• Home
  • Contact
  •  NL 
  • Login medewerkers
  • mijnUMCG

Vernauwde bloedvaten: behandeling

Print 

​​U bent opgenomen in het UMCG en uw behandelende arts u heeft verwezen naar de afdeling Radiologie voor behandeling van een vernauwing in uw bloedvaten.

Hulpmiddelen

Een röntgenopname is een afbeelding van de binnenkant van het lichaam. Om deze te maken, gebruikt de radioloog een kleine hoeveelheid röntgenstraling. Daarnaast werken we met een jodiumhoudend contrastmiddel. Dit is nodig om uw aderen goed zichtbaar te maken met röntgenstralen. Dit middel heeft soms bijwerkingen in de vorm van lichte overgevoeligheidsreacties zoals roodheid, jeuk of blaasjes. Deze kunnen zich overal op uw lichaam voordoen. U merkt dit direct na het toedienen van het contrastmiddel of de volgende dag. Meestal trekken de bijwerkingen na een paar dagen weer weg.

Zijn de bijwerkingen niet na een paar dagen verdwenen en vertrouwt u het niet, neem dan contact op met uw behandelend arts. Vertel dat u een radiologisch contrastmiddel ingespoten heeft gekregen. De afdeling Radiologie moet ook weten dat de bijwerkingen niet na een paar dagen verdwijnen. U kunt hiervoor bellen naar (050) 361 20 88. Ook is het verstandig het te melden als u later weer een radiologisch onderzoek krijgt waarbij met een jodiumhoudend contrastmiddel wordt gewerkt.

Voorbereiding

Voor deze behandeling moet u nuchter zijn. Dit betekent dat u vier uur voor het onderzoek niets mag eten, drinken en roken.  Vaak moet u voor deze behandeling onder narcose. Uw behandelend arts informeert u daarover.

Astma, bronchitis en hooikoorts gaan vaak gepaard met een allergie voor jodiumhoudende contrastmiddelen. Heeft u één van deze aandoeningen? Vertel het de radiologisch MBB-er of arts vóór het onderzoek. Ze willen ook weten of u overgevoelig bent voor medicijnen, jodiumhoudende contrastmiddelen of bepaald voedsel.

Suikerziekte

U mag vier uur voor deze behandeling niets meer eten of drinken. Het kan daarom wenselijk zijn dat u contact opneemt met uw behandelend arts voor een eventuele aanpassing van uw dieet en/of insulinedosis voor de dag van het onderzoek.

Medicijngebruik

Als u medicijnen gebruikt, hoeft u hier voor deze behandeling niet mee te stoppen. U kunt ze gewoon innemen met een beetje water of thee zonder melk of suiker. Gebruikt u antistollingmedicijnen (zoals Sintrom of Ascal), overleg dan met de arts die ze heeft voorgeschreven of u er voor het onderzoek mee kunt stoppen. Een controle van de stollingstijd van uw bloed is altijd nodig, ongeacht of u tijdelijk kunt stoppen met uw antistollingsmedicijn. Als u bent opgenomen, komt een laborant u op de afdeling wat bloed afnemen.

De uitslag van deze controle kan betekenen dat het onderzoek niet door gaat. In dat geval volgt overleg met uw arts.

Zwangerschap en borstvoeding

Ongeboren kinderen zijn gevoelig voor röntgenstraling. Bent u (mogelijk) zwanger? Bel dan vóór de behandeling de afdeling Radiologie op het nummer. (050) 361 23 05. Soms wordt de behandeling in overleg met uw behandelend arts uitgesteld.

Uw lichaam neemt het jodiumhoudende contrastmiddel op. Het komt daardoor ook in uw moedermelk terecht. Het is daarom niet verstandig de eerste 24 uur na het toedienen van het jodiumhoudend contrastmiddel borstvoeding te geven.

Verloop behandeling

U wordt naar de afdeling Radiologie gebracht. De MBB-er haalt u op en brengt u naar de onderzoekskamer. U krijgt hier eerst uitleg over de behandeling. Na de uitleg gaat u op de onderzoekstafel liggen.

De behandeling begint met inbrengen van een katheter (dun slangetje), dat de radioloog gebruikt om het contrastmiddel in uw aderen in te spuiten. U krijgt deze katheter waarschijnlijk in uw lies. Er is een kleine kans dat dit niet lukt. Dan brengt de radioloog de katheter via uw arm in. De radioloog legt u dan uit wat er gaat gebeuren.

Afbeeding van een ballonkatheter

Als u de katherter in uw lies krijgt, brengen de radioloog en de MBB-er samen de katheter in. De MBB-er ontsmet de huid in uw lies. Daarna krijgt u een verdovingsprik die even pijn kan doen.

Vervolgens maakt de radioloog een kleine opening in uw huid en prikt de slagader aan met een naald. Ondanks de verdoving kan dit een drukkend gevoel in uw lies geven. De radioloog schuift de katheter door de naald in de slagader en brengt het einde van de katheter in de te behandelen ader. Dit merkt u nauwelijks. Ligt de katheter op de goede plaats dan spuit de radioloog het contrastmiddel in. Het contrastmiddel veroorzaakt  een warm gevoel in uw hoofd, keel en buik. Dit gaat na 1-2 minuten vanzelf over. Na het inspuiten maakt de radioloog afbeeldingen om te controleren of de katheter op de juiste plaats ligt.

Na het inspuiten van het contrastmiddel vervangt de radioloog de katheter. Aan de nieuwe katheter zit een klein ballonnetje waarmee hij uw vernauwde bloedvat wijder maakt. Als uit de zojuist genomen controleafbeeldingen blijkt dat de katheter op de juiste plaats ligt, blaast de radioloog het ballonnetje op waardoor de vernauwing zich opent. Dit voelt u nauwelijks. De radioloog maakt nu weer een aantal röntgenafbeeldingen om het resultaat te controleren. Als het resultaat nog niet voldoende is zal hij de handeling herhalen tot de vernauwing (grotendeels) verdwenen is.

 

Afbeelding van stents

Het l​​ukt het niet altijd om een vernauwd bloedvat blijvend wijder te maken met het ballonnetje. Dan plaatst de radioloog een stent. Een stent is een soort gaasbuisje van metaaldraad met aan de binnenkant een vochtdichte voering. Als de eerder ingebrachte katheter goed ligt, vervangt de radioloog deze door een tweede katheter waarmee hij de stent naar de vernauwing in uw slagader brengt. Als de stent daar, is schuift de radioloog hem uit de katheter. Vervolgens maakt hij controleafbeeldingen om na te gaan of de stent inderdaad op de juiste plaats ligt. Hiervoor krijgt u op dat moment nauwkeurige uitleg over hoe u moet liggen om een goede röntgenafbeelding mogelijk te maken.

Soms blijkt tijdens de behandeling dat het nodig is ook andere bloedvaten in beeld te brengen. De radioloog verwisselt dan de katheter. Daar voelt u weinig van. Wel moet u een lange tijd stil blijft liggen. De behandeling duurt hierdoor alles bij elkaar ongeveer twee uur.

Als de behandeling klaar is, verwijdert de radioloog de katheter. De radioloog en de laborant verbinden vervolgens het wondje. De één drukt het gaatje in de lies tien á vijftien minuten dicht terwijl de ander het verband aanlegt. Dit verband blijft 24 uur zitten.

Soms wordt een "plug" (angio-seal) gebruikt. Dit is een soort lijmpropje dat het prikgat afdicht. Dit wordt weer met een pleister afgesloten. Welke methode gebruikt wordt, hangt af van de ontstollingstijd, leeftijd en andere factoren.

Na de behandeling

Na de behandeling gaat u terug naar de afdeling waar u bent opgenomen. U kunt nu weer normaal eten en drinken. U zal na het onderzoek vaker moeten plassen. Het is daarom verstandig extra te drinken om het vochtverlies aan te vullen.

Bij een drukverband: om nabloeden van uw lies te voorkomen is het van belang dat u de eerste 8 uur na het onderzoek bedrust houdt waarvan u 2 uur op uw rug blijft liggen. Het is belangrijk dat de lies van het been waarin is geprikt zoveel mogelijk gestrekt blijft. Na  8 uur mag u uit bed, tenzij de radioloog u iets anders heeft verteld. Het is verstandig het rustig aan te doen. Na 24 uur mag het drukverband eraf. Het laat eenvoudig los tijdens het douchen of met een beetje wasbenzine of ether.

Bij een angio-seal moet u 4 uur bedrust houden, waarvan u de eerste 2 uur op uw rug blijft liggen. U krijgt van de MBB-er een instructiekaart met voorschriften waaraan u zich moet houden.  Mocht het wondje gaan bloeden, waarschuw dan de verpleegkundige. Het is mogelijk dat u op de plaats waar de katheter is ingebracht een blauwe plek krijgt. Deze trekt vanzelf weer weg en kan geen kwaad.

In overleg met de zaalarts kunt u weer naar huis. De verpleegkundige vertelt u hoe laat u precies weg mag, zodat u een afspraak kunt maken met degene die u op komt halen.

Uitslag

Uw behandelend arts vertelt u of de behandeling het gewenste resultaat heeft gehad.

Vragen

Heeft u vóór, tijdens of na het onderzoek nog vragen, dan kunt deze gerust stellen. U kunt ook bellen van 08.30 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 16.30 uur met nummer (050) 361 20 88.