• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Pacemaker

Print 

Een pacemaker is een elektronisch apparaatje met een chip en een batterij ter grootte van een luciferdoosje dat in het lichaam wordt geïmplanteerd. Uit het apparaatje komen twee of drie elektrodedraden. Een ingebouwde sensor bewaakt het hartritme. Als het ritme te laag is, dan geeft de pacemaker kleine stroomstoten af om het goede ritme te herstellen. De sensoren kunnen ook onderscheid maken tussen perioden dat iemand zich inspant en in rust is.

Hoe werkt het hart?

Het hart trekt samen door een elektrische prikkel. Die prikkel ontstaat in een centrum in de rechterboezem: de sinusknoop. Vanuit de sinusknoop verspreidt de prikkel zich over de boezems. Tussen de boezems en de kamers zit een tweede centrum: de AV-knoop. Deze houdt de elektrische prikkel heel even vast en verspreidt die dan bliksemsnel over de kamers. Als de elektrische prikkel verkeerd, te langzaam of te snel door het hart loopt, ontstaat een ritmestoornis.

Als het hart te langzaam klopt, spreken we van bradycardie en als het te snel klopt van tachycardie. Er bestaan tal van ritmestoornissen die op allerlei manieren van elkaar verschillen. De meeste ritmestoornissen zijn goed te behandelen. Soms zijn ze onschuldig en is behandeling niet nodig, maar het kan ook voorkomen dat ze erg hinderlijk of zelfs levensbedreigend zijn.

Tekening van de dwarsdoorsnede van een hart

Implantatie

De pacemaker wordt onder de huid boven de rechter- of linkerborstspier geïmplanteerd. Dit gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving. De chirurg maakt een klein zakje onder de huid (pocket) waarin hij het apparaat (pulsgenerator) plaatst. Via de sleutelbeenader en de grote holle ader schuift hij de elektrode(n) naar het hart. De elektrode haakt vast aan de binnenzijde van de hartwand met weerhaakjes of een soort kurkentrekkertje. Wanneer de chirurg ervoor kiest de elektrode(n) op het hart vast te maken, gebeurt dat met een openhartoperatie.
Na afloop controleert de chirurg of de pacemaker goed werkt en pas dan wordt de pocket met hechtdraad gesloten.

Voor deze ingreep is een ziekenhuisopname van enkele dagen noodzakelijk.

Na afloop

De eerste 24 uur na de ingreep heeft u bedrust. U mag de arm aan de operatiezijde (meestal links) dan niet belasten. Uw onderarm mag u wel bewegen zolang u de bovenarm maar langs uw romp houdt. Na de eerste 24 uur mag u de arm weer wat meer bewegen. Het is niet nodig om de arm in een mitella (draagdoek) te dragen.
Om te zorgen dat de elektroden goed kunnen vastgroeien mag u de arm aan de operatiezijde de eerste zes weken niet boven uw hoofd bewegen (maximaal tot kinhoogte). Ook mag u niet teveel draaien met de arm en niet zwaar tillen of zwaar lichamelijk werk verrichten.

De wond

Belangrijk is de controle van de wond. Door de bloedverdunners ontstaat gemakkelijk een nabloeding. Dit is te merken aan zwelling en/of het blauw worden van het gebied rondom de wond. Zwelling, roodheid, pijn en vocht of pus bij de wond kunnen wijzen op een infectie. U moet de wond dan altijd laten zien aan een arts!

Als na enige dagen de wond goed dicht en droog is hoeft deze niet meer te worden verbonden. De pleister mag dan blijvend verwijderd worden. Het is raadzaam de eerste weken de wond nog wel af te dekken tijdens het douchen om te voorkomen dat de wond week wordt.

(Een deel van deze informatie is afkomstig van de Nederlandse Hartstichting).