• Tekstgrootte

Revalidatiegeneeskunde

Print 
Revalidatiegeneeskunde

Annelies van der Vegt

Naam en specialisme?

Annelies van der Vegt, 2e jaars AIOS revalidatiegeneeskunde.

Wie ben je?

Ik ben geboren in Winschoten en getogen in Zuidwolde, een klein dorp in Drenthe. Mijn studie geneeskunde heb ik in Groningen gevolgd. Na mijn studie heb ik een jaar op de Spoed Eisende Hulp gewerkt en sinds januari 2012 ben ik in opleiding tot revalidatiearts binnen het Centrum voor Revalidatie, UMCG. Naast mijn werk volleybal ik o.a. graag.

Waarom heb je voor deze opleiding gekozen?

Er zijn meerdere factoren die mij binnen de revalidatiegeneeskunde aanspreken. Zo is het een breed specialisme waar je een verscheidenheid aan ziektebeelden, patiënten en hun functioneringsproblemen treft. Van amputatie tot CVA, van dwarslaesie tot multitrauma, van schouderklachten tot neuromusculaire aandoeningen. Technisch bezig zijn met o.a. schoenen en prothesen tot algemene zorg op zaal. Specialistisch en toch divers.

Revalidatiegeneeskunde

Jan Geertzen

Naam, functie en specialisme?

Mijn naam is Jan Geertzen, opleider. Ik ben ook hoofd van de afdeling Revalidatiegeneeskunde UMCG en heb als aandachtsgebieden amputatie en prothesiologie van de onderste extremiteit, fantoompijn, complex regionaal pijn syndromen (CRPS) en traumachirurgie.

Wie bent u?

Ik ben een geboren en getogen Bosschenaar. De studie geneeskunde heb ik gedaan in Utrecht. Daarna heb ik een paar jaar chirurgie gedaan in Arnhem.

De opleiding tot revalidatiearts heb ik gevolgd in het Academisch Ziekenhuis Groningen. Sinds 1986 werk ik in het AZG (nu UMCG).

In mijn vrije tijd zeil en hockey ik graag. Ook reis ik graag.

Waarom hebt u ervoor gekozen opleider te worden?

In het verleden ben ik al eerder (plaatsvervangend/waarnemend) opleider geweest. Ik vervul nu de opleidersrol als een soort tussenpaus totdat er een nieuwe opleider is.

Het is een afwisselende baan op verschillende werkplekken; de polikliniek en de consulten in het ziekenhuis en de (poli)klinische revalidatiebehandeling in het revalidatiecentrum. Als laatste vind ik het leuk om onderdeel uit te maken van een multidisciplinair team en samen te streven naar een goed functioneringsniveau van een patiënt.

Waarom heb je voor Groningen gekozen?

De invulling van de opleiding, de prettige werksfeer en de mogelijkheden die een universitair centrum biedt. In een UMC zie je een grotere diversiteit aan patiënten en ziektebeelden t.o.v. een perifeer ziekenhuis, word je betrokken bij de opleiding van medisch studenten / coassistenten en zijn er voldoende mogelijkheden voor eventueel wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is Groningen een leuke en gezellige stad om te wonen!

Hoe is het om AIOS te zijn?

Het is uitdagend, leuk, leerzaam, afwisselend en druk. Daarnaast is het ook zeker een hele leuke/gezellige tijd met de assistenten binnen onze opleidingsgroep, maar ook binnen het UMCG. Geregeld zijn er borrels, congressen en cursussen.

Wat was je eerste indruk van je opleider?

Een geïnteresseerde, rustige, vriendelijke opleider.

Hoe is je relatie met je opleider nu?

Jan is daadkrachtig en duidelijk in zijn verwachtingen richting de AIOS. Hij heeft veel wetenschappelijke en klinische ervaring. Daarnaast hecht hij belang aan en participeert hij actief in sociale activiteiten buiten werktijd.

Wat is het belangrijkste dat je tot nog toe geleerd hebt als AIOS?

Om te redeneren vanuit de beperkingen en het functioneren van de patiënt en niet alleen primair vanuit het ziektebeeld.

Welke doelen heb je voor jezelf gesteld?

Tijdens mijn opleiding hoop ik voor mijzelf duidelijk te krijgen welk aspect van de revalidatiegeneeskunde mij het meest interesseert, zodat ik vervolgens kan proberen mij hierin verder te verdiepen.

Welke tip wil je anderen die nog AIOS moeten worden geven?

Bedenk voor jezelf wat jij interessant vindt binnen de geneeskunde. Overweeg om een betere indruk te krijgen van de specialisaties die je interesseren door een extra (keuze)coschap, ANIOS schap of eventueel een extra meeloopperiode. Hopelijk kun je daardoor een goede keuze maken, succes!

Wat was de eerste indruk die u had van deze AIOS?

Annelies is een serieuze assistent maar kan daarnaast ook gezellig zijn buiten het UMCG. Ze werkt hard en vervult een voortrekkersrol voor de andere AIOS.

Wat probeert u uw AIOS mee te geven?

De vertrouwensrol naar je patiënten staat centraal. Voor mij als opleider, maar ook voor de patiënt is dit heel belangrijk. Efficiënt en effectief werken staan bij mij hoog in het vaandel.

Hoe is de onderlinge (werk-) verhouding?

Als AIOS bij het specialisme Revalidatiegeneeskunde vind je bij mij een transparante en hardwerkende opleider vinden die er voor je is.

Welke tip zou u toekomstige AIOS willen meegeven?

Probeer voordat je je bij ons gaat specialiseren eerst een tijdje te werken op een SEH, een afdeling chirurgie of iets dergelijks om een goede basis op te doen.

Afdeling

Revalidatiegeneeskunde AIOS

Onze afdeling Revalidatiegeneeskunde is onderdeel van het Centrum voor Revalidatie van het UMCG en richt zich op diagnostiek en behandeling van patiënten en daarnaast op onderwijs en onderzoek. We hebben twee locaties: Beatrixoord in Haren en locatie Groningen in het UMCG. Locatie Groningen is vooral gericht op consultatie en diagnostiek. Locatie Beatrixoord is vooral gericht op behandeling, zowel klinisch (volwassenen) als poliklinisch (volwassenen en kinderen).
De verschillende disciplines van de afdeling werken intensief met elkaar samen. Revalidatiegeneeskunde werkt binnen het universitaire opleidingscircuit Revalidatiegeneeskunde Groningen samen met Revalidatie Friesland (Beetsterzwaag en Leeuwarden). Bij het Centrum voor Revalidatie (CvR) van het UMCG werken zeventien revalidatieartsen en een manueel geneeskundige. Op jaarbasis zijn er gemiddeld 15 aios. We hebben een open werkklimaat met alle ruimte voor ontplooing.

Opleider

Dhr. Prof. dr. Jan H.B. Geertzen

Dhr. Prof. dr. Jan H.B. Geertzen

Hoofd afdeling Revalidatiegeneeskunde UMCG
Aandachtsgebieden: amputatie en prothesiologie van de onderste extremiteit; fantoompijn; complex regionaal pijn syndromen (CRPS) en traumachirurgie

Niet meer op de tanden bijten

Pijn wordt in onze samenleving steeds minder geaccepteerd. De bereidheid en de mogelijkheden om er iets aan te doen, worden steeds groter.

Aandacht voor pijn neemt toe

Pijn was lange tijd het stiefkindje van de geneeskunde. En nog steeds hoor je mensen zeggen dat 'een beetje pijn erbij hoort'. Maar die houding is rap aan het veranderen. De maatschappelijke waarde 'kwaliteit van leven' is een van de recentere ijkpunten van de gezondheidszorg en die verhoudt zich slecht met pijnlijden.

Patiënten nemen steeds minder genoegen met pijn en bij medici en verpleegkundigen staan pijn en pijnbestrijding veel hoger op de agenda dan vroeger. Voor de Inspectie van de Volksgezondheid is het een prestatie-indicator voor de kwaliteit van de zorg. Maar ook in de politiek en op ministeries is het een issue. Dat blijkt onder andere uit het feit dat het UMCG onlangs door het ministerie van VWS is aangewezen tot vierde Ontwikkelingscentrum Pijn Revalidatie, een zaak waar Groningen zich jarenlang sterk voor heeft gemaakt. Dat betekent niet dat er nu een heel nieuw centrum uit de grond wordt gestampt. De extra middelen die het UMCG krijgt voor dit Ontwikkelingscentrum gaan naar de afdeling Pijnrevalidatie, waar men al decennia patiënten leert functioneren met pijn. "Met dit geld kunnen we in een hogere versnelling doorgaan op de ingezette lijn: zorginnovatie, wetenschappelijk onderzoek, verspreiding en implementatie van de nieuwe kennis", aldus hoogleraar Revalidatiegeneeskunde Jan Geertzen. "We zijn heel blij met deze erkenning."

Verder heeft de Alzheimerstichting bepaald dat Groningen het vierde Alzheimercentrum van Nederland krijgt. Dit centrum, waarin Interne Geneeskunde-Ouderengeneeskunde, Neurologie en Bewegingswetenschappen nauw samenwerken, start in september en wordt ondergebracht in het Universitair Centrum Ouderengeneeskunde, dat op 29 mei jl. werd geopend. Een van de speerpunten van dit Alzheimercentrum wordt pijn en beweging (zie het artikel Pijntaal elders in dit nummer). Toch is pijnbestrijding bij demente ouderen wereldwijd nog nauwelijks een issue. Het centrum richt zich zowel op diagnostiek en behandeling als op wetenschappelijk onderzoek.

Geschenk

"Op zich is pijn niet negatief", aldus anesthesioloog dr. Marten van Wijhe. "Acute pijn als gevolg van (dreigende) weefselschade heeft een biologisch nut. Het is een signaal van ons lichaam aan de hersenen dat we actie moeten ondernemen. Pijn is de tik op de vingers als we onszelf verwonden. Een kind hoeft maar één keer een hete kachel aan te raken of een vinger tussen de deur te krijgen. De timmerman hoeft maar een keer in aanraking te komen met de cirkelzaag. Via pijn laat het lichaam weten dat we onszelf in acht moeten nemen, of iets moeten doen. Hoofdpijn is het signaal om rust te nemen, wondpijn het teken dat je moet ontsmetten, een pleister plakken en rustig aan doen."

Vloek

Geen pijn kunnen voelen, bestaat ook. Dat lijkt aantrekkelijk maar is het niet. Ruim een jaar geleden beschreven Engelse onderzoekers in het blad Nature enkele kinderen uit het noorden van Pakistan die geen pijn konden voelen. De kinderen waren normaal gezond maar merkten helemaal niets als ze gewond raakten. Eén van hen deed zelfs aan straattheater, waarbij hij zich met scherpe voorwerpen stak of over gloeiende kolen liep. Het bleek dat deze kinderen een erfelijke aandoening hadden waarbij een bepaald eiwit niet werkt: de natriumpomp in de zenuwbanen die pijnprikkels geleiden weigert dienst, zodat pijnprikkels nooit hun hersenen bereiken. Van Wijhe: "Als je pijn niet kunt voelen, zul je verwondingen verwaarlozen. Dat kan leiden tot zeer ernstige gezondheidsproblemen, waarbij de patiënt uiteindelijk een lichaamsdeel moet missen of zelfs kan overlijden. Pijn is dus een belangrijk overlevingsmechanisme."

Anders is het met neuropathische pijn, oftewel pijn door zenuwschade. Deze vorm van pijn heeft geen biologisch nut. Patiënten beschrijven het nogal eens als een schietende pijn en bij verder doorvragen blijkt ook dat de huid bij het pijngebied extra gevoelig is voor prikkels die normaal gesproken niet pijnlijk zijn. "De oorzaak is moeilijk vast te stellen en al snel worden de pijnklachten chronisch", stelt Van Wijhe vast. Medisch gesproken is dit pijn die langer dan drie maanden duurt. Bij veel alledaagse bezigheden is de pijn er, het ontneemt mensen het plezier in het leven en het heeft een grote impact op het privéleven en op het werk. "Er ontstaat een vicieuze cirkel. Steeds meer factoren gaan bijdragen aan de pijn, naast lichamelijke ook psychische en sociale." Chronische pijn is geen zeldzaamheid. Hoeveel mensen eraan lijden is niet helemaal duidelijk, maar voorzichtige schattingen gaan uit van tien procent van de bevolking.

Onderbehandeling

Patiënten met neuropathische pijnklachten leggen vaak een lange weg af in het medische circuit. Niets helpt en de adviezen die ze krijgen zijn tegenstrijdig. Van Wijhe: "Er is nog vaak sprake van onderdiagnose en onderbehandeling. Veel patiënten hebben het gevoel steeds met een kluitje het riet in gestuurd te worden en niet serieus genomen te worden." Kun je zeggen dat dankzij de toenemende mondigheid van patiënten medici en verpleegkundigen steeds meer aandacht komt voor pijn? "Ja", zegt Van Wijhe. "In algemene zin is dat zo. Maar los daarvan nemen in het UMCG vakgebieden zoals de Anesthesiologie, Neurologie en Revalidatiegeneeskunde, waar men van oudsher veel chronische pijnpatiënten ziet, al heel lang het voortouw om de pijndiagnostiek en -behandeling te verbeteren. In Groningen hebben we heel veel expertise opgebouwd als het gaat om diagnose, pijnbestrijding en pijnrevalidatie, voor sommige vormen van pijn zijn wij het kenniscentrum voor heel Nederland." Jan Geertzen vult aan: "De crux is dat je multi- en interdisciplinair moet samenwerken om deze patiënten te kunnen helpen. Ook moet je veel breder kijken dan naar de pijnklacht, een holistische benadering van de hele patiënt blijkt effectiever. Dat gebeurt binnen het UMCG onder andere in het Pijncentrum, op de afdeling Revalidatie en in ons gezamenlijke Wervelkolomcentrum." Ook in het nieuwe Alzheimercentrum zullen disciplines de combinatie pijn en dementie gezamenlijk oppakken. De sleutel voor het oplossen van chronische pijn en het kunnen functioneren met pijn ligt in nauwe samenwerking en multidisciplinaire zorgpaden. Geertzen: “Mede dankzij het feit dat we nu het Ontwikkelingscentrum Pijn Revalidatie hebben, kunnen we hier in het UMCG verder vorm aan geven."

Helma Erkelens


Een lange weg

Ze weet nog precies wanneer de pijn begon. Het was een zondagmiddag in maart 2005 en ze zou met haar dochter op stap gaan. Ze liep naar de bank om haar tasje te pakken en voelde opeens een scherpe pijn in haar rechterschouder. Dat was het begin van de lange weg die zij zou afleggen. Nu zit Geertje van der Heide-Zwart (49) er monter bij en werkt ze 20 uur per week bij een instelling voor licht dementerende ouderen. “Het is niet te geloven, maar eigenlijk kan ik alles weer.”

Haar huisarts stuurde haar destijds meteen door naar een fysiotherapeut. “Die fysiotherapie deed ontzettend pijn, maar ja, ik ben geen dokter, ik vertrouwde op zijn advies.” Werken ging niet meer en ze meldde zich ziek. Na drie maanden wilde Van der Heide duidelijkheid. Een diagnose. Haar huisarts verwees haar door naar een revalidatiearts. “Het was een verademing om met een arts te praten die begreep wat voor pijn ik had. Zij vertelde dat ik waarschijnlijk een ‘frozen shoulder’ had: dat is een ontsteking van het gewrichtskapsel. Ik kreeg een injectie met verdoving en een ontstekingsremmer. Zo’n spuit mocht je maar één keer, werd gezegd. Het hielp even."

Frustraties

De maanden gleden voorbij en Van der Heide reed van het ene consult naar het andere. Een pijnlijke kwestie, want autorijden was gezien de pijn eigenlijk niet mogelijk. Ook thuis waren de zaken ingewikkeld. Haar man sprong zoveel mogelijk bij, maar Van der Heide wilde zelf toch ook bepaalde dingen doen. "Het is zo frustrerend als je zelfs de afwas niet meer kunt." Ook probeerde ze te werken op therapeutische basis, maar het ging niet. "Daar word je zo onzeker van. Je verliest al je vertrouwen in jezelf. Helemaal toen de fysiotherapeut toegaf dat hij het ook niet meer wist."

Kleine stappen

Via het Pijncentrum van het UMCG kwam Van der Heide bij de afdeling Pijnrevalidatie op locatie Beatrixoord. “Het voelde als thuiskomen. De revalidatiearts raadde me aan om direct met de fysiotherapie te stoppen. Ik had toen anderhalf jaar fysiotherapie achter de rug. Was dat dan allemaal voor niets geweest?”

De behandeling in Beatrixoord was zwaar en soms was ze sceptisch, maar geleidelijk kwam er verbetering. “De stapjes waren heel klein. En steeds als het teveel was geweest, deden we een stapje terug. Vooral de ergotherapeute was fantastisch. Zij liet me praten en gaf me inzichten die ik nodig had om zelf oplossingen te bedenken. We bespraken situaties die ik thuis en op het werk meemaakte en ik leerde hoe ik daar beter mee kon opgaan. Het team was ook ontzettend goed op elkaar ingespeeld en op de hoogte van de vorderingen en de obstakels van de verschillende therapieën.”

Na vijf maanden was de therapie afgerond en voelde Van der Heide zich een ander mens.

Na ruim drie jaar pijn kan ze weer functioneren. De functie in haar schouder is grotendeels hersteld, al is de pijn nooit helemaal verdwenen.

Marjan Brouwers

Pijnpuzzelen

Pijn is in ziekenhuizen vaak het ondergeschoven kindje. Want pijn is geen ziekte, pijn hoort erbij. Het UMCG heeft twee loketten voor pijn: het Pijncentrum, de afdeling Pijnrevalidatie. Daarnaast is er sinds kort één loket voor alle rug- en nekklachten, het Wervelkolomcentrum.

Biopsychosociaal model uitgangspunt voor pijndiagnostiek, -bestrijding en -revalidatie

Alleen als artsen, verpleegkundigen en paramedici de grensbewaking rondom hun expertisegebieden afschaffen en gaan samenwerken, kan onbegrepen chronische pijn worden aangepakt. Dat wijst de praktijk uit van de drie afdelingen in het UMCG die veel chronische pijnpatiënten behandelen.

Patiënten met chronische pijnklachten leggen vaak een lange weg af in het medische circuit. De oorzaak van de pijn is meestal moeilijk te vinden. Toch denken veel dokters dat zij voldoende kennis hebben om iets aan de onbegrepen pijn te doen. Het hoort toch bij hun vak? En wordt er niets gevonden, dan verwijzen zij de patiënt toch door naar een collega? Pijnpatiënten ondergaan op deze manier de ene na de andere therapie. Niets helpt en de adviezen die ze krijgen zijn tegenstrijdig. Het merendeel is jaren onderweg voordat ze bij een gespecialiseerd pijnteam terechtkomen. Het UMCG heeft er twee: het Pijncentrum en de Pijnrevalidatie. Zij werken op het gebied van rug- en nekklachten samen met het Wervelkolomcentrum. Ieder heeft een eigen insteek maar er zijn ook gemeenschappelijke elementen.

Holistische aanpak

Alledrie hebben ze het biopsychosociaal model omarmd. Een model dat al sinds de jaren zestig is geaccepteerd in de 'pijnwereld', maar verder nog niet erg diep is doorgedrongen in ziekenhuizen. De essentie van het biopsychosociaal model is dat het naar alle levensgebieden kijkt: lichaam, geest en leefsituatie. Je komt er niet uit als je onbegrepen pijn vanuit één medisch vakgebied benadert, is de overtuiging van de pijndeskundigen van de drie afdelingen die voor dit artikel zijn geïnterviewd. En ook een puur medische blik is niet toereikend, zo leren hun ervaringen. Daarom maken psychologen, psychiaters en soms ook maatschappelijk werkers deel uit van de diverse teams. Men werkt multi-, zo niet interdisciplinair en op basis van gelijkwaardigheid met elkaar samen.


Het Pijncentrum

Doelgroep: mensen met een breed scala aan onbegrepen pijnklachten, zowel chronisch als acuut. Pijn bij kanker is een belangrijk aandachtsgebied.
Zorgvraag: diagnostiek, behandeling en pijnbestrijding.
Behandeling: klinisch en poliklinisch, van operatie en medicatie t/m psychotherapie

Chronische pijnpatiënten die worden doorverwezen naar het Pijncentrum van de afdeling Anesthesiologie zijn gemiddeld 11 jaar onderweg met hun klachten. Voorafgaand aan het intakegesprek moet de patiënt een heel pakket vragenlijsten invullen: een algemene, drie psychologische, een fysiotherapeutische en een over medicatie. Ook moet hij een pijndagboek bijhouden. Verder vraagt het centrum zijn dossier bij de huisarts op. "Voordat ik de patiënt gezien heb, heb ik al een beeld", vertelt psychologe Gerbrig Versteegen, verantwoordelijk voor de intake en voor psychologische behandelingen. "In het huisartsendossier bijvoorbeeld zie je de hele geschiedenis voorbijkomen. Soms zie je wanneer de pijnklachten zijn ontstaan. Je ziet ook welke klachten er zijn geweest voordat de chronische pijn begon. Dat kan mogelijk een aanwijzing zijn voor wat er aan de hand is. Bijvoorbeeld, iemand kan zijn emoties slecht uiten en daardoor ontstaan lichamelijke klachten. Somatiseren heet dat. Dat is op zich een normaal verschijnsel maar het wordt wel bijzonder als iemand constant naar de dokter gaat. Dit soort dingen kun je soms al uit die voorgeschiedenis halen, zeker in combinatie met de vragenlijsten. Het is een aanwijzing voor een somatisatiestoornis. Maar je maakt ook mee dat er gedurende de hele levensloop nooit klachten van betekenis zijn geweest, dat de pijn ineens is begonnen." Tijdens de intake, een gestructureerd interview, wordt doorgevraagd op de klachten, de historie en de leefsituatie. De resultaten worden besproken in het team. Daarin zitten een anesthesioloog, psycholoog en fysiotherapeut. Alnaargelang de problematiek worden andere specialisten gevraagd om mee te denken.

Het Pijncentrum heeft een groot aantal behandelopties, van pillen tot praten, en van fysiotherapie tot hypnose. Vaak is het een combinatie en vrijwel altijd zal de patiënt hard met zichzelf aan het werk moeten. Fysiek en mentaal. "Ons lichaam en onze geest werken als communicerende vaten. Je geest heeft invloed op je lichamelijke gesteldheid en andersom", aldus Versteegen.

Maatwerk

Bijzonder aan de behandelingen van het Pijncentrum is dat die strikt individueel zijn en op maat. "We hebben geen vaste behandelprotocollen voor bepaalde klachten", aldus Versteegen. "Daarvoor zijn die te complex." Een van de mogelijkheden die het Pijncentrum biedt is een reactivatieprogramma. De patiënt wordt opgenomen op de verpleegafdeling van Neurochirurgie en werkt daar gedurende drie weken aan het 'pijnvrij' worden. Die langdurige opname is nodig om de vicieuze cirkel te doorbreken. Versteegen noemt het voorbeeld van een vrouw van 28 jaar met bekkeninstabiliteit: "Een halfjaar voor ze bij me kwam was ze bevallen van haar eerste kindje. Zij had chronische pijn en kon niks meer. Ze lag de hele dag op de bank, werkte niet meer, kreeg daardoor relatieproblemen, kon niet voor haar kind zorgen en voelde zich daardoor een slechte moeder. Ze was onzeker en somber. In de drie weken van het reactivatieprogramma moest ze hard aan de slag om fysiek en mentaal te oefenen. Bij dit soort patiënten kijken we eerst wat men nog wel kan. Dat is de basis. Als we aan het werk gaan, beginnen we daar iets onder en bouwen dan langzaam op. Na die drie weken volgde een nazorgtraject. Die mevrouw was binnen een halfjaar zo goed opgeknapt dat zonder krukken liep en op hoge hakken. Ze was volledig pijnvrij."

Helma Erkelens


De Pijnrevalidatie

Doelgroep: volwassenen en kinderen met een breed scala aan onbegrepen chronische pijnklachten aan het houdings- en bewegingsapparaat. Zorgvraag: functioneren met pijn Behandeling: poliklinisch, vooral mentale en fysieke training

De afdeling Pijnrevalidatie van het Centrum voor Revalidatie is niet primair gericht op pijnbestrijding, maar op het optimaal belast functioneren met pijn. Niet alleen thuis maar ook op school of op het werk. Vaak betreft het pijnklachten aan het houdings- en bewegingsapparaart zoals fibromyalgie, RSI, bekkeninstabiliteit en nek- en rugklachten.

“Ons uitgangspunt is dat patiënten de draad van hun leven weer kunnen oppakken. Dat ze het huishouden weer aan kunnen, weer gaan werken, hobby’s uitoefenen, sporten… Het is de bedoeling dat patiënten na afloop van de behandeling de pijn accepteren en een zo normaal mogelijk leven kunnen leiden", legt revalidatiearts Rita Schiphorst Preuper uit.

De aanpak van het team is multidisciplinair en per patiënt verschillend. “Ik geloof niet in een groepsgewijze werkwijze. Elke patiënt is uniek. Het gaat erom dat we de puzzel van de pijn ontrafelen. Wij staan met het hele team om de patiënt heen en voeren de behandeling samen uit. Voor de patiënt is onze nauwe samenwerking een verademing: vaak is het de eerste keer dat ze van verschillende behandelaars hetzelfde verhaal te horen krijgen. Dat geeft vertrouwen.”

Stoppen met slikken

Het Pijnrevalidatieteam bestaat uit verschillende behandelaars: (kinder)revalidatieartsen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten, maatschappelijk werker en psychologen. Schiphorst Preuper: “Als patiënten bij ons binnenkomen, kijken we eerst wat er aan de hand is. Met behulp van het biopsychosociaal model brengen we alle onderhoudende factoren zo goed mogelijk in kaart. Op basis hiervan schrijven we een behandelingsplan waarbij we gaan werken aan een optimale belasting van het lichaam. Dat plan bespreken we met de patiënt. Gaat die akkoord, dan kunnen we aan het werk.”

Bij de start van de behandeling wordt eerst de conditie beoordeeld en gekeken hoe belastbaar de patiënt is. Patiënten praten met een psycholoog, een ergotherapeut en een fysiotherapeut. Schiphorst Preuper: “Daarna steken we de koppen bij elkaar en bespreken we hoe we de behandeling het beste kunnen invullen. Daarbij staan de doelen van de patiënt zelf voorop: wat wil iemand kunnen?” Een belangrijk onderdeel van de behandeling is dat de pijnstillers worden afgebouwd. “Dat is eerst even wennen voor patiënten, maar het is absoluut nodig voor een succesvolle behandeling”, legt ze uit. “Bij chronische pijn hebben pijnstillers maar een tijdelijk effect. De pijn blijft. Bovendien weet je met pijnstillers niet wanneer je over een grens gaat. Patiënten leren bij ons te leven met de pijn zonder medicatie.”

Balans hervinden

Gedurende drie tot vier maanden bezoeken de patiënten locatie Beatrixoord twee keer in de week. Ze krijgen fysiotherapie gericht op het vergroten van de belastbaarheid, hanteren van grenzen en herwinnen van het vertrouwen in eigen kunnen. Ze leren van de ergotherapeut dagelijkse activiteiten weer zo goed mogelijk uit te voeren. “We hebben hier de faciliteiten om allerlei activiteiten thuis na te bootsen: strijken, stofzuigen, thee inschenken, computeren, maar ook activiteiten op het werk. Ook leren de patiënten te zoeken naar een balans. Waarom zou je bijvoorbeeld alle ramen van je huis in één keer willen lappen? Waarom zou je dat niet over meer dagen kunnen verdelen? Mensen leren ook om te gaan met reacties van hun omgeving. Hoe kun je voor jezelf opkomen? Wat doe je als een ander je wil overhalen om iets te doen dat je nog niet aankunt? Ze leren ook hun grenzen te verleggen: er gebeurt echt niets vreselijks als iets pijn doet.”

Na afloop van de behandeling pakt zeventig procent van de patiënten hun leven weer op. Terugval komt weinig voor, weet Schiphorst Preuper: “Een onderzoek naar mensen die een jaar na de behandeling weer op hun werk uitvielen verliep moeizaam, omdat de onderzoekster te weinig gevallen kon vinden. Voor haar was dat lastig, maar voor ons goed nieuws. Het mooie van ons werk is dat we mensen kunnen helpen om hun leven weer op te bouwen en zichzelf goed kunnen redden met hun pijnklachten. We kunnen de pijn zelf niet wegnemen, maar we kunnen mensen wel helpen de pijn naar de achtergrond te brengen, zodat er weer ruimte ontstaat om gewoon te leven.”

Marjan Brouwers


Wervelkolomcentrum

Doelgroep: mensen met alle rug- en nekklachten, waaronder patiënten met chronische en multifactoriëel bepaalde klachten Zorgvraag: diagnostiek en behandeling Behandeling: klinisch en poliklinisch, van operatie t/m mentale en fysieke revalidatie

Het Wervelkolomcentrum is een gezamenlijk initiatief van zes disciplines, van orgaanspecialisten en neurologen tot en met neurochirurgen, orthopeden en traumachirurgen. Ook het Pijncentrum en de Revalidatiegeneeskunde zijn vertegenwoordigd. Deze twee centra zien erg veel mensen met rug- en nekklachten en bij 85 procent van de patiënten is er geen direct aanwijsbare oorzaak te vinden. "Heel veel mensen hebben rugpijn", aldus neurochirurg Maarten Coppes. "Er wordt dus ontzettend veel geleden. Die mensen gaan al pijnstillers slikkend het medische circuit door, van specialist naar specialist. Vaak zonder dat er een oplossing komt." Het zorgtraject van het Wervelkolomcentrum moet dit voorkomen. Hier krijgen patiënten met alle rug- en nekklachten een efficiënt diagnose- en behandelingstraject aangeboden.

Het Wervelkolomcentrum krijgt patiënten rechtstreeks via de huisarts, maar ook het Pijncentrum en de Pijnrevalidatie zijn notoire doorverwijzers. De wachttijd is gemiddeld drie weken na aanmelding. Voorafgaand aan het eerste consult moet er een vragenlijst worden ingevuld. Daarin zijn ook een aantal gevalideerde scoringslijsten opgenomen die een goed beeld geven van hoe het met de patiënten gaat. Ook kan op basis van deze gegevens een mogelijk natraject worden bepaald en worden gekeken of de behandeling aangeslagen is en blijft. De vragenlijsten worden in het centrum digitaal verwerkt en samengevat. Vervolgens wordt bepaald of de patiënt in multidisciplinair verband moet worden voorbesproken of direct een afspraak krijgt bij de specialist die over dit specifieke probleem het meeste weet. Ook kan een combinatie van specialisten geconsulteerd worden. Het streven is dan de afspraken in één dagdeel te laten plaatsvinden.

Niet zelden is de oorzaak van de rug- of nekpijn multifactorieel: biomechanische, psychische en sociale oorzaken. "Door samen naar een patiëntenprobleem te kijken is er meer oog voor de samenhang daartussen", stelt Coppes vast. Die samenhang is belangrijk als het gaat om complexe pijnproblemen. Coppes schetst de situatie van een oudere man of vrouw met rugklachten. "Op foto’s is gewrichtsslijtage in de wervelkolom zichtbaar. U hebt een versleten rug, wordt dan wel gezegd. Maar net als rimpels en grijze haren krijgt iedereen die ouder wordt zulke afwijkingen in de wervelkolom. Zo’n foto bewijst niet dat de slijtage de klachten veroorzaakt. Er moeten dus andere zaken meespelen." Ander voorbeeld. "Iemand komt bij ons met rugklachten en uitstraling in een been. Vaak een teken van een rughernia, maar een familielid heeft een ernstige tumor in de wervelkolom gehad. Dan moet je er rekening mee houden dat bij deze patiënt de angst voor kanker bijdraagt aan de ernst van de pijn. De behandeling is dan niet alleen gericht op de mechanische oorzaak van de pijn maar ook zal deze rekening houden met de psychische aspecten van de pijnbeleving. We weten uit onderzoek dat dit ‘catastroferen’ de pijnbeleving inderdaad doet toenemen. Net zoals iemand meer pijn ervaart als er spanningen zijn in het gezin of op het werk."

Zijn de oorzaken bij het Wervelkolomcentrum in kaart gebracht, dan wordt de patiënt behandeld door één voor meer disciplines. Niet zelden wordt tegelijkertijd ook de Pijnrevalidatie ingeschakeld. "Als iemand al lang thuis zit wegens rugpijn, dan dreigt al snel arbeidsongeschiktheid. Stel dat de patiënt op de wachtlijst staat voor een operatie. De tijd tikt door. Om de WIA te voorkomen laten we de patiënt vaak al voor de ingreep starten met de revalidatie. Dan kan hij sneller weer aan het werk."

Huup Dassen

Hoe fysiek belastbaar moet je zijn om stratenmaker te kunnen worden?
En hoe komt het dat de ene chronische pijnpatiënt gewoon naar zijn werk gaat en de ander ziek thuis zit? Wetenschappers van Sociale Geneeskunde en het Centrum voor Revalidatie zoeken het uit.

Onderzoeken pijn en arbeid straks aan de wieg van nieuwe normen

Aan het werk

Bedrijfs- en verzekeringsartsen bepalen of iemand al dan niet geschikt is om weer aan het werk te gaan. Meer kennis over wat de voorwaarden zijn om te kunnen werken met pijn en over de fysieke belasting van beroepen kunnen hen daarbij helpen. In het UMCG is men die op het spoor.

Kan je werken met chronische pijn? En hoeveel kun je dan aan?

In Groningen wordt al zeker tien jaar onderzoek gedaan naar pijn en arbeid. Het is een terrein waar sociale geneeskunde en revalidatie samenkomen. In nauwe samenwerking met hoogleraar Johan Groothoff van Sociale Geneeskunde begeleidt onderzoekscoördinator dr. Michiel Reneman van het Centrum voor Revalidatie een aantal veelbelovende onderzoeken. "Het leidende principe van onze onderzoekslijn is dat mensen met chronische pijn de kans moeten krijgen om weer aan het werk te gaan", aldus Reneman.

Fysieke belastbaarheid

Een van de vragen die meteen opkomt als het gaat om deze patiënten is hoe zwaar zij belast kunnen worden. Wat kunnen ze fysiek aan? Dat is het thema van het promotieonderzoek van Remco Soer. Soer heeft normwaarden ontwikkeld voor de fysieke belastbaarheid voor arbeid. Daarvoor is een testbatterij uit de Verenigde Staten aangeschaft en in Groningen verder ontwikkeld. Bij 720 gezonde werkende mensen die hun werk goed uitvoeren is de fysieke belastbaarheid getoetst. "Met belastbaarheid bedoelen we het vermogen om arbeidsgerelateerde activiteiten uit te voeren. Welke activiteiten dat zijn, verschilt natuurlijk sterk van beroep tot beroep. Op basis van de normwaarden die we hebben gevonden kunnen we nu voor een groot aantal beroepen aangeven wat de ondergrens van de belastbaarheid is. Dus wat je minimaal aan zou moeten kunnen voor een bepaald beroep”, aldus Reneman. Hij plaatst een kanttekening bij de term ondergrens: “Veel mensen die hun werk goed doen, zijn waarschijnlijk belastbaarder dan vereist voor hun functie. Het kan dus zijn dat de ondergrens voor bepaalde werkzaamheden lager is dan die wij hebben gevonden. Een administratief medewerkster die in haar vrije tijd marathons loopt, heeft een hogere energetische belastbaarheid dan ze voor haar dagelijks werk nodig heeft.”

Pijnpatiënten

De uitkomsten van dit onderzoek worden vergeleken met de belastbaarheid van patiënten met chronische pijn die in het revalidatiecentrum worden behandeld. “We kunnen straks vaststellen hoe de belastbaarheid van een stratenmaker met chronische pijn zich verhoudt tot de belastbaarheid van een gezonde, werkende stratenmaker”, legt Reneman uit. "Als we dat weten, weten we ook waar onze stratenmaker aan moeten werken. En als we op een gegeven moment vaststellen dat de fysieke belastbaarheid van een patiënt voldoende is om weer aan het werk te gaan, zijn behandelingen om die arbeidsbelastbaarheid verder te vergroten dus niet meer nodig.”

Het is niet zo dat men aan de hand van deze gegevens over fysieke belastbaarheid zomaar kan bepalen welke patiënten weer aan het werk kunnen gaan. Of iemand arbeid kan verrichten hangt immers niet alleen af van fysieke factoren. Ook sociale en psychologische factoren spelen een grote rol. "Daar houden we ons in dit specifieke onderzoek niet mee bezig, maar wel in ander onderzoek. Onze onderzoekers gaan ook niet over afkeuringen en goedkeuringen. Verzekeringsartsen ontwikkelen hun eigen normen en kunnen natuurlijk straks wel gebruik maken van onze onderzoeksgegevens”, aldus Reneman. Soer promoveert volgend jaar. Dan komen ook alle resultaten van het onderzoek naar buiten.

Doorwerkers

Een tweede onderzoek betreft mensen met chronische pijn die hun werk wel goed kunnen doen. Hiermee gaat promovendus Haitze de Vries de komende vier jaar aan de slag. Reneman: “We weten veel van patiënten met chronische pijn die hun werk niet kunnen volhouden. Die patiënten behandelen we in ons Centrum voor Revalidatie. Er is echter maar heel weinig bekend over mensen met chronische pijn die zich níet bij ons melden. Wat doen deze mensen wat onze patiënten niet lukt? De kennis die we hebben is anekdotisch: iedereen kent wel iemand die met pijn gewoon doorwerkt. Hoe, dat weten we niet. Daarover is wereldwijd niets bekend.”

Voor dit onderzoek, ‘Werken met pijn’, worden de fysieke, psychologische en sociale kenmerken vastgelegd van 120 mensen die ondanks hun chronische pijn goed functioneren op hun werk. Deze kenmerken worden vergeleken met die van patiënten die niet meer kunnen werken. De groep van 120 mensen komt twee keer voor een onderzoek. Zij krijgen dan dezelfde psychologische vragenlijsten voorgelegd als de patiënten. Ook doorlopen ze dezelfde fysieke testen, waaronder de testbatterij naar belastbaarheid en arbeid. Verder dragen ze een week lang een apparaatje waarmee we kunnen meten hoeveel ze bewegen. Reneman: "Een soort plusversie van een stappenteller, die je aan je broekband kunt hangen. Na een week kunnen we de gegevens downloaden."

Wat er uit dit onderzoek moet komen, is nog onbekend. “Dit is echt heel nieuw. We zijn zelf ook nieuwsgierig wat er uit gaat komen. Natuurlijk hebben we hier onze gedachten bij. Is het bijvoorbeeld zo dat mensen die met pijn toch goed functioneren hun sociale systeem heel goed hebben geregeld? Of bepaalde afspraken met hun werkgever hebben gemaakt? Het kan ook goed dat sommige mensen accepteren dat ze de pijn nu eenmaal hebben. Wat wij van deze mensen willen weten is wat ze anders doen dan onze patiënten. Waarom kunnen zij wel werken en vele anderen niet? Welke factoren zijn doorslaggevend?”

Sociale systeem

Het onderzoek beperkt zich niet tot de mensen met pijn zelf. Het sociale systeem wordt bij het onderzoek betrokken. Ook partners, leidinggevenden en collega’s worden bevraagd. "Het kan best zijn dat een leidinggevende niet eens weet dat zijn medewerker chronische pijn heeft. Ook is mogelijk dat iemand zelf vindt dat hij goed met de pijn omgaat, maar dat zijn partner of collega daar heel anders over denkt. We weten het nog niet”, zegt de onderzoekscoördinator Pijn en Arbeid.

Pijnbestrijding en revalidatie

Een derde onderzoek betreft een samenwerkingsverband met de collega’s van het Pijncentrum van het UMCG. Reneman: “Dat onderzoeksvoorstel wordt binnenkort ingediend. Tot nu toe hadden pijnbestrijding en revalidatie niets met elkaar te maken. We wijzen voor behandeling wel aan elkaar door maar een behandeling bij het Pijncentrum sluit een behandeling bij de Pijnrevalidatie uit en andersom, want patiënten revalideren, bouwen de pijnbestrijding af en leren met de pijn om te gaan. Wat we nu gaan onderzoeken is wat er gebeurt als je deze patiënten kortdurende, grondige pijnbestrijding aanbiedt voordat je begint met de revalidatie. Welke invloed heeft dat op het functioneren van de patiënt? En hoe bouw je de pijnbestrijding daarna af?”

Werkveld

Patiënten met chronische pijn hebben baat bij een multidisciplinaire aanpak, is de overtuiging van Reneman. “We hebben een gemeenschappelijk beleid nodig, want als revalidatieartsen, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen komen we veel dezelfde patiënten tegen. Dat is ook de reden dat wij in deze onderzoeken nauw met elkaar samenwerken.” De resultaten zijn ook van belang voor anderen in het het werkveld: huisartsen en fysiotherapeuten die patiënten met chronische pijn behandelen weten lang niet altijd hoe ze met deze categorie patiënten moeten omgaan. Juist daarom zal er veel energie worden gestoken in voorlichting over onze onderzoeksresultaten. “We moeten op de trom slaan, nascholing en cursussen organiseren. Contacten leggen met de netwerkorganisaties die bij deze patiënten betrokken zijn. Het gaat erom dat we elkaar weten te vinden zodat we onze kennis over deze patiënten met elkaar kunnen delen.”

Marjan Brouwers


Volg ons op sociale mediaFacebook LinkedIn Twitter Youtube Instagram