• Home (Dutch)
  • Contact
  •  EN 
  • Employee login

Wetenschappelijke integriteit

Print 

​​​​​​​​​​​​​​​​​​In 2001 hebben de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW), de Vereniging van Universiteiten (VSNU) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gezamenlijk de ​​Notitie Wetenschappelijke Integriteit gepubliceerd. Het UMCG onderschrijft deze Notitie en verwacht van zijn medewerkers dat zij hiernaar handelen.

In deze Notitie staan de algemene beginselen voor professioneel wetenschappelijk onderzoek. Een aantal vormen van schending van wetenschappelijke professionaliteit wordt genoemd. Daarnaast worden mogelijkheden gegeven om inbreuken en schending van normen te voorkómen. Tot slot, wordt het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) geïntroduceerd. Dit orgaan adviseert besturen van academische organisaties bij (klachten over) schending van wetenschappelijke integriteit.

Relatie van de onderzoeker met externen, waaronder financiers

Van oudsher wordt wetenschappelijk onderzoek van een universitair medische instelling gefinancierd met zowel eigen middelen als geld van externe instanties, zoals de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ideële geldverstrekkers (zoals de gezondheidsfondsen), de Europese Unie of de industrie.
De onderzoeker en het onderzoek blijven onafhankelijk van de opdrachtgever/financier. ​​

Meer informatie   

De verklaring van onafhankelijkheid van de KNAW  wordt in acht genomen door iedereen op wie deze Researchcode UMCG van toepassing is. Niet de onderzoekers zelf (of hun leidinggevende), maar uitsluitend de Raad van Bestuur (RvB) van het UMCG sluit overeenkomsten met opdrachtgevers. Uitsluitend de RvB, of door de RvB gemachtigde personen, ondertekenen onderzoekscontracten met externe financiers. Daarom wordt elk onderzoek dat (mede) via externe bronnen wordt gefinancierd, voor aanvang aangemeld bij het Bureau externe projectfinanciering van het UMCG. Het Bureau externe projectfinanciering zorgt onder andere voor de verplichte toetsing van de voorgenomen afspraken door Loket Contract Research (LCR), onderdeel van UMC-staf Juridische Zaken. Het beoordelen van onderzoekscontracten waarbij patiënten of gezonde proefpersonen betrokken zijn, is per 1 januari 2009 een wettelijke taak van de METc. De beoordeling beperkt zich tot de regels voor de voortijdige beëindiging van het onderzoek en de openbaarmaking van de onderzoeksgegevens.

​​Nevenwerkzaamheden en belangenverstrengeling

Van medewerkers van het UMCG wordt verwacht dat zij hun kennis en capaciteiten inzetten voor het UMCG. Al dan niet betaalde nevenwerkzaamheden en/of nevenbetrekkingen kunnen aanleiding zijn tot (een schijn van) ongewenste belangenverstrengeling. Dit wordt voorkomen door een transparante werkwijze en een goed afwegingsproces . De CAO-UMC bevat hiervoor duidelijke voorschriften.​

Nevenwerkzaamheden

De CAO-UMC  geeft aan dat de Raad van Bestuur vooraf toestemming moet geven voor nevenbetrekkingen die:

  • ​de belangen van het ziekenhuis kunnen raken;
  • het functioneren van het ziekenhuis en de medewerker kunnen schaden; 
  • ​en die mogelijk onverenigbaar zijn met de functie van de medewerker.​

Belangenverstrengeling

Het UMCG vindt het belangrijk dat resultaten van binnen het UMCG uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek zo snel mogelijk publiek gemaakt worden, bijvoorbeeld door publicatie in wetenschappelijke tijdschriften. Ook moet onderzoek, waar mogelijk, snel worden omgezet in nieuwe mogelijkheden voor diagnostiek en therapie. Soms vereist dit een langere weg, omdat de belangen van commerciële participanten moeten worden meegewogen. Hierbij kan belangenverstrengeling optreden. Dit vormt een gevaar voor de wetenschappelijke integriteit van de betrokkenen bij deze vorm van samenwerking. Het is belangrijk te voorkomen dat de onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek van het UMCG in twijfel wordt getrokken. Dit kan immers leiden tot schadelijke gevolgen voor zowel de reputatie van het UMCG als de wetenschappelijke carrières van individuele onderzoekers. Hieronder staat een aantal voorbeelden van situaties die aanleiding kunnen geven tot belangenverstrengeling.​​

Voorbeelden van situaties  

Situaties waarbij vooringenomenheid bij onderzoek een rol kan spelen:

  • Door derden gefinancierd onderzoek, als de onderzoeker of zijn/haar familie financiële belangen heeft bij de financier.
  • Accepteren van gunsten van financiers van onderzoek.
  • Adviseurschappen bij financiers van onderzoek, zoals industrie, overheidsfondsen en collectebusfondsen. Derhalve moeten adviseurschappen extern gemeld/kenbaar zijn, bijvoorbeeld op de medewerkerspagina (profielpagina) van de RUG.
  • Situaties waarbij gebruik gemaakt wordt van faciliteiten van het UMCG.
  • Studenten/medewerkers laten werken voor een bedrijf, waarin de onderzoeker een belang heeft.
  • Oneigenlijk gebruik van faciliteiten voor persoonlijke doeleinden of ter ondersteuning van een bedrijf waarin de onderzoeker een belang heeft.
  • Associëren van naam of werk met het UMCG om te profiteren van de goodwill van het instituut.

Situaties waarbij gebruik gemaakt wordt van informatie:

  • Oneigenlijk gebruik van vertrouwelijke informatie.
  • Aannemen van ondersteuning voor onderzoek, onder de voorwaarde dat de resultaten vertrouwelijk of ongepubliceerd blijven, of waardoor publicatie ernstig wordt vertraagd.
  • Verlenen van toegang tot vertrouwelijke informatie van het instituut aan een organisatie, waarin de onderzoeker een financieel belang heeft.

Situaties waarin de onderzoeker onderhandelt met zichzelf:

  • Aanschaffen van materiaal, instrumenten of voorraden van een bedrijf waarin de onderzoeker een financieel belang heeft.
  • Beïnvloeden van de onderhandeling van overeenkomsten tussen het UMCG en het bedrijf waarin de onderzoeker een financieel belang heeft.
  • (Verplicht) voorschrijven van publicaties, waarvan de medewerker zelf (mede)auteur is.

​Voorbeelden van fraude en andere inbreuken op de wetenschappelijke integriteit

Hieronder volgt een aantal voorbeelden van inbreuken op de wetenschappelijke integriteit. Deze voorbeelden komen uit de hierboven aangehaalde Notitie Wetenschappelijke Integriteit, de AMC Researchcode en de Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit van de RUG.

Voorbeelden  
  1. Door misleiding (veinzen van expertise, bewust onjuist weergeven van eerder behaalde resultaten of het wekken van valse verwachtingen) opdrachten of subsidies (proberen te) verkrijgen.
  2. Het vervalsen van gegevens die uit literatuuronderzoek, waarneming of experiment zijn verkregen.
  3. Het selectief weergeven van resultaten, in het bijzonder het weglaten van ongewenste uitkomsten.
  4. Het presenteren van fictieve gegevens als resultaten van waarnemingen of experimenten (o.a. fingeren).
  5. Het verfraaien van figuren zoals originele blots, gels of andere afdrukken.
  6. Het opzettelijk verkeerd toepassen van statistische methoden om andere conclusies te bereiken dan de gegevens rechtvaardigen.
  7. Het zeer onzorgvuldig of opzettelijk verkeerd interpreteren van resultaten en conclusies van onderzoek.
  8. Plagiëren van resultaten of publicaties van anderen, zonder bronvermelding overnemen van teksten of resultaten van onderzoek van anderen.
  9. Het door onzorgvuldig gedrag in de hand werken van onjuiste interpretaties van onderzoeksresultaten door de media.
  10. Het onheus bejegenen van collega’s en ondergeschikten om uitkomsten van onderzoek te beïnvloeden.
  11. Bewust verkeerd of tendentieus weergeven van resultaten en onderzoekverslagen van anderen. Dat wil zeggen: zich voordoen als (mede-)auteur zonder in belangrijke mate te hebben bijgedragen aan de opzet of uitvoering van het gerapporteerde onderzoek of de interpretatie en beschrijving van de methoden en bevindingen.
  12. Het bij publicatie weglaten van namen van medeauteurs die aan het onderzoek een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, of het opvoeren van personen als auteur die niet of onvoldoende aan het onderzoek hebben bijgedragen (of overdreven zelfcitering).
  13. Onzorgvuldig te werk gaan bij het (laten) verrichten van onderzoek, of handelingen nalaten waarmee onzorgvuldigheden aan het licht zouden kunnen komen. Zoals het niet (volledig) voldoen aan de protocollaire in- en uitsluitingscriteria.
  14. Het veronachtzamen van vastgestelde gedragsregels voor de omgang met gegevens van proefpersonen.
  15. Het zonder toestemming kopiëren van proefontwerpen of software.
  16. Niet gemelde meervoudige aanbieding of publicatie.
  17. Niet gemelde aanbieding of publicatie, waarbij de steekproefgrootte toeneemt met iedere volgende publicatie en telkens nieuwe data worden toegevoegd aan eerder gepubliceerde gegevens waarbij de uitkomsten niet zijn veranderd.
  18. Niet gemeld belangenconflict (conflict of interest).
  19. Gebruik van oorspronkelijk gedachtegoed afkomstig van referenten of redacteuren.
  20. Wangedrag van collega’s toelaten en verheimelijken.
  21. Een onderzoeker en/of bestuurlijk verantwoordelijke (Raad van Bestuur, afdelingshoofden) heeft een zorgplicht ten aanzien van de wetenschap als geheel en in het bijzonder ten aanzien van de onderzoekers in zijn directe omgeving.

​Omgaan met klachten over wetenschappelijke integriteit

Het College van Bestuur van de RUG heeft de Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit vastgesteld​. In deze Regeling worden de regels en de procedure beschreven bij klachten over (vermoede) schendingen van de wetenschappelijke integriteit. De procedure die het UMCG hanteert sluit aan bij de Regeling van de RUG.

Procedure

Hieronder staat beschreven hoe wordt omgegaan met klachten over vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit. Deze regeling is tot stand gekomen op basis van, en is complementair aan, de regeling van de RUG. Voor klachten over wetenschappelijke integriteit bij het UMCG geldt de procedure bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI). Deze is beschreven in de Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit van de RUG.

Procedure   

In het UMCG is een vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit aangesteld. Deze fungeert als eerste aanspreekpunt voor vragen en klachten over wetenschappelijke integriteit. De vertrouwenspersoon zal proberen te bemiddelen of de klacht anderszins in der minne op te lossen. De vertrouwenspersoon kan de klager ook wijzen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de CWI van de RUG. Deze commissie behandelt zowel zaken voor de RUG als voor het UMCG.

Iedereen die betrokken is bij wetenschappelijk onderzoek heeft een eigen verantwoordelijkheid voor preventie en signalering van schending van wetenschappelijke integriteit. Een ieder die vermoedt of van mening is dat een persoon op wie de Researchcode van het UMCG van toepassing is (zie hoofdstuk 1) de wetenschappelijke integriteit schendt, kan dit melden bij de vertrouwenspersoon van het UMCG (email: Contact). Een klacht kan ook via de decaan of rechtstreeks bij de CWI van de RUG worden ingediend (via e-mail). Als een klacht bij de CWI binnenkomt, volgt de procedure zoals beschreven in Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit van de RUG.

Hieronder staan enkele bijzondere procedurebepalingen voor situaties waarin het UMCG (mede) betrokken is. Dat kan zijn wanneer een beklaagde een arbeidsrelatie heeft met het UMCG of wanneer onderzoek gerelateerd is aan het UMCG.

 

Bijzondere situatie 1  

Bijzondere situatie: beklaagde is in dienst bij RUG én UMCG of beklaagde is betrokken bij onderzoek van RUG en UMCG

Als een klacht gaat over onderzoek of over een persoon die tegelijkertijd een (arbeids)relatie heeft met de RUG en het UMCG, geldt de volgende procedure. Deze is aanvullend op de procedure uit de Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit van de RUG:

  • Binnen twaalf weken na indiening van de klacht brengt de CWI advies uit aan het College van Bestuur van de RUG over de gegrondheid van de klacht.
  • Het College van Bestuur stuurt het CWI-advies onverwijld door aan de Raad van Bestuur van het UMCG.
  • Het College van Bestuur hoort de Raad van Bestuur hierover en stelt binnen vier weken na het CWI-advies een aanvankelijk oordeel vast.
  • Dit aanvankelijk oordeel deelt het College van Bestuur mee aan de klager en beklaagde(n) en de Raad van Bestuur. Klager en beklaagde(n) ontvangen dan ook een kopie van het advies van de CWI.
  • Het College van Bestuur, de Raad van Bestuur, de klager en de beklaagde(n) kunnen binnen zes weken het LOWI (Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit) verzoeken om een advies uit te brengen over het aanvankelijk oordeel van het College van Bestuur en de Raad van Bestuur. Het College van Bestuur betrekt in zijn uiteindelijk oordeel het advies van het LOWI (indien gevraagd) bij het definitieve besluit over de schending van de wetenschappelijke integriteit.
Bijzondere situatie 2  

Bijzondere situatie: beklaagde is in dienst bij UMCG en niet bij RUG of beklaagde is betrokken bij onderzoek van UMCG en niet van RUG

Als een klacht gaat over een persoon of onderzoek met uitsluitend een (arbeids)relatie met het UMCG en niet met de RUG, geldt de volgende procedure. Deze wijkt, voor wat betreft het bevoegd gezag, af van de procedure die staat beschreven in de Regeling Bescherming Wetenschappelijke Integriteit van de RUG:

  • Binnen twaalf weken na indiening van de klacht brengt de CWI advies uit aan de Raad van Bestuur van het UMCG over de gegrondheid van de klacht. De Raad van Bestuur stelt het College van Bestuur van de RUG op de hoogte van dit advies.
  • De Raad van Bestuur stelt binnen vier weken een aanvankelijk oordeel vast en deelt dit mee aan de klager en beklaagde(n). Klager en beklaagde(n) ontvangen dan ook een kopie van het advies van de CWI.
  • De Raad van Bestuur, de klager en de beklaagde(n) kunnen binnen zes weken het LOWI verzoeken om een advies uit te brengen over het aanvankelijk oordeel van de Raad van Bestuur. De Raad van Bestuur betrekt in zijn uiteindelijk oordeel het advies van het LOWI (indien gevraagd) bij zijn definitieve besluit over de schending van de wetenschappelijke integriteit.

​Het UMCG beoogt een veilig klimaat te scheppen voor het melden en herkennen van schending van wetenschappelijke integriteit. Daarom heeft het indienen van een klacht voor de klager geen direct of indirect nadeel. Tenzij uiteraard de klager niet te goeder trouw heeft gehandeld. Hetzelfde geldt voor getuigen, deskundigen, de vertrouwenspersonen of de commissieleden.

In het specifieke geval dat een promovendus een klacht indient over een begeleider, en deze klacht blijkt gegrond, dan zal het UMCG daar waar mogelijk het promotieproces blijven faciliteren, zoals met een vervangende promotor, zodat de klager zo min mogelijk schade ondervindt. ​