• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Mammapathologie op Zorgdomein aangepast

Print 
29 juni 2018

​Het zorgaanbod voor de mammapathologie op Zorgdoemin is aangepast. Er zijn nu drie mogelijkheden zijn voor verwijzing naar het UMCG.

1. U vraagt als huisarts voor uw patiënt beeldvorming aan bij de radioloog, zoals een echografie of een mammografie, en krijgt daarvan de uitslag die u vervolgens met de patiënt bespreekt.
2. U vraagt als huisarts voor uw patiënt beeldvorming aan bij de radioloog. Eventueel wordt de patiënt doorverwezen naar de afdeling chirurgie, dit op indicatie van de radioloog. Als dit gebeurt, doen een verpleegkundig specialist en/of chirurg anamnese en lichamelijk onderzoek. De patiënt krijgt de uitslag en eventueel een behandelplan van de chirurg. Bespreek deze mogelijkheid tot tweedelijnsverwijzing op indicatie van de radioloog van te voren met uw patiënt.
3. U vraagt als huisarts voor uw patiënt ééndagsdiagnostiek aan, er vindt direct een multidisciplinaire tweedelijns beoordeling plaats. 

Verwijsopties op ZorgDomein
U vindt deze 3 verwijsmogelijkheden op ZorgDomein onder ‘heelkunde’ en vervolgens de optie ‘mammapathologie’. Verwijsoptie 1 en 2 vindt u ook onder ‘beeldvormend’ en vervolgens ‘echo en röntgen’.

Voordelen van de aanpassing
Dankzij deze nieuwe inrichting is er een betere triage mogelijk. Door deze efficiëntere beoordeling komen patiënten sneller op de juiste plek. Een tweede voordeel is dat u en uw patiënt bij het aanvragen van beeldvorming en eventueel een vervolgconsult sneller de uitslag hiervan kunnen krijgen. 

Nieuwe controleadviezen bij erfelijke aanleg voor borstkanker

De richtlijn Borstkanker wordt tegenwoordig per module geüpdatet om per onderdeel zo actueel mogelijk te zijn. Recent is het hoofdstuk ‘Screening buiten het landelijk bevolkingsonderzoek’ herschreven, wat geheel gewijd is aan de erfelijke aspecten van borstkanker. De volgende aanpassingen verdienen extra aandacht omdat die de 1e, 2e en 3e lijn aangaan.

Intensievere controles voor BRCA1/2 mutatiedraagsters van 60 tot 75 jaar
De controleadviezen voor vrouwen met een aanleg in BRCA1 of BRCA2 zijn aangepast. Dit op grond van ruim 20 jaar ervaring en wetenschappelijk onderzoek sinds de ontdekking van deze genen.
Tot nu toe stopten de extra borstcontroles op 60-jarige leeftijd en werden deze vrouwen terugverwezen naar het bevolkingsonderzoek naar borstkanker.  Het verhoogde risico op borstkanker boven de 60 rechtvaardigt echter intensievere controles. Daarom is  besloten, mede op basis van in het UMCG uitgevoerd onderzoek,  vrouwen met een BRCA1- of BRCA2-mutatie van 60 tot 75 jaar jaarlijks mammografie aan te bieden via een mammapoli. Mogelijk zijn in de huisartsenpraktijken vrouwen boven de 60 jaar met een BRCA-mutatie, aan wie eerder geadviseerd is dat bevolkingsonderzoek na het 60e voldoende is. Deze vrouwen zijn, volgens de huidige richtlijnen nu onterecht, niet (meer) bekend bij een mammapoli. Huisartsen kunnen deze vrouwen alsnog verwijzen naar een mammapoli.

Aanpassing controles voor jonge mutatiedraagsters: BRCA1 versus BRCA2
Voor jonge patiënten gelden nu verschillende adviezen: voor BRCA1 mutatiedraagsters geldt: jaarlijks MRI en lichamelijk onderzoek vanaf 25 jaar, en vanaf 40 jaar komt daar elke twee jaar een mammogram bij. Dit omdat gebleken is dat de meerwaarde van jaarlijkse mammografie vanaf jonge leeftijd nauwelijks diagnostische meerwaarde heeft. Voor BRCA2 mutatiedraagsters is het schema: jaarlijks MRI en lichamelijk onderzoek vanaf 25 jaar, en vanaf 30 jaar daarbij jaarlijks mammografie.  In deze groep voegt de mammografie wel iets toe aan de screening.

Controles bij andere vormen van erfelijke borstkanker
Naast de genen BRCA1 en BRCA2 wordt nu in de richtlijn uitgebreid ingegaan op de andere genen die tegenwoordig getest worden bij een vermoeden op erfelijke borstkanker: CHEK2, PALB2 en ATM. Het UMCG is enkele jaren geleden met dit genpanel gestart en dit vindt nu landelijke navolging. Voor de praktijk is het belangrijk te weten dat de borstkankerrisico’s bij mutaties in deze genen meestal lager liggen dan die bij een aanleg in BRCA1 of BRCA2. Bovendien geldt, voor zover nu bekend is, voor deze genen geen verhoogd risico op eierstokkanker. Voor patiënten met mutaties in deze genen gelden dan ook eigen controle- en preventie adviezen, afhankelijk van welk gen betrokken is.
Voor meer informatie:  https://www.oncoline.nl/borstkanker