechtstreeks in contact met de buitenwereld en heeft een uitstekend afweermechanisme. De afweercellen in de dunne darm signaleren of er onbekende stoffen via de darm het lichaam binnendringen. Maar ook bij een dunnedarmtransplantatie slaan deze cellen alarm. Afstotingsreacties in de dunne darm kunnen zeer heftig zijn. Dit betekent dat de medicijnen die u krijgt om afstoting te voorkomen van groot belang zijn.