Levertransplantatie

Bij een levertransplantatie wordt de eigen lever, die niet goed meer werkt, weggehaald en vervangen door een gezonde donorlever.

De meeste levertransplantaties worden uitgevoerd bij patiënten met levercirrose. Daarnaast gebeurt dit bij mensen met bijvoorbeeld een ernstige erfelijke stofwisselingsziekte en bij mensen met acuut leverfalen.

Eerste gesprek

Uw arts of specialist kan u verwijzen naar het UMCG. We doen we altijd eerst uitgebreid onderzoek om te beoordelen of u in aanmerking komt voor een levertransplantatie. Dit gebeurt tijdens een opname of tijdens poliklinische afspraken. U heeft dan op 1 dag gesprekken met verschillende specialisten. Bijvoorbeeld met de MDL-arts, een verpleegkundige en een chirurg die de transplantatie doet. Hierna wordt beoordeeld of de leverziekte zodanig is dat levertransplantatie een optie is. Als dat zo is, wordt u opgeroepen voor een vooronderzoek, de screening.

Het kan ook voorkomen dat uw lever heel plotseling ziek wordt. U wordt dan gelijk opgenomen in het UMCG. Soms is dan met spoed een levertransplantatie nodig.

Vooronderzoek

Voor het vooronderzoek nemen we u ongeveer 1 week op. Soms langer. We bespreken:

  • uw conditie en of u nog andere aandoeningen heeft
  • welke medicijnen u gebruikt
  • de operatiemogelijkheden

We doen ook verschillende onderzoeken. Sommige heeft u al eerder geahd, maar soms is het nodig om die overnieuw te doen. Ook onderzoeken we uw weefsel en bloed. Dat moet namelijk hetzelfde zijn als die van de donor.

Wachtlijst levertransplantatie

Als u geschikt bent voor een transplantatie, dan komt u op de wachtlijst van Eurotransplant in Leiden. Dit is een internationale organisatie die aangeboden organen en weefsels verdeelt en toewijst volgens vastgestelde regels. De wachtlijstperiode kan verschillen van enkele dagen tot langer dan 2 jaar. Tijdens de wachttijd krijgt u wachtpunten. Hoe meer wachttijdpunten u heeft, hoe hoger de kans op een lever. U kunt ook zelf op zoek gaan naar een donor die zijn nier wil doneren, dit noemen we een 'levende donor'. 

Een transplantatie is een zware operatie. Daarom bespreken we vooraf samen hoe u zich hier op voorbereidt. Met een goede voorbereiding is de kans op een goed herstel groter. U krijgt bijvoorbeeld advies over voeding, bewegen en stoppen met roken.

De transplantatie stap voor stap

  1. U hoort van uw arts dat u een levertransplantatie krijgt. Als u een lever van een levende donor krijgt, krijgt u een brief met de precieze datum. U heeft een afspraak met de anesthesioloog over de verdoving. Een verpleegkundige vertelt u over de operatie en de voorbereidingen.

    Bij een lever van een overleden donor werkt het iets anders. Vaak is er onverwacht een geschikte lever. Als dat zo is, bellen we u. U komt dan zo snel mogelijk naar het ziekenhuis.

  2. Als er voor u een lever is, bellen we u. U gaat dan naar de Spoedeisende Hulp in het UMCG. Soms moet u daar nog wachten. Als u aan de beurt bent, doet de arts van de SEH een lichamelijk. Ook doen we een bloedonderzoek en maken we een longfoto. Als uw conditie goed genoeg is, gaat de transplantatie door. 

    U gaat dan naar de verpleegafdeling van de Chirurgie (C4VA). Na de intake brengen we u naar het Operatiecentrum. Soms gaat u ook meteen van de SEH naar het  Operatiecentrum.

  3. Zodra u op het Operatiecentrum bent, krijgt u een infuus voor de narcose. Meestal is dit in de linkerarm. U krijgt ook plakkers op uw borst voor de hartbewaking. Het slaapmiddel spuiten we via het infuus in. Als u slaapt krijgt u een beademingsbuis in uw luchtpijp. U krijgt dan ook een blaaskatheter in de plasbuis en andere infusen. Deze voorbereiding duurt ongeveeer een uur.

    De operatie duurt ongeveeer 7 tot 12 uur, maar dit verschilt per persoon.

    De operatie

    We halen eerst de zieke lever weg. Dat gebeurt via een snee onder beide ribbenbogen. We halen ook de galblaas weg. Hierna volgt een fase van ongeveer een uur zonder lever. De aansluitpunten voor de aan- en afvoerende bloedvaten van de lever en de galweg worden klaargemaakt voor een verbinding met de donorlever. Voordat de donorlever met deze aansluitpunten wordt verbonden, wordt de nieuwe lever geïnspecteerd en klaargemaakt voor implantatie. Daarnaast wordt vaak nog een biopsie van de donorlever genomen zodat het leverweefsel beoordeeld kan worden.

    Tijdens de implantatiefase verbindt de chirurg de donorlever eerst met de aansluitpunten van de aan- en afvoerende bloedvaten van de lever. Er wordt gestart met de aansluiting van de afvoerende leveraders. Meestal gebeurt dit rechtstreeks op uw eigen onderste holle ader. Soms wordt echter om technische redenen voor een andere aansluiting gekozen. Nadat alle bloedvaten zijn verbonden en het bloed weer door de nieuwe lever stroomt, beginnen we met het aansluiten van de galweg. Het herstel van de galweg kan op 2 manieren:

    • de galweg van de donorlever wordt direct op uw eigen galweg aangesloten
    • we sluiten de de galweg van de donorlever aan op een gedeelte van de dunne darm met een speciale lis wordt gemaakt (Roux en Y lis). Dit doen we als uw eigen galweg niet geschikt is.

    De chirurg haalt altijd de galblaas van de donorlever weg. Deze heeft namelijk geen zenuwvoorziening meer en werkt daardoor niet meer goed. U kunt goed leven zonder galblaas.

    Soms leggen we aan het eind van de operatie een slangetje (galdrain) in de galweg. Via dit slangetje kan het gal weglopen. U krijgt ook drains zodat het wondvocht kan weglopen.

    De eerste dagen na de operatie krijgt u vloeibare voeding (sondevoeding) door een neussonde, een slangetje in uw neus of via een slangetje in de buikwank.

  4. Na de transplantatie gaat u naar de Intensive Care voor Volwassenen (ICV). Soms heeft u nog een beademingsbuis. Maar meestal halen we die meteen na de transplantatie weg.

    De meeste lijnen en slangen die u tijdens de operatie hebt gekregen blijven nog even zitten, zoals drains, een neussonde, een infuus, een blaaskatheter en een maagslang. Verder ligt u aan de hartbewaking en heeft u een metertje aan uw vinger voor meting van het zuurstofgehalte in uw bloed.

    Zodra het kan, gaat u naar de verpleegafdeling. Tijdens uw opname krijgt u informatie over uw medicijnen en hoe u die inneemt. Voor u weer naar huis gaat, heeft u nog een ontslaggesprek met de verpleegkundig specialist.

  5. Als u zich goed genoeg voelt, mag u weer naar huis. Meestal kunt u na ontslag rechtstreeks naar huis of naar een ander ziekenhuis of revladatiecentrum bij u in de buurt. Soms gaat iemand na ontslag uit het ziekenhuis voor een bepaalde periode naar het Familiehuis. Bijvoorbeeld als u ver weg woont.

    Als u een galslang (galdrain) heeft gekregen, dan blijft deze nog ongeveer 6 maanden in uw lichaam zitten. U leert van de verpleegkundige hoe u de drain en de insteekopening moet verzorgen.

    Na ongeveer 6 maanden halen we de galdrain weg. U komt darvoor naar de polikliniek.

  6. In het eerste jaar na transplantatie komt u regelematig voor controle naar het UMCG. De 1e maand na de transplantatie heeft u 1 keer per week een afspraak op de polikliniek. Als u problemen heeft door de transplantatie, komt u vaker dan 1 keer per week. Na een poosje komt u nog 1 keer in de 3 maanden. Dat hangt af van hoe het met u gaat.

    Bij elke controle onderzoeken we een paar dingen:

    • Urine: u neemt elke keer 24-uurs urine en verse urine mee. Zo kunnen we de nierfunctie heel precies meten. En zien we ook of u misschien een blaasontsteking heeft.
    • Bloed: we onderzoeken ook uw bloed. Daarvoor laat u voor de afspraak bloed prikken bij de Prikpoli.

Mogelijke complicaties

In de eerste week na transplantatie bestaat er vooral risico op technische complicaties, zoals het niet functioneren van de nieuwe lever, vaatproblemen (vernauwing, dichtslibben van bloedvaten), nabloedingen. Op langere termijn kunnen galwegcomplicaties optreden, zoals lekkage en vernauwing van de galwegen.

Tot na enkele maanden na de transplantatie bestaat er een risico op vooral de afstoting van de nieuwe lever en infecties. Deze infecties kunnen worden veroorzaakt door  onder andere bacteriën, schimmels en virussen.

Complicaties kunnen leiden tot noodzakelijke medische ingepen, zoals medicijnen, nieuwe operaties en zelfs een re-transplantatie. Ongeveer 60-70% van de getransplanteerde patiënten heeft te maken met één of meerdere complicaties. Veel van de complicaties die na een levertransplantatie optreden, kunnen vroegtijdig worden herkend. Medicijnen werken dan doorgaans goed. U kunt door een ernstige complicatie uiteindelijk overlijden.

Wanneer bellen?

Als er problemen zijn is het altijd goed uw huisarts te waarschuwen. Vooral in de eerste maanden na de transplantatie moet ook het UMCG door uw huisarts of door uzelf worden gebeld.
Bij een van de volgende lichamelijke klachten moet u de MDL-arts van het UMCG waarschuwen of de dienstdoende MDL-arts oproepen via het centrale nummer van het UMCG ((050) 361 61 61):

  • koorts 38°C en hoger
  • gele ogen, ontkleurde ontlasting en erg donkere urine
  • aanhoudende jeuk
  • benauwdheid of kortademigheid
  • luchtweginfectie met ophoesten van geel/groen slijm
  • aanhoudende diarree, misselijkheid, buikpijn of langdurig braken.

Bij de volgende problemen kunt u contact opnemen met uw huisarts. Indien u in het Tussenhuis verblijft, kunt u overdag contact opnemen met de MDL-arts of de verpleegkundig consulent levertransplantatie over onderstaande problemen:

  • witte aanslag in de mondholte, die niet weg te poetsen is
  • koortslip
  • pijn bij het plassen

Medicijnen

De medicijnen die u gebruikt zijn uiterst belangrijk om de donorlever goed te laten werken en om afstoting tegen te gaan. Deze medicijnen hebben bijwerkingen en brengen risico’s met zich mee.

Leefstijl en revalidatie na de transplantatie

Door een transplantatie verandert uw leven. U kunt dingen die u eerder niet kon. Maar u moet ook met veel zaken rekening houden. Lees meer over leven na een transplantatie.