• Home (Dutch)
  • Contact
  •  EN 
  • Employee login

Goed mentorschap

Print 

​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​Onderzoek wordt vaak uitgevoerd door junioronderzoekers, zoals: promovendi, hbo-stagiaires, universitaire studenten, analisten, promotiestudenten en postdocs. Hun onderzoek vindt plaats onder begeleiding van veelal de hoofdonderzoeker of principal investigator. Veelal is de verantwoordelijkheid in handen van een assistant professor, associate professor, full professor of opleider. Het adequaat begeleiden en opleiden van junioronderzoekers is een belangrijk onderdeel van goed wetenschappelijk ha​ndelen. Binnen het UMCG word​t de relatie tussen de begeleider/promotor en de promovendus gereguleerd door de Graduate School of Medical Sciences (GSMS). Ook daarbuiten is het belangrijk om taken en verantwoordelijkheden t.a.v. het begeleiden van junioronderzoekers vast te leggen, zoals beschreven in dit hoofdstuk.​​​​

​​Taken van de begeleider

In grote lijnen heeft de begeleider van een junioronderzoeker de volgende taken:

  • begeleiden van de junioronderzoeker met gepaste intensiteit en respect; 
  • (helpen) concreet vorm te geven van het onderzoek en de opleiding, en de gewenste activiteiten van de junioronderzoeker;
  • stimuleren van activiteiten van de junioronderzoeker;
  • onderwijzen van de junioronderzoeker, met oog voor de toekomstige werkomgeving.​

Om deze taken te realiseren, neemt een begeleider de volgende aandachtspunten in acht:​

De aandachtspunten  
  1. De begeleider deelt zijn of haar kennis, ervaring en netwerk met de junioronderzoeker om de voortgang van het project te garanderen. De junioronderzoeker kan hierdoor een persoonlijk netwerk opbouwen, met als doel door te groeien tot zelfstandig onderzoeker.
  2. De begeleider en de junioronderzoeker hebben een open en kritische grondhouding - los van de bestaande hiërarchie - ten opzichte van de oorspronkelijk geformuleerde wetenschappelijke doelen. Zij realiseren zich dat de oorspronkelijke hypotheses onjuist kunnen zijn. Zij kunnen deze conclusie trekken op basis van resultaten van anderen of op basis van eigen resultaten. Het gevolg is dat de oorspronkelijke hypotheses, doelen en werkplannen bijgesteld kunnen worden.
  3. De begeleider zorgt voor een duidelijk werkplan voor de activiteiten die worden verwacht van de junioronderzoeker. De aard van het werkplan is afhankelijk van de onderzoeksfase. Een werkplan kan betrekking hebben op: het uitwerken van een idee, opstellen van een onderzoeksprotocol, verrichten van een literatuurstudie, uitvoeren van experimenten, verzamelen van gegevens, analyseren van vergaarde data of voorbereiden van een publicatie of presentatie. Door de Graduate School of Medical Sciences (GSMS) is dit geregeld in het Training and Supervision Plan. De GSMS gebruikt hiervoor het elektronische promovendiregistratiesysteem Hora Finita, waarin de opzet en voortgang van het promotietraject worden opgenomen. Promovendus en begeleider dragen zelf zorg voor het bijhouden van de onderwijs- en onderzoekactiviteiten in Hora Finita; de GSMS draagt zorg voor een juiste registratie en afhandeling van activiteiten.
  4. De junioronderzoeker en begeleider zijn het eens over het doel van de samenwerking en hebben dit duidelijk benoemd. Het doel kan zijn: de totstandkoming van een proefschrift, een artikel, verslag of voordracht. Soms is het doel van de samenwerking alleen het uitvoeren van een deelaspect van een onderzoek.
  5. De begeleider zorgt voor voldoende faciliteiten en gepaste ondersteuning om het werk van de junioronderzoeker mogelijk te maken, conform regelgeving en vigerende normen. Daarbij gaat het niet alleen om laboratorium- of klinische faciliteiten maar ook om ondersteuning door medewerkers met inhoudelijke expertise binnen en/of buiten de afdeling.
  6. De junioronderzoeker kan bij het uitvoeren van de onderzoekswerkzaamheden regelmatig hulp, advies en steun verwachten van de begeleider. Dit kan plaatsvinden op geregelde tijden, maar er moet ook ruimte zijn voor tussentijds overleg bij onverwachte gebeurtenissen.
  7. De intensiteit en de vorm van de begeleiding zijn aangepast aan het niveau, de werkwijze en de situering van de junioronderzoeker. De begeleiding van een student zal anders zijn dan de begeleiding van een promovendus in de laatste fase van het promotieonderzoek. In de klinische setting weegt ook het patiëntenbelang mee in de begeleiding van de junioronderzoeker.
  8. Er vindt regelmatig werkoverleg plaats tussen de begeleider en junioronderzoeker. Hierbij worden in ieder geval de voortgang van het onderzoek en mogelijke problemen besproken. Ook kunnen tijdens dit overleg de volgende stappen in het onderzoeksproces worden besproken. Ten slotte moet er voldoende overleg zijn over het bereiken van het uiteindelijke doel van de samenwerking. Bij voorkeur leidt het overleg tot concrete afspraken over de korte en (zo nodig) middellange termijn.
  9. Een begeleider is zo goed mogelijk bereikbaar voor de junioronderzoeker. De begeleider maakt tijd vrij voor adequate en inhoudelijk kritische feedback. Dit betekent ook dat gecorrigeerde manuscripten, verslagen e.d. binnen een acceptabele termijn geretourneerd worden.
  10. De junioronderzoeker en de begeleider voeren ten minste eenmaal per jaar een functioneringsgesprek c.q. jaargesprek. Dit biedt de mogelijkheid wederzijds te reflecteren op elkaars functioneren en afspraken te maken voor het komende jaar. In geval van een promotieonderzoek spreken de begeleider en de junioronderzoeker een concreet, gefaseerd opleidingsplan af. Dit gebeurt zo mogelijk voor de start van het onderzoek. Dit opleidingsplan is onderdeel van het werkplan (zie punt 3). Hierin kunnen cursussen uit diverse categorieën worden opgenomen, zoals:
    - Algemene vaardigheden (en verdieping/verbreding van kennis)
    - Onderzoek-gerelateerde vaardigheden (idem)
    - Vaardigheden (idem)die specifiek zijn gericht op het betreffende promotieonderzoek
    In dit opleidingsplan wordt rekening gehouden met specifieke wensen van de junioronderzoeker.
  11. Onderzoeksresultaten van een junioronderzoeker worden niet zonder vorm van overleg door de begeleider gebruikt. De in dit kader gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
  12. In geval van een promotieonderzoek dient door de eerste promotor gelijktijdig bij het verlenen van goedkeuring van het proefschrift, een verklaring afgegeven te worden dat het proefschrift is gecontroleerd op plagiaat. Ook dient deze aan te geven waar de ruwe data waarop het proefschrift is gebaseerd, zijn opgeslagen. In Hora Finita wordt het afdelingshoofd dan wel de onderzoeksinstituut directeur gevraagd akkoord te gaan met de voordracht voor de samenstelling van de Beoordelingscommissie.
 

​Auteurschap & auteurspositie

Alle onderzoekers, waaronder de begeleider en de junioronderzoeker, maken bij de start van het onderzoek goede afspraken over publicatie en/of voordracht van onderzoeksresultaten. Zo nodig stellen zij deze tijdens het onderzoek bij. De kwalificatie als auteur, en vervolgens de auteurspositie, zijn onderdeel van deze afspraken (zie auteurschap).

​Auteurschap

Auteurschap is een expliciete manier om verantwoordelijkheid en intellectueel eigenaarschap toe te kennen en erkenning te geven aan intellectuele arbeid, zoals gerapporteerd in wetenschappelijke publicaties, lezingen en abstracts. Auteurschap is belangrijk voor de reputatie, academische promotie en werfkracht van de individuele onderzoeker. Daarnaast is auteurschap belangrijk voor de kracht en reputatie van het UMCG en in afgeleide vorm voor onderliggende organisatieonderdelen, i.e. de afdelingen, de onderzoeksinstituten en –programma’s. Diverse instellingen, wetenschappelijke verenigingen en tijdschriften hebben richtlijnen ontwikkeld voor auteurschap. Het UMCG onderschrijft de richtlijnen van de International Committee of Medical Journal Editors (ICMJE) als basis voor auteurschap. Medewerkers zijn verplicht zich hieraan te houden.

Auteurschap betekent voldoen aan de volgende vier criteria:

Criteria voor auteurschap en best practices  
  1. een substantiële bijdrage aan het intellectuele concept en ontwerp van het onderzoek, of verwerven, analyseren of interpreteren van de data;
  2. origineel schrijfwerk of kritisch redigeren van geschreven teksten;
  3. goedkeuring van de definitieve versie van het manuscript;
  4. instemming om de verantwoordelijkheid voor alle onderdelen van het manuscript te dragen en de garantie dat vragen over de juistheid van welk onderdeel dan ook naar behoren worden onderzocht en opgelost.


Daarnaast worden de volgende best practices van de ICMJE gevolgd:

  • Degenen die op basis van de bovengenoemde criteria gekwalificeerd worden als auteur, moeten als zodanig vermeld worden.
  • Elke auteur moet voldoende hebben geparticipeerd in het onderzoek om (maatschappelijke) verantwoording af te leggen over alle relevante gedeeltes van het werk. Het is een goed gebruik om minstens één auteur (b.v. senior of corresponding author) verantwoordelijk te stellen voor de juridische en ethische aspecten van het gehele manuscript.
  • Louter betrokkenheid (contributorship) bij fondsenwerving, datacollectie, algemene leiding van de onderzoeksgroep of een (onder)afdeling (gift-authorship) geeft geen recht op auteurschap. Afgedwongen auteurschappen die niet aan bovengenoemde criteria voldoen, worden gemeld aan de leidinggevende en – als daar aanleiding toe is – aan de vertrouwenspersoon research.

​​Auteursrangschikking

De eerste, tweede, laatste en op-een-na-laatste auteurs hebben in de regel een grotere bijdrage aan het artikel geleverd dan de overige auteurs. De eerste auteur heeft doorgaans de grootste praktische bijdrage geleverd aan het onderzoeksproject op basis waarvan de publicatie tot stand is gekomen. De laatste (senior) auteur heeft doorgaans de basis gelegd voor de studie en deze gesuperviseerd. In voorkomende gevallen kan bij de uitgever worden vastgelegd dat twee onderzoekers een equivalente bijdrage hebben geleverd. Als er sprake is van een serie van publicaties kan gezamenlijk worden besloten om per artikel de eerste en de tweede auteurspositie afwisselend te gebruiken alsook de laatste en op-een-na-laatste positie.

Verantwoordelijkheden van betrokkenen bij onderzoek

Hieronder staan de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen bij een onderzoek. Dit zijn: de uitvoerend (junior)onderzoeker, (dagelijkse) begeleider, projectleider, promotor (soms tevens projectleider) en directeur van de Graduate School of Medical Sciences.​

De verantwoordelijkheden  
  1. De uitvoerend (junior) onderzoeker is primair verantwoordelijk voor:
    • een zorgvuldige
    • een zorgvuldige uitvoering van het onderzoek;
    • het zorgvuldig omgaan met (rechten en de gegevens van) patiënten of met proefdieren, en het in acht nemen van de bestaande wettelijke kaders, codes en (gedrags)regels;
    • een juiste rapportage en adequate archivering van de gegevens (en materialen), zie hoofdstuk Open Data en FAIR data.
  2. De (dagelijkse) begeleider is primair verantwoordelijk voor:
    • de (dagelijkse) begeleiding van de onderzoeker, d.w.z. de begeleider is op vrijwel dagelijkse basis beschikbaar;
    • de praktische controle op de zorgvuldige uitvoering van het onderzoek;
    • de praktische bewaking van de voortgang van het onderzoek.
  3. De onderzoeks- of projectleider is primair verantwoordelijk voor:
    • de kwaliteit van vraagstelling, opzet, analyse en rapportage;
    • een samenhangend onderzoeksprogramma van de onderzoekslijn;
    • het toezicht op de voortgang van de betreffende onderzoekslijn;
    • het kwaliteitsbeleid;
    • het monitoren van de onderwijs- en opleidingsactiviteiten (bijvoorbeeld BROK en GSMS -cursussen) en het carrièrebeleid van onderzoeker.
  4. De promotor is primair verantwoordelijk voor:
    • een zodanige kwaliteit van het proefschrift dat het verdedigingswaardig is.
  5. De directeur van het betrokken onderzoeksinstituut en de directeur van de Graduate School of Medical Sciences zijn verantwoordelijk voor:
    • het proces en het totale opleidingspakket dat de junioronderzoeker doorloopt.
  6. De RvB, in het bijzonder de decaan (en de prodecaan Onderzoek als gedelegeerd verantwoordelijke), is verantwoordelijk voor:
    • het totaal van het onderzoek binnen het UMCG